FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Het dorp Eastermar ligt ten noorden van Drachten in een prachtig gebied te midden van twee, voor het gebied bijzondere waterpartijen, het Bergumermeer en De Leien. Deze relatief kleine en ondiepe meren zijn grotendeels ontstaan door veenafgravingen en afkalving. Het gebied draagt met trots het predicaat “Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden” (De Noordelijke Friese Wouden).

Toch zal een bezoeker die van de meren heeft genoten zich wellicht afvragen, waar zijn de wouden gebleven? Inderdaad, wouden in de zin van uitgestrekte bossen vind je er niet. In de plaats daarvan vind je een eeuwenoud coulisselandschap. Dit wordt gevormd door talloze boom- en houtwallen die kleinschalige boerenpercelen van elkaar scheiden. Hier en daar kijk je dwars door een aantal van deze boom- en houtwallen heen, de dieptewerking is subliem. Tussen deze coulissen zie je telkens weer een andere voorstelling. Akkerland, graanvelden, weilanden met koeien, paarden, schapen, of misschien wel het mooist, een wisselend kleurenpalet van veldbloemen. De analogie met coulissen en voorstellingen in een theater kan bijna niet treffender.

De boom- en houtwallen worden met regelmaat teruggesnoeid en groeien in enkele jaren daarna weer terug. Aan de oudste exemplaren zie je dit onderhoud terug in decenniaoude grillige stronken en stobben. Ruilverkaveling is aan het gebied voorbijgegaan en dat is maar goed ook. De hout- en boomwallen zijn onaangetast en volgen de oorspronkelijke zandpaden die dorpen als Eastermar, Sumar, Harkema en Drogeham aan elkaar verbonden en nog steeds verbinden. De gemeente heeft zich erbij neergelegd en doet het onderhoud met zorg, verharding is uitgesloten. 

Het enige dat in het historische beeld ontbreekt zijn de karresporen die er ooit in grote hoeveelheden moeten hebben gelegen. Ook verdwenen zijn de talloze plaggenhutten die er moeten hebben gestaan. Het is moeilijk voor te stellen maar tot voor slechts honderd jaar geleden werden plaggenhutten in het gebied gebouwd om in te wonen, ook met grote gezinnen. De bijzondere  geschiedenis van de plaggenhut wordt verteld in Themapark de Spitkeet in Harkema, een aanrader.

Ik heb er een middag doorgebracht en kom snel terug want "Theater" Nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden is 7 dagen per week open en de entree is ook nog eens helemaal gratis!

In Gaasterland heb je aan de IJsselmeerkust een aantal plekken waar je een optimaal uitzicht hebt over het IJsselmeer. Ik denk aan het Mirnserklif bij Mirns, het Oudemirdumerklif bij Oudemirdum en het meest beroemde, het Reaklif bij Warns. Hier vochten de Friezen een legendarische strijd tegen de Hollanders in 1345.

Je vraagt je af waarom je juist hier het mooiste uitzicht hebt over het IJsselmeer. Volgens mij komt dat doordat je bij helder weer nog net de overkant kunt zien. Je ziet de kerktoren van Enkhuizen duidelijk aan de horizon temidden vaag trillende silhouetten van windturbines, bomen en bebouwing. Daarnaast heb je als je naar links kijkt uitzicht op windturbines die de dijk van de Noordoostpolder en Flevopolder aangeven, helemaal tot aan de Maximacentrale bij Lelystad. Aan de rechterkant zie je de windturbines die het einde van de Afsluitdijk markeren, de Afsluitdijk begint wat mij betreft in Friesland maar wellicht zag de geestelijk vader Cornelis Lely dat anders.

Dit panorama heb je vooral omdat het klif je net voldoende meters boven het waterpeil van het IJsselmeer uittilt. Hierdoor kun je over de kromming van de aarde en dus het IJsselmeer heen kijken.

Als je de tijd neemt ga je bijna automatisch mijmeren over wat er allemaal nog meer achter de horizon schuil gaat en achter de toren van Enkhuizen. En juist op dat moment raak je in gesprek met een toevallige voorbijganger. Hij vertelt dat tijdens de tweede wereldoorlog V2’s werden gelanceerd vanuit de bossen van Rijs, bestemming Londen. Deze bossen bevinden zich in Mirns recht achter je.  Veel V2's zouden dienst hebben geweigerd en in het IJsselmeer zijn geplonst.

