FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schrijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Feanwâldsterwal is een prachtig klein dorpje zuidwestelijk van Feanwâlden. De schoonheid van het dorp wordt vooral gekenmerkt door de smalle vaart die naast de hoofdstraat van het dorp "De Wâl" loopt. De aanliggende woningen hebben allemaal een eigen bruggetje.

Waar "De Wâl" overgaat in "It Oare Ein" ligt de kern van het dorp gemarkeerd door een fraaie brug en hotel en eetcafé 't Dûke Lûk. Hier kun je bootjes en kano's huren en dat is niet onlogisch. Feanwâldsterwal ligt namelijk aan de rand van een van de mooiste aaneengesloten kleine natuurgebieden in Friesland, It Butenfjild, De Looden Hel en De Houtwiel. Het laatste natuurgebied is de laatste jaren naar een hoger niveau getild vanwege de aanleg van de Centrale As (N356), de voor het gebied enigszins "oversized" maar o zo gewaardeerde autoweg tussen Nijega en Dokkum. Bij het dorp De Falom is notabene een "luxe" flyover gebouwd zodat flora en fauna ongestoord  kan doorgroeien en doorlopen tot aan het dorp De Westereen.

De aaneengesloten natuurgebieden verklappen het ontstaan van Feanwâldsterwal. Het zijn laagveengebieden en Feanwâldsterwal dankt haar bestaan aan de ontginning van dit laagveen. Al in de 15e eeuw werd dit ontgonnen door de Schiere Monniken afkomstig van de Schierstins in buurdorp Feanwâlden, behorende bij het klooster Claerkamp in Rinsumageest. In latere tijden werd dit zware werk op meer industriële schaal voortgezet door doorgewinterde veenarbeiders uit Giethoorn die naar de Friese veenkolonie kwamen. Zij wisten wel raad met het laagveen en lieten een duidelijk stempel achter op het gebied, én het dorp. Daarom wordt Feanwâldsterwal nu ook wel het "Giethoorn van Friesland" genoemd.

Beide dorpen hebben trouwens nog iets opmerkelijks gemeen, de verdwenen melkfabrieken. In beide dorpen zijn ze ten prooi gevallen aan het toerisme zou je kunnen zeggen. Die van Giethoorn is gesloopt of onherkenbaar tussen restaurants en bootverhuurders. Die van Feanwâldsterwal, genaamd Zuivelfabriek Freia, is steen voor steen afgebroken en opnieuw opgebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Ik zie het als de verloren zoon van Feanwâldsterwal, gelet op de naam Freia zou je wellicht van dochter moeten spreken maar dat onderscheid laat ik aan de lezer.

Het dorp Eastermar ligt ten noorden van Drachten in een prachtig gebied te midden van twee, voor het gebied bijzondere waterpartijen, het Bergumermeer en De Leien. Deze relatief kleine en ondiepe meren zijn grotendeels ontstaan door veenafgravingen en afkalving. Het gebied draagt met trots het predicaat “Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden” (De Noordelijke Friese Wouden).

Toch zal een bezoeker die van de meren heeft genoten zich wellicht afvragen, waar zijn de wouden gebleven? Inderdaad, wouden in de zin van uitgestrekte bossen vind je er niet. In de plaats daarvan vind je een eeuwenoud coulisselandschap. Dit wordt gevormd door talloze boom- en houtwallen die kleinschalige boerenpercelen van elkaar scheiden. Hier en daar kijk je dwars door een aantal van deze boom- en houtwallen heen, de dieptewerking is subliem. Tussen deze coulissen zie je telkens weer een andere voorstelling. Akkerland, graanvelden, weilanden met koeien, paarden, schapen, of misschien wel het mooist, een wisselend kleurenpalet van veldbloemen. De analogie met coulissen en voorstellingen in een theater kan bijna niet treffender.

De boom- en houtwallen worden met regelmaat teruggesnoeid en groeien in enkele jaren daarna weer terug. Aan de oudste exemplaren zie je dit onderhoud terug in decenniaoude grillige stronken en stobben. Ruilverkaveling is aan het gebied voorbijgegaan en dat is maar goed ook. De hout- en boomwallen zijn onaangetast en volgen de oorspronkelijke zandpaden die dorpen als Eastermar, Sumar, Harkema en Drogeham aan elkaar verbonden en nog steeds verbinden. De gemeente heeft zich erbij neergelegd en doet het onderhoud met zorg, verharding is uitgesloten. 

Het enige dat in het historische beeld ontbreekt zijn de karresporen die er ooit in grote hoeveelheden moeten hebben gelegen. Ook verdwenen zijn de talloze plaggenhutten die er moeten hebben gestaan. Het is moeilijk voor te stellen maar tot voor slechts honderd jaar geleden werden plaggenhutten in het gebied gebouwd om in te wonen, ook met grote gezinnen. De bijzondere  geschiedenis van de plaggenhut wordt verteld in Themapark de Spitkeet in Harkema, een aanrader.

Ik heb er een middag doorgebracht en kom snel terug want "Theater" Nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden is 7 dagen per week open en de entree is ook nog eens helemaal gratis!

In Gaasterland heb je aan de IJsselmeerkust een aantal plekken waar je een optimaal uitzicht hebt over het IJsselmeer. Ik denk aan het Mirnserklif bij Mirns, het Oudemirdumerklif bij Oudemirdum en het meest beroemde, het Reaklif bij Warns. Hier vochten de Friezen een legendarische strijd tegen de Hollanders in 1345.