Ik heb het nagezocht op de kaart. Ze moeten rechts van de Enkhuizer toren zijn gevlogen onderweg naar de Britse hoofdstad. Mijn bezoekjes aan het IJsselmeerpanorama krijgen vanaf nu een extra dimensie.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.

Op deze plek zijn in 1933 Albert en zijn vrouw Foukje Brink een bakkerij annex winkel begonnen. Op huisnr. 11 staat inmiddels een andere woning. “Altijd die heerlijke geur, vooral als er suikerbrood werd gebakken", herinnert een buurvrouw zich. Doordeweeks werden de bestellingen voor `bûtenùt` aan huis gebracht door zoon Hyltje. De inwoners in het `doarp` moesten het brood zelf halen, maar kregen dan wel als beloning een stuk `koarstekoeke` mee. Dit was een soort kruidkoek, waar de bakker de kanten van afsneed om weg te geven aan de klanten. Het werd daarom ook wel `kantkoek` genoemd.

De winkel en bakkerij waren het kloppend hart van het dorp. Albert en Foukje waren echte dorpsmensen en stonden altijd klaar voor de mensen van het dorp. Zo heeft Albert Brink zich ook vele jaren ingezet als voorzitter van Plaatselijk Belang. De bakkerij was ook een soort `doarpsromte`: met sinterklaas kon men sjoelen en ballengooien in de bakkerij. Deze traditie wordt nog steeds voortgezet, alleen is de plek veranderd.

Bakker Brink kreeg als eerste een telefoon. Als je wilde bellen kon je daar terecht, of de bakker kwam bij je langs als er een bericht voor je was. Je wist toen niet beter, zo was je opgegroeid en het werkte prima. Het huis bestond uit behalve de bakkerij, een woonkamer, een woonkeuken, een slaapkamer en een winkel. De kinderen sliepen boven op zolder.

De oven van de bakkerij werd in de beginperiode verwarmd door het verbranden van takken en turf. Later werd de oven verwarmd door middel van een oliebrander. De olie daarvoor werd opgeslagen in olievaten achter de bakkerij. In de oorlogsjaren was de bakkerij verduisterd en leerden onderduikers de dorpsbewoners schaken.

 

Het kerkje dateert uit 1770 en staat op de plek van een vorige kerk uit de Middeleeuwse tijd. Het eenvoudige kerkje is relatief jong (ongeveer 250 jaar) vergeleken met veel andere hervormde kerken in Fryslân. De kerk van Goingarijp valt onder de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Waarom in 1770 het oudere kerkgebouw werd vervangen, is niet bekend. Op een tekening, gemaakt in 1723 door Stellingwerf, ziet het kerkje er niet bouwvallig uit. De Hervormde Gemeente van Goingarijp vormde samen met het drie kilometer verderop gelegen dorp Broek een gecombineerde kerkelijke gemeente. De dorpen deelden de predikant. 

Tot in de twintigste eeuw werd de dominee van het ene dorp naar het andere dorp geroeid. Dat was een hele opgave, zowel voor de roeiers als voor de dominee zelf, vooral als het slecht weer was. Boven de ingang aan de zuidzijde van de kerk is een steen ingemetseld waarop te lezen staat: `De eerste steen deser Nieuwe kerke was gelegd door Frans Julius Johan van Eisinga aet 18 Kleinzoon van de heer Grietman Vegelin van Claerbergen`. De kerk heeft zes gebrandschilderde ramen, gemaakt door Ype Staak, een 18e eeuwse glazenier uit Sneek.

Dat deze ramen in goede staat bewaard zijn gebleven, zegt vermoedelijk iets over de moeilijke bereikbaarheid van Goingarijp in de 18e eeuw. Aan de westzijde staat de markante klokkenstoel. Daarin hangt de Salvatorklok die in 1527 is gegoten door Gerhardus van Wou uit Kampen, een van de bekendste klokkengieters uit de late middeleeuwen. Met een gewicht van 1135 kg is het de zwaarste klok in een klokkenstoel in Friesland. Het luiden van de klok was van belang voor de arbeiders als sein om op te staan en naar het land te gaan of om te gaan eten. Maar ook bij hoog water werd de klok ter waarschuwing gebruikt.