Je vraagt je af waarom je juist hier het mooiste uitzicht hebt over het IJsselmeer. Volgens mij komt dat doordat je bij helder weer nog net de overkant kunt zien. Je ziet de kerktoren van Enkhuizen duidelijk aan de horizon temidden vaag trillende silhouetten van windturbines, bomen en bebouwing. Daarnaast heb je als je naar links kijkt uitzicht op windturbines die de dijk van de Noordoostpolder en Flevopolder aangeven, helemaal tot aan de Maximacentrale bij Lelystad. Aan de rechterkant zie je de windturbines die het einde van de Afsluitdijk markeren, de Afsluitdijk begint wat mij betreft in Friesland maar wellicht zag de geestelijk vader Cornelis Lely dat anders.

Dit panorama heb je vooral omdat het klif je net voldoende meters boven het waterpeil van het IJsselmeer uittilt. Hierdoor kun je over de kromming van de aarde en dus het IJsselmeer heen kijken.

Als je de tijd neemt ga je bijna automatisch mijmeren over wat er allemaal nog meer achter de horizon schuil gaat en achter de toren van Enkhuizen. En juist op dat moment raak je in gesprek met een toevallige voorbijganger. Hij vertelt dat tijdens de tweede wereldoorlog V2’s werden gelanceerd vanuit de bossen van Rijs, bestemming Londen. Deze bossen bevinden zich in Mirns recht achter je.  Veel V2's zouden dienst hebben geweigerd en in het IJsselmeer zijn geplonst.

Ik heb het nagezocht op de kaart. Ze moeten rechts van de Enkhuizer toren zijn gevlogen onderweg naar de Britse hoofdstad. Mijn bezoekjes aan het IJsselmeerpanorama krijgen vanaf nu een extra dimensie.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

 

Op 22 mei 1870 trouwt Sybe Cornelis zijn dochter Trijntje met smidsknecht Lourens Lutgendorff uit Sneek. Sybe wil dat het jonge stel na hun huwelijk een goede start kan maken. Hij heeft daarom een overeenkomst gesloten met timmerman Pieter Willems Twijnstra uit Folsgare. Pieter Willems bouwt aan de Tsjaerddyk een smederij en Lourens Lutgendorff zal het pand voor tenminste vijf jaar huren, voor een bedrag van fl 169, - per jaar. Sybe Corenelis Nijdam staat , als eigenaar van een scheepswerf in Sneek, voor het jonge stel  garant.

 

Lourens en Trijntje vestigen zich volgens plan na hun huwelijk aan de Tsjaerddyk. Lourens Lutgendorff is een zeer eigenzinnig persoon en hij ligt al snel met de kerkvoogden en andere mensen in het dorp overhoop. Na vijf jaar houdt Lourens Lutgendorff het dan ook voor gezien in Folsgare en koopt hij de smederij van Ynte Roode in Makkum.

Timmerman Pieter Willems Twijnstra vertrekt uit Folsgare en wordt boer in Abbega. Hij wil van de smederij af en zet de zaak te koop. Reinder Hendriekus Monkel, stadsomroeper uit Sneek, brengt een bod uit van fl 1661, - . Dit bod wordt afgewezen en het pand wordt uit de verkoop gehaald. Na het vertrek van  Lourens Lutgendorff  in mei 1875, komt Albert de Hond als nieuwe huurder in het bedrijfspand voor een termijn van twee jaar. Hij betaalt een aanzienlijk lager huurbedrag van fl 140, - per jaar. Twijnstra wil toch van het pand af en in 1876 komt het weer te koop. Petrus Jentjes Greydanus, landbouwer te Oosthem, wordt voor fl 1740, - de nieuwe eigenaar.

 

 

 

Op deze plek zijn in 1933 Albert en zijn vrouw Foukje Brink een bakkerij annex winkel begonnen. Op huisnr. 11 staat inmiddels een andere woning. “Altijd die heerlijke geur, vooral als er suikerbrood werd gebakken", herinnert een buurvrouw zich. Doordeweeks werden de bestellingen voor `bûtenùt` aan huis gebracht door zoon Hyltje. De inwoners in het `doarp` moesten het brood zelf halen, maar kregen dan wel als beloning een stuk `koarstekoeke` mee. Dit was een soort kruidkoek, waar de bakker de kanten van afsneed om weg te geven aan de klanten. Het werd daarom ook wel `kantkoek` genoemd.

De winkel en bakkerij waren het kloppend hart van het dorp. Albert en Foukje waren echte dorpsmensen en stonden altijd klaar voor de mensen van het dorp. Zo heeft Albert Brink zich ook vele jaren ingezet als voorzitter van Plaatselijk Belang. De bakkerij was ook een soort `doarpsromte`: met sinterklaas kon men sjoelen en ballengooien in de bakkerij. Deze traditie wordt nog steeds voortgezet, alleen is de plek veranderd.

Bakker Brink kreeg als eerste een telefoon. Als je wilde bellen kon je daar terecht, of de bakker kwam bij je langs als er een bericht voor je was. Je wist toen niet beter, zo was je opgegroeid en het werkte prima. Het huis bestond uit behalve de bakkerij, een woonkamer, een woonkeuken, een slaapkamer en een winkel. De kinderen sliepen boven op zolder.

De oven van de bakkerij werd in de beginperiode verwarmd door het verbranden van takken en turf. Later werd de oven verwarmd door middel van een oliebrander. De olie daarvoor werd opgeslagen in olievaten achter de bakkerij. In de oorlogsjaren was de bakkerij verduisterd en leerden onderduikers de dorpsbewoners schaken.