Vroeger was het luiden de taak van de schoolmeester, die er in 1834 nog 20 gulden per jaar mee verdiende. Momenteel wordt het uurwerk twee keer per dag opgewonden door vrijwilligers. Vandaag de dag wordt de klok nog geluid ter aankondiging van de kerkdiensten, bruiloften en begrafenissen. Elke oudejaarsdag komen dorpsbewoners bij elkaar rondom de klokkenstoel om beurtelings hangend aan het touw het oude jaar uit te luiden. Als je op het juiste tijdstip rond de kerk wandelt, is de klok op de hele en halve uren te horen met zijn mooie vérdragende klank.

 

 

 

Op 22 mei 1870 trouwt Sybe Cornelis zijn dochter Trijntje met smidsknecht Lourens Lutgendorff uit Sneek. Sybe wil dat het jonge stel na hun huwelijk een goede start kan maken. Hij heeft daarom een overeenkomst gesloten met timmerman Pieter Willems Twijnstra uit Folsgare. Pieter Willems bouwt aan de Tsjaerddyk een smederij en Lourens Lutgendorff zal het pand voor tenminste vijf jaar huren, voor een bedrag van fl 169, - per jaar. Sybe Corenelis Nijdam staat , als eigenaar van een scheepswerf in Sneek, voor het jonge stel  garant.

 

Lourens en Trijntje vestigen zich volgens plan na hun huwelijk aan de Tsjaerddyk. Lourens Lutgendorff is een zeer eigenzinnig persoon en hij ligt al snel met de kerkvoogden en andere mensen in het dorp overhoop. Na vijf jaar houdt Lourens Lutgendorff het dan ook voor gezien in Folsgare en koopt hij de smederij van Ynte Roode in Makkum.

Timmerman Pieter Willems Twijnstra vertrekt uit Folsgare en wordt boer in Abbega. Hij wil van de smederij af en zet de zaak te koop. Reinder Hendriekus Monkel, stadsomroeper uit Sneek, brengt een bod uit van fl 1661, - . Dit bod wordt afgewezen en het pand wordt uit de verkoop gehaald. Na het vertrek van  Lourens Lutgendorff  in mei 1875, komt Albert de Hond als nieuwe huurder in het bedrijfspand voor een termijn van twee jaar. Hij betaalt een aanzienlijk lager huurbedrag van fl 140, - per jaar. Twijnstra wil toch van het pand af en in 1876 komt het weer te koop. Petrus Jentjes Greydanus, landbouwer te Oosthem, wordt voor fl 1740, - de nieuwe eigenaar.

 

 

 


Uit het dorpsarchief van Easterein

Onderstaande vensters komen uit het in opbouw zijnde dorpsarchief van Easterein. Kijk op https://easterein.argyf.nl voor een indruk van dit dorpsarchief.

De oprichting van de grasdrogerij 

Wij lezen in de aantekeningen van de kerkvoogdij bijeenkomst van 13 november 1946 het volgende: ' Een verzoek van de Vereeniging tot oprichting van een grasdrogerij om aankoop van een terrein uit het eigendom der pastorie.

En dat werd ingewilligd en in 1947 is de oprichting een feit.

Eerste bestuur

Het eerste bestuur van de Coöperatieve Groenvoerdrogerij OOSTEREND G.A. bestond uit: P. Kooistra, Kûbaerd, W.H. de Jong Easterein, KL Hofman Lytsewierrum, S. Reitsma Wommels en H.S. Couperus Hartwerd.

Beheerders waren:

Folkert T. Vellinga (1906-1984 ), uit 1946-1951 en Jan Jelsma (* 1917) uit 1952-1968.

Het functioneren

Hier volgt een korte beschrijving van Tjalling Tjalsma (* 1928 ), één van de werknemers, over het functioneren van de drogerij:

' Er werd eerst begonnen met één droger, een Engels fabrikaat. Al snel kwam er een tweede bij en in 1950 een derde.

We werkten eerst met één voorman, één man voor het terrein, drie man die zorgden dat het gras na de droger geleid werden en twee man die in het pershok bezig waren.

Daar stond later ook de biks machine. Na twee jaar verviel de functie van de terrein man.

Drie ploegen.