 

Het kerkje dateert uit 1770 en staat op de plek van een vorige kerk uit de Middeleeuwse tijd. Het eenvoudige kerkje is relatief jong (ongeveer 250 jaar) vergeleken met veel andere hervormde kerken in Fryslân. De kerk van Goingarijp valt onder de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Waarom in 1770 het oudere kerkgebouw werd vervangen, is niet bekend. Op een tekening, gemaakt in 1723 door Stellingwerf, ziet het kerkje er niet bouwvallig uit. De Hervormde Gemeente van Goingarijp vormde samen met het drie kilometer verderop gelegen dorp Broek een gecombineerde kerkelijke gemeente. De dorpen deelden de predikant. 

Tot in de twintigste eeuw werd de dominee van het ene dorp naar het andere dorp geroeid. Dat was een hele opgave, zowel voor de roeiers als voor de dominee zelf, vooral als het slecht weer was. Boven de ingang aan de zuidzijde van de kerk is een steen ingemetseld waarop te lezen staat: `De eerste steen deser Nieuwe kerke was gelegd door Frans Julius Johan van Eisinga aet 18 Kleinzoon van de heer Grietman Vegelin van Claerbergen`. De kerk heeft zes gebrandschilderde ramen, gemaakt door Ype Staak, een 18e eeuwse glazenier uit Sneek.

Dat deze ramen in goede staat bewaard zijn gebleven, zegt vermoedelijk iets over de moeilijke bereikbaarheid van Goingarijp in de 18e eeuw. Aan de westzijde staat de markante klokkenstoel. Daarin hangt de Salvatorklok die in 1527 is gegoten door Gerhardus van Wou uit Kampen, een van de bekendste klokkengieters uit de late middeleeuwen. Met een gewicht van 1135 kg is het de zwaarste klok in een klokkenstoel in Friesland. Het luiden van de klok was van belang voor de arbeiders als sein om op te staan en naar het land te gaan of om te gaan eten. Maar ook bij hoog water werd de klok ter waarschuwing gebruikt.

Vroeger was het luiden de taak van de schoolmeester, die er in 1834 nog 20 gulden per jaar mee verdiende. Momenteel wordt het uurwerk twee keer per dag opgewonden door vrijwilligers. Vandaag de dag wordt de klok nog geluid ter aankondiging van de kerkdiensten, bruiloften en begrafenissen. Elke oudejaarsdag komen dorpsbewoners bij elkaar rondom de klokkenstoel om beurtelings hangend aan het touw het oude jaar uit te luiden. Als je op het juiste tijdstip rond de kerk wandelt, is de klok op de hele en halve uren te horen met zijn mooie vérdragende klank.

 

 


Uit het dorpsarchief van Easterein

Onderstaande vensters komen uit het in opbouw zijnde dorpsarchief van Easterein. Kijk op https://easterein.argyf.nl voor een indruk van dit dorpsarchief.

De oprichting van de melkfabriek

In de aantekeningen van de kerkvoogdij bijenkomst van 23 december 1896 staat: ' Schrijven van aanvraag der voorlopige cie de heren A.R. Sybrandy (1855 - 1928 ), P.Y. van der Valk (1867-1926 ), Jelle Bouma, Y.J. Heeg (1868-1952) en P.K. Vellinga (1863-1930) om grond tot bouwing eener op te richten Coöp. Stoomzuivelfabriek en geldelijke steun der kerkvoogdij.

De Kerkvoogden stellen voor om grond af te staan aan de Seberievaart thans in gebruik bij P.A. van der Valk tegen een jaarlijkse grondpacht van f 50 per 36 3/4 are.

Toegestaan met deze voorwaarde om van zondagmorgen 8 uur tot middags 4 uur niet te mogen werken in en op de fabriek.

Het eerste bestuur

Het eerste bestuur en raad van commissarissen bestonden uit: Directeur F.W. Anema (1879-1942 ). Bestuur: A.R. Sybrandy (1855-1928 ), Y.J. Heeg (1868-1952) en M.Y. Sjaarda (1864-1929 ) en D. de Gavere (1867-1923)

De commisarissen waren: K.J. van Gosliga (1864-1921 ), H.R. Jonkman (1871-1941) en S.J. Timmenga (1849-1936 ).

Besloten werd dat na tien jaar het bestuur het recht had de grondpacht af te kopen.

Er is zelfs even sprake van geweest dat de kerkvoogden mede-oprichters zouden worden, maar dat ging niet door.

De directeuren

De directeuren die leiding aan het bedrijf gaven waren:

Van 1897 tot 1908: Arjen Rienks (1874-1950) getrouwd met Antje Sinnema (1872-1905 ), later met Simkje Bottema (1874-1957 ); komende van Haren en vertrokken naar Langweer;

Van 1908 tot 1941: Fokke Wiggeles Anema (1879-1942 ), getrouwd met Trijntje Wouters-Hielkema (1877-1936), komend van Betterwird en vanwege ziekte gestopt.

Van 1939 tot 1941: Broer Voolstra (1941-) en Roelofje Woudstra (1913 -) Komende van Rauwerderhem en vertrokken naar Den Haag;

Van 1941 tot 1965: Johannes Sijtsema (1908 -), getrouwd met Grietje de Vries (1909-1995), komend van Terschelling en vertrokken naar Heerenveen.

De assistent directeuren

De navolgende assistent directeuren dienden de fabriek:

Van 1906 tot 1908: Folkert Brandsma (1888 - ); komende van Dalfsen en vertrokken naar Oene;     Van 1907 tot 1908: Rudolf Dijkstra (1882 - ); komende van Stiens en vertrokken naar Makkinga;     Van 1908 tot 1912: Tjitze Riedstra (1885-), getrouwd met Rigtje Westra (1884 - ); komende van Betterwird en vertrokken naar Rottevalle.    

Van 1912 tot 1912: Oene Sijperda, afkomstig van … en vertrokken naar Marssum.

Van 1912 tot 1913: Jacob Jans Visser (1889-) kwam van Deinum en ging naar Bierum.

Van 1916 tot 1917: Jan Timmerman (1887 - ), getrouwd met Ruurdtje Fopma (1888 - ), gekomen van Baerderadeel en vertroken naar Nieuwehorne.

Van 1917 tot 1918: Johannes Pieter Roodzand (1890-), afkomstig van Balk en vertrokken naar Wormerveer.

Van 1918 tot 1919: Johan Christiaan Geertsma (1895-), afkomstig van Arnhem en vertrokken naar Leeuwarden.

Van 1920 tot 1921: Eltje Kamminga (1894 - ), getrouwd met Henderika van der Woude (1899 - ); gekomen uit Grou en ging naar Haarloo.

Van 1921 tot 1954: Durk Harmens de Boer (1897-1954, getrouwd met Pietje Martens Kingma (1904-1973 ); komend van Hilaerd (Hoptille ). Ze woonden aan de Hidaarderdyk, nu Wynserdyk nr. 14 en aan de Wommelserdyk, nu Van Eysingaleane nr 9.

Van 1954 tot 1955: Jouke van Wieren (* 1926 ); komend van Esd en ging naar Havelte.

Van 1955 tot 1956: Ane van der Meer (* 1930 ); gekomen van Bolsward en ging naar Formerum op Terschelling.

Van 1956 tot 1961: Tjeerd Boskma (* 1928 ), getrouwd met Trijntje Jacobi (* 1931 ); ze woonden in Easterein in de Andries Joustrastraat nr. 14; gegaan naar Gorichem.

Van 1961 tot 1964: Harmen Eizenga (* 1929 ); getrouwd met Mintje Wagenaar (* 1933 ); zij woonden aan de Wynserdyk nr. 22 en zijn in 1965 naar Wommels verhuisd.

 

Werkgelegenheid.

De melkfabriek gaf aanvankelijk werk aan zo'n 15 man. Later heeft dat aantal zich fors uitgebreid.

De meeste boeren brachten in het begin hun melk zelf naar de fabriek.

Dat veranderde al gauw; toen kwamen de melkvaarders en de melkrijders.

Melkvaarders en melkrijders:

Andries Wisse (1890-1957) en halfbroer Jacob (Jabik) Namminga (1886-1973) uit Reahûs, Harm Kamstra (1883-1967 ), Minne Tjalsma (1985-1992 ), Rein Strikwerda (1913-1984 ), Yme Zijlstra (* 1923 ), Fedde Dijkstra 1869-1939 ), Sietze Ykema (1899-1991 ), Rinse Siesling (Siesling kreeg het voor elkaar om met de melkboot van de fabriek naar het dorp te zeilen, een echte schipper!) Yde Sijszeling (1913-1980) en zoon Andries Sijszeling (*1940), Germ Strikwerda (1913-1987), Haye Groustra (*1925), Simon Bloemhof (1891- 1976), Feike Bosschma (1902-1985), Marten Stilma (*1910), en zijn vader Job Stilma (1881-1952), Sjuk Sandstra (1898-1966), Johannes Santema (1896- 1962), Harke Kamstra (1917-1975), Jentje Jorritsma (*1924).

'... en ieder had zijn eigen lied...

Mevrouw W. de Jong-Brandsma vertelt dat in de tijd dat ze bij Yde Minnes Sjaarda (1889-1968) woonde, in de vroege zomerochtend in de verte Andrys en Jabik met de melkboot kon horen aankomen. Jabik trok de boot en Andries zong het hoogste lied.' Niet vaak heb ik zulk mooi zingen gehoord.’

Het doet denken aan het liedje van Herman van Veen: ' Hilversum 3 bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem, op elke steiger klonk een lied, van Paljas of Jeruzalem.

Melkgeld ophalen

Opo zaterdag haalden de boeren, in het zwarte pak, zelf het melkgeld op. Ze gingen dan ook, als het nodig was, langs de smid of timmerman om zaken te regelen. Smid Elzinga aan de Hidaerderdyk en later aan de Foarbuorren (op het Plein) liet daarom 's zaterdags het boerengereedschap buiten zetten, dan konden de boeren uitzoeken wat nodig was. Elzinga bracht een paar keer per jaar gereedschap naar het terrein bij de fabriek. Dat was dan zo'n soort van kleine show van wat hij te koop had.

Kuipmakers

Er waren twee kuipmakers in het dorp.

Sjoerd Dooitzen van der Zee (1861-) woonde op de achterburen in het huis It Skilplein nr. 17, naast bakker Dantuma.

De andere was Okke (kuiper) Oosterhout (1850-1935 ), die op de Pôlehoeke woonde, Schoolstraat nr. 12, waar nu Yme Zijlstra (* 1923) woont.

Beide kuipmakers maakten botertonnen voor de melkfabrieken van Easterein en Wommels.

Zondagswerk

Op zondagmorgen en 's avonds werd de melk wel naar de fabriek gebracht, maar werd dan niet verwerkt.

Electriciteit

P. Hoekstra schrijft ook over het ' nieuwe Ijocht ': ' We kregen ook electrisch licht in het dorp.

Het juiste jaartal weet ik niet meer, maar het zal 1917 of 1918 zijn geweest.

De stroom kwam eerst van de melkfabriek.

Tien uur 's avonds werd dan het licht uitgedaan, eerst een kleine waarschuwing door de stroom even uit te schakelen. Voor bijzondere gelegenheden werd tot 12 uur stroom geleverd.

' De stoommachine met een generator wekte de gelijkstroom op. Die werd opgeslagen in grote batterijen.

Sociale beweging.

Uit de aantekeningen van de kerkvoogdijvergadering van 12 februari 1926: ' Het ligt volgens Noordmans geheel op den weg van den directeur en bestuur onzer fabriek voor inhaling van sommige elementen in de fabriek te waken, met name het socialistisch element, waarvan een schadelijken invloed uitgaat’.

Uit de aantekeningen van de kerkvoogdij bijeenkomst van 1939: De heer Strikwerda heeft de kwestie van de personeelsbenoemingen aan de Coop Zuivelfabriek in de vergadering dezer Coop. ter sprake gebracht, waarna door het bestuur toegezegd daaraan aandacht te schenken .

Zuivelvervoer

Kapiteins van de Eastereinder boot uit de fabriek die met boter en kaas elke vrijdag naar Leeuwarden voeren, waren: - Sjoerd Visser (1876-1942) en -Foeke Wijnia (1895-1965 ).

Fabriekswoningen

Bij de fabriek, aan de noordoostkant stonden dienstwoningen voor fabrieksarbeiders.

In het huizencomplex was plaats voor vier gezinnen.

Linksvoor: de botermaker, daarnaast de machinist, daarachter de kaasmaker en daarnaast de centrifugist.

De eerste bewoners van deze huizen waren in 1897:

- botermaker Sipke Tinga (1863-1906 ), getrouwd met Pierkje de Jong (1863-);

- machinist Klaas Tuininga (1873-12 ), getrouwd met Sjoerdje Wijma (1873-);

- kaasmaker Sjouke Tolsma (1871-1935) getrouwd met Jantje Bergsma (1875-...

- sintrifugist Obbe Terpstra (1851-), troud mei Dieuwke Stiensma (1857-);

Van de overige bewoners noemen wij:

-botermaker Marten Vierstra (1874-1953) en Nieske Feenstra (1876-1956);

- centrifugist Hans Reitsma (1890-1979), getrouw met Dirkje Tolsma (1891-1975)

-machinist Fokke van der Tol (1898-1967), getrouw met Wypkje de Jong (1900- 1979);

-kaasmaker Siebe Hoitinga (1908-1983), getrouw met Wijtske Postma (*1913)

-botermaker (1912-), getrouw met Trijntje de Vries (1915-);

-botermaker Gerben Okkinga (1912-1990) , getrouw met Liskje Hiemstra (*1916).

Gerben en Lys waren de ouders van de beroemde eerste klas-kaatser uit de jaren zestig Gerrit Okkinga (* 1941 ).

Boterfabriek gesloten.

Na 67 jaar heeft de fabriek op 19 december 1964 de laatste melk verwerkt.

De vereniging ging op in het grotere geheel van de coöperatieve zuivelindustrie ' De Terpen ', die een combinatie was van de fabrieken in Easterein, Scharnegoutum, Wiuwert en Wommels.

Het had tot gevolg dat ook de fabriek van Wiuwert werd gesloten.

Na het sluiten van de boterfabriek werd de directeurswoning bewoond door: Anne Rinsma (* 1915 -) en zijn echtgenote Catharina Schippers (* 1914 ); Zij kwamen hier in 1966 en zijn in 1973 naar Deinum verhuisd.

Een jaar later kwamen hier Pier van der Velde (* 1944) en zijn vrouw Janna Hogen-dorp (* 1946). Zoon Simon van der Velde woont er nu.

De damclub D.O.S. is opgericht in 1957.

Er werd toen al een tijd ' gedamd ', maar niet zozeer in clubverband.

Bij de kapper E. (Elze) Veenstra was het altijd erg gezellig.

Er kwamen langzamerhand meer mensen om die reden bij de kapper.

Naast het haarknippen en het gesprek, raakte het volk daar ook aan het dammen.

Zo ontstond het idee om een club op te richten.

Eén van de oprichters, P. Hiemstra, is nu in 1995, nog lid.

De eerste voorzitter was de kapper zelf: E. Veenstra. Deze verhuisde na een jaar.

Een andere oprichter volgde hem op, H. (Spar) de Jong.

Het tweede jaar werd P. Hiemstra penningmeester en L. Stuiver schrijver.

Ook de laatste heeft veel voor de club betekend.

Het was in de beginjaren lastig om met de centen rond te komen.

Sommige leden verzamelden allerlei punten bij de boodschappen om te kunnen inwisselen voor geld, waarvan een dambord en houtjes konden worden aangeschaft. Het zijn vooral mannen die dammen.

Vrouwen ook lid 

In 1979 werd het eerste vrouwelijke lid ingeschreven, ' juf Griet ', of liever gezegd; Griet Breeuwsma, die als kleuterjuffrouw hier aan school stond. Later kwamen er meer vrouwen bij.

De meest ervaren damster was wel Wietske Bruinsma Ze speelde mee aan de hoogste borden en won ook in ander wedstrijdverband vaak een prijs.

De bond 

Jarenlang is de club lid geweest van de Provinciale Friese Dambond, die een onderafdeling vormde van de Koninklijke Nederlandse Dambond. Er wordt in Nederland veel gedamd, maar vooral in Fryslân. We kunnen wel zeggen dat in Fryslân op dit sportgebied “zwaar wordt nagedacht”.

Dat blijkt ook uit het aantal leden.

Dat is ook al jaren zo. Zo wonen in 1978 van de 9000 leden van de Ned. Dam Bond maar liefst 1300 in Fryslân, aangesloten bij de Prov. Friese Dam Bond. Daarnaast bestond nog een Zuidwesthoekbond met zo'n 200 leden.

Het Fries dammen is hier dan nog niet bij gerekend. Dit is weer een heel ander spel en heeft ook weer haar eigen organisatie. Een dorpsgenoot die in dit Friese spelletje bedreven is, is Germ Terpstra.

Verre reizen

Voor het spelen van competitiewedstrijden werden grote reizen gemaakt.

's Avonds en bij sneeuw en gladde wegen werd geprobeerd tegen andere clubs de punten in de wacht te slepen. Het ' tiental ' reisde zo naar noordelijk Fryslân, maar ook naar Blokzijl. Doordat er altijd met tientallen gespeeld werd, konden lang niet alle leden meespelen. Ook werden de kosten steeds hoger.

In het laatste jaar bij de ' Bond ', speelde D.O.S. met twee tientallen: het eerste ' in de tweede klasse A en het tweede in de derde klasse A van de afdeling ' noord ', en reisden ze naar Schoolzijl, Oude Bildtzijl, Wolvega, Marknesse en Twijzelerheide.

Het eerste tiental werd toen ook nog kampioen in haar klasse, maar kreeg de beker nooit toegestuurd... De reden kan wel eens verband houden met het ijveren om zelf wat op te zetten...

Eigen federatie in Westergo

D.O.S. nam dan ook het initiatief om met andere verenigingen in onze omgeving een aparte vereniging op te richten. Op 11 september 1974 werd zo ' De Federatie van Dam - clubs Westergo opgericht.

Van de acht verenigingen die positief gereageerd hadden, waren het naast Easterein de clubs uit Oosthem, Ysbrechtum en Scharnegoutum die tegelijk begonnen.

Voorzitter werd A. Feitsma uit Wommels, een jaar later opgevolgd door K. Kooistra uit Easterein. Schrijver was W. Weersma uit Oosthem en penningmeester G. Zeilstra uit Scharnegoutum.

De voordelen waren dat de afstand klein was en de contributie laag.Maar het allerbelangrijkste was dat altijd de hele club tegen de hele club speelde. Toch gaf dit wel eens problemen. D.O.S. werd steeds groter en andere verenigingen langzaam kleiner.

Toen in 1975 ook Tersoal bij de federatie kwam, werd in twee afdelingen gespeeld. D.O.S. speelde mee in drie ploegen van acht personen, terwijl ook de ' rest - leden ' mee speelden voor een ' totale club competitie '.

Bestuur federatie Westergo

Het bestuur werd in 1975 gevormd door K. Kooistra voorzitter, J. de Boer (Sybrandeburen) schrijver, G. Zeilstra (Scharnegoutum) penningmeester, W. Weersma (Oosthem) competitieleider en E. Bruinsma (Ysbrechtum) algemeen adjunct.

Door het teruglopen van het aantal leden moest de vereniging uit Scharnegoutum in 1978 opdoeken.

Omdat ook het aantal leden bij andere clubs terugloopt wordt voorgeslagen om als federatie aansluiting te zoeken bij de Zuidwesthoek Bond.

Dit gaat door en sinds 1978 - 1979 speelt de vereniging in competitieverband mee in de Zuidwesthoek Bond.

Lokaal en gereedschap 

Vanaf het begin wordt er gespeeld in Us Gebou. Bij het verbouwen van dit gebouw is er één winterperiode gespeeld in de Tsjerne en later een winterperiode op de bovenzaal bij café Bergsma.

Beiden voldoen niet en iedereen voelt zich weer ' thuis ' als er weer wordt gespeeld in ' Us Gebou '.

Een andere zorg is het ' gereedschap '. Er moet een medaille kast komen. In 1974 komt er één voor 100 gulden aan de muur te hangen. In 1979 worden nieuwe borden aangeschaft. Ook komen er klokken. Het geheel wordt opgeborgen in een nieuwe houten kist.

Een clublied 

Er is al jaren een clublied, dat bij het 20-jarig bestaan is geschreven door K. Kooistra. Het wordt meestal door de leden gezongen bij het vieren van een jubileum van een van de leden. Het heet ' It skowersliet ' (wijze: Mijn Berber is ver over het water, Tekst zie Friestalige versie archief).

Leden 

In de eerste jaren van bestaan zijn er meestal tussen de tien en de twintig leden. Het gaat wat op en neer, maar genoeg om competitie te spelen en een tiental voor de ' Bond ' te hebben. Het aantal leden wordt nog groter en midden jaren tachtig zijn er ongeveer veertig leden. Ook bestaat nog een jeugdclub met zo'n 15 enthousiaste denkers. Deze jeugdclub wordt in de eerste jaren geleid door Jouke Geertsma en Yde Syszeling. Later nemen Harm Bergsma en Durk van Beem het over.

In de tweede helft van de jaren tachtig daalt het aantal leden hard. Een aantal oudere leden worden het te moeilijk of zij komen te overlijden. Anderen krijgen andere werkzaamheden met hun werk, hun studie, of andere activiteiten.

Weer anderen verhuizen.

Wij denken hierbij aan mensen zoals S. Hiemstra, A. Feitsma, M. Miedema, J. Twijnstra, F. Postma, D. Tjerkstra, L. v.d. Sluis, D. ten Dam, W. Schermerhorn, F. ten Dam, F. Dijkstra, D. de Leeuw, J. Geertsma, O. de Vlas, T. Posthuma, J. Ste-genga, K. Kooistra, M. Tjalsma, Y. Syzeling, W. Bruinsma, W. 

P. Hiemstra past meestal op het geld.

Bestuur

Na twaalf jaar wordt A. Feitsma in 1969 voorzitter. In 1978 neemt M. Tjalsma dit van zich over. De laatste is dit tot 1990. Nu, in 1995 is G. Dijkstra voorzitter.

Sinds de oprichting is P. Hiemstra ook in 1995 nog altijd lid. Hij is de enige van de oprichters die nog altijd meespeelt in de competitie.

Ook oprichter H. de Jong is in 1995 nog maar net afgehaakt als club - lid.

Andere leden die er erg veel bijdroegen, waren L. Bouma die al meer dan twintig jaar in het bestuur zit en nog penningmeester is, H. Bergsma die ook jaren schrijver was, K. Kooistra die het vijftigen jaar in het bestuur zat als schrijver, penningmeester of competitieleider, maar natuurlijk ook M. Tjalsma, die naast het voorzitterschap ook jaren allerlei zaken voor de club regelde club regelde prijzen en prijsjes voor de kleerstemmers.

Competitie 

Vooral in de jaren van 1977 tot 1985 wordt het verloop van de competitie door een groot publiek gevolgd. Bijna elke week staat er een verslag in de Bolswarder krant. De verslaggever brengt zowel de uitslag als de sfeer over in dit blad.

Wij komen koppen tegen zoals: 

'Minne en Harm, twa gelokkige minsken...'

‘Ik kin my it hier wol út e kop klauwe, sei Geart, mar dan hald ik sa'n bytsje oer...

'Troch de baarch biten en de winst út hannen...'

'Der waard omraak slein yn Easterein...'

'Lubbert ferslein en Jakob op ien ein...’

'Tsjalling rojaal, mar hast wat te mal...'

'Foarwier winst foar Willem...!'

'Harm yn foarm...'

'Twa peallen foar Klaas..'

'Wytske fan 'e wize en Jacob yn 'e prizen...'

'As waarme bakkers kâld wurde...'

'Twa punten foar Piter...'

'Geart yn spreidstand nei remise...'

'Gjin fermogens mar dochs winst foar de ponghâlder..'

Al deze koppen zeggen genoeg over sfeer en strijd waarmee gespeeld werd.

Een van de spelers die al jaren mee bovenaan speelt is L. Stuiver. Ook P. Hiemstra is echter nog altijd moeilijk te bespelen. Andere kopstukken zijn al een aantal jaren mannen zoals K.Louwsma, U. Bouma en H. Bergsma.

In de club wordt met volle inzet gespeeld, maar ook altijd nog wat nagespeeld en nagezeten. 

Seizoen 1994-1995.

In het seizoen 1994 / 1995 zijn er 15 leden: D. van Beem, H. Bergsma, W. Boersma, L. Bouma, U. Bouma, G. Dijkstra, J. Greidanus, P. Hiemstra, G. Keuning, K. Louwsma, J. Rispens, G. Stilma, R. Strikwerda, L. Stuiver en Tj. Tjalsma.

Voorzitter is G. Dijkstra, penningmeester is L. Bouma en schrijver en tevens competitieleider is R. Strikwerda.

Augustus 1970. L.C.  Rubryk: Ut de lapekoer fan DM van der Woude

Stâlhâlderij en Kafé to Easterein

Inkele wiken forlyn ha ik hwat forteld oer it Eastereiner kafé dat nou krekt sechstich jier troch de famylje Bergsma biwenne is. Dy famylje hat der ek altyd buorkerij en stalhalderij by bidreaun. Bij  de noutiidske generaesje Bergsma libje noch hiel hwat forhalen en siskes ut earder en letter tiid. Hwant yn dizze dûbele affearen hat him fansels hiel hwat ôfspile omdat men it altyd wer mei minsken to dwaen hie.

Deis hiel hwat drokte mei de stalhalderij, de riderij en bygelyks sneins under tsjerketiid in protte hynders yn ’e skuorre. Dat wie fansels yn ’e tiid dat noch net elke boer in auto hie.

Treinstasjon Boazum

Ik skreau al dat doe’t de trein noch to Boazum stoppe in Bergsma hûnderten kearen in sjoutsje hie mei lju út ’e buert nei dat stasjon.

Men hie ûnderskate weinen biskikber: in seis-mans; in brikje en in koupé. Foar twa kwartsjes de man makken de reizigers de reis nei Boazum. Fansels ried men ek wol nei oare plakken hwert’ in klant mar hinne moast. Mar Boazum wie dochs meast it doel. As it hurd waeide kaem in swiere stien of in sek moal under yn ’e wein, sadat men net fan de hege Boazumer dyk ôfwaeije soe.

It hat ris west dat Lammert Krips, de doe forneamde Wommelser foardrager, as passagier yn ’e wein siet. De riders wiene let en doe ’t se by it stasjon kamen sieten de bomen al ticht. Krips gau biret sprong út ’e wein hipte oer de bomen en gyng de trein tomjitte Hy swaeide nei de machinist en róp nochal koartswilich en de man miste it net : "Ho ho dizze mynhear moat ek noch mei, en hy kaem noch mei! It wie in sterk stikje mar Krips doarst wol hwat oan, En .... de tiden wiene hwat gemoedliker en de treinen sa hastich net.

Mei dûmny op paed

Yn ’e oarloch wie Jelle Bergsma wer bigoun mei stalhalderij en hy hie in aerdich brikje hwer’t de passagiers oan ’e efterkant ynstappe moasten. De koupé sille wy mar sizze wie ófsluten fan it foarstel Der hearde in moai swart hynstetuech by dat nou just net al to best mear wie. Dat die bliken doe’t ik ris in domeny fan ’e trein to Snits helje moast, fortelde Bergsma. Hy moast nei in alderlingboer by lens. Ik ried oer Hinnaerd en alles gyng best. Domeny hie it foarrútsje sakje litten, sadwaende koene wy hwat prate hjir en der oer. Wy seagen de buorkerij bij lens al stean doe ’t wy noch oer de hege Spykstertille moasten. Der by op dat gyng knap, mar wy moasten der ek wer by del. Dat kaem to folie op de broek fan it hunder oan en de hiele saek rekke stikken. It gong even raer mar ik hold it beest noch. Domeny wie deabinaud en woe gau út ’e brik stappe mar hy wist net hoe ’t er der yn kommen wie. Doe ’t it spul einlings stie seach ik him mei ien skonk ta de foarrút út stykjen It wie in formakelik gesicht Ik ha him efkes holpen mar domeny woe it lêste eintsje mar leaver rinne

Noch in forhaeltsje oer in koetsier en in domeny. Binammen by wreed waer moast men gauris op ’en paed. Sa krige in koetsier by stoarm en ûntij in domeny ta klant. Hy hie himsels foartiid al hwat moed yndronken. Doe ’t se goed en wol to plak wiene sei domeny mei in lange sucht fan forlichting "Wat ben ik bang geweest". Mar de koetsier blykber bibelfêst en noch wol goed by ’t spul antwurdde by de noas lans "Waarom hebt gij gewankeld gij kleingelovige"

Drok yn't bûthús

Yn it bûthûs fan de Kafé-buorkerij koe it ófgryslik gesellich wêze. Hwa’t neat om hannen hie trape der graech ris hinne. Soms sieten en stiene wol in fyftsjin misken op en by de bûthúsbank. As de flier dan hwat biroun wie en flak, wie dy in ideael plak foar sintesmiten; hwa’t it tichtst by de streek goaije koe. Men hie dan waermte en wille tagelyk. In aldman yn dit formidden sei gauris: " ik wit net hoenear ik libje moat, Froeger seine se tsjin my hwat soe dy snotnoas der fan witte, en nou hwat soe dy aldkearel der fan witte".  Men hie sokke jounen ek tiid foar wedderijen, bygelyks hoenear in kou kealje soe. Foar of nei 12 ûre. It gong dan om in healmingel jenever. Dy woe der by allegearre wol yn, der moast dochs ien bitelje en hwat koe it skele hwa!

Domeny leaude it wol

It kaem froeger foar dat Jan Bergsma ynfoel foar de lykkoetsrider dy ’t op ’e Kliuw wenne Sa moast er ris mei de boade Hindrik de Vries nei Súdlaren hielendal om it lyk fan in alde frou op to heljen dy ’t yn Easterein to hof brocht wurde soe. Lykauto’s koe men noch net en it soe in lange rit wurde fan twa dagen en twa nachten. It hearde sa dat de wein de hiele reis stapfoets ried mar hoenear kaem men dan oan. Op ’e bütenwegen en yn ’e nacht gyng de swipe der dan ek oer mar troch de doarpen rieden se plechtich-kalm. Doe ’t men middernacht yn Easterein kaem waerd de koets fluch yn ’e trochreed riden Troch de minne diken en it hurde riden moast Hindrik it aldminske earst al efkes torjochte lizze. Mar foartiid hiene de mannen fansels al in dripke op.

Stamgasten

Elk kafe hat stamgasten dy ’t gauris by deselde tafel sitten geane op deselde oere en altyd deselde drank brûke. Der wiene soms ek tipen by. In boer bg dy’t op hwat fremde wize syn konsumpsjes telde. Hy makke de poat fan syn romer wiet en sette der dan rountsjes mei op ’e tafel. Der kamen ek in pear lytse boeren dy ’t net folie fordrage koene. Under it genot fan harren drankje waerden se njonkelytsen noch lytser en gyngen letterlik ûnder de tafel Der wiene (en binne altyd noch lju dy ’t slij nei in slokje binne mar it foar in oar net witte wolle. Sa hiene de Bergsina’s froeger klanten dy ’t de drank yn in lyts petroaljekantsje hellen

Hupsake

In Wommelser boer kaem hast altyd op syn hynder Hy wie lyts fan stik en ried op in moaije skimmel. Dy waerd yn de skuorre set en dan gyng de man de herberge yn. Hy krige wol it nedige om syn toarst to bidimjen. As er genóch hie moast er mei syn koarte poatsjes wer op ’e skimmel hyst wurde. Nou de jonges fan ’e kastelein woene wol helpe die wiene meast ek net fier ôf. It wie lykwols mar in lyts kunstke om him dan in ekstra setsje to jaen sadat it mantsje der oan ’e oare kant wer ôfglied. Dy pesterij moast fansels net to lang duorje. Mar de nedige wille brocht it wol.

Fan broeijen en dollen

Doe ’t Jan Bergsma yn de herberge kaem, in sechstich jier lyn krige hy in goede rie fan de heakeapmen Sobel út Jorwert. It wie wol bikend dat yn de skuorre faek dold wurde moast omdat it in broeinest wie. "Wolst net wer dolle Jan"."Leaver net fansels". "Dan moast allinne de kanten opsette yn it midden bliuwt genôch lizzen"Dy rie is opfolge en yn sechstich jier is der noait wer dold.

Der soe ek noch wol hwat to fortellen wêze oer ’t trochsmarren fan ’e branspuit dy ’t ek by it kafe stiet mar dat Is einliks bûten it bidriuw. By dat feest waerden yn it kafe de misken fansels fiks trochsmard lyk as de spuit dêr bûten.