Wij werkten in drie ploegen. De werktijden waren als volgt geregeld: De eerste ploeg werkte op maandagmorgen van één uur tot twaalf uur. Dan kwam de tweede ploeg, die van twaalf tot acht uur 's avonds werkte en daarna de derde van 's avonds acht tot vier uur 's ochtends.

De ochtendploeg werkte 51 uur, de middagploeg 50 uur en de nachtploeg 40 uur.

Er werd een wisselsysteem toegepast. In die tijd was een 48-urige werkweek regel. Het gras werd met een trekker en oplader opgehaald.

Twee man waren bezet met het werk op de laadwagen en er waren twee tussenrijders.

Ze begonnen 's morgens om vijf uur en werkten tot er genoeg gras was voor tot de volgende ochtend.

In 1963 is de eerste (Engelse) droger afgeschaft en regelde voorraadbakken de toevoer.

Er was werk voor één man.

Later kwam er voor het ophalen van het gras een apparaat (' kid ') dat het gras op de wagen blies. De eerste jaren konden we niet eerlijk 1000 kg (nat) gras verwerken. Later werd dat gans beter. Na 1964 haalden we soms wel 1200 kg. per uur. Toen hebben we best gedraaid.

In 1968 is de drogerij gefuseerd met die van Mantgum en zijn we daar heen gegaan.

Eastereinders die hier hebben gewerkt zijn:

Klaas Sietsma (1921-1992), TjallingTjalsma (*1928), Merk van der Meulen (1920-1987), Jan Stapersma (1897-1974), Pieter Jetzes Wiersma (1901-1982), Pieter J. Hiemstra (*1916), Bouke de Koe (*1918), Haring de Koe (*1914),  Andries Smeding (1908-1979), Lieuwe Dijkstra (1898-1979), Pieter H. de Boer (*1935), Jan Jan Stapersma (*1918), Meinte Vollema (1900-1969), Ynte Dijkstra (*1931), Anne Ypma (*1930), Fokke Schonenburg (1912-1987), Siebren Feenstra (*1945), Wierd Hiemstra (*1920), Hielke Heeringa (*1928), Sake Hemstra (*1925), Hein Hoekstra (1902-1971), TjallingHoekstra (*1912), Jouke Feenstra (1908-1994), Ype de Jong (1890-1969), Germ Stilma (*1922),  Age Jansen (*1928), Pieter Y. Hiemstra (1889-1974), Andries Vollema (*1933), Hendrik Bos (*1926), Harm Miedema (*1922), 

Administraasje: Durk H. de Boer (1897-1954), Lipkje de Boer (*1934), Mintje de Boer (*1936), J. Jorritsma (*1912), W.K. de Jager (1902-1987).

Gebouwen naar BOS Meganisatie

De gebouwen zijn in 1969 gekocht door Bos mechanisatie B.V. De bungalow, gebouwd in 1970, werd het onderkomen van directeur Hendericus Lambertus Johannes (Henk) Bos (* 1944) en Cornelia Adriana Maria van Esch (* 1944) met haar drie kinderen.

Er hebben in de loop der tijd drie verbouwingen en uitbreidingen plaatsgevonden, in 1978, 1989 en 1995.

Momenteel beslaat het bedrijf 10.000 m 2, waarvan 2500 m 2 is bebouwd.

Aan de andere kant van de weg werd in 1986 het mechanisatiebedrijf van Koopmans (het ald - büterfabriek) aangekocht, dat gebruikt wordt voor opslag en showroom voor landbouwmachines.

Het bedrijf telt 13 werknemers waarvan twee in Lollum werken.

Tegenwoordig, we schrijven 1995, wonen Geert Dijkstra (* 1943) en Dieuwke Reinsma (* 1946) in de bungalow.

De oprichting van de melkfabriek

In de aantekeningen van de kerkvoogdij bijenkomst van 23 december 1896 staat: ' Schrijven van aanvraag der voorlopige cie de heren A.R. Sybrandy (1855 - 1928 ), P.Y. van der Valk (1867-1926 ), Jelle Bouma, Y.J. Heeg (1868-1952) en P.K. Vellinga (1863-1930) om grond tot bouwing eener op te richten Coöp. Stoomzuivelfabriek en geldelijke steun der kerkvoogdij.

De Kerkvoogden stellen voor om grond af te staan aan de Seberievaart thans in gebruik bij P.A. van der Valk tegen een jaarlijkse grondpacht van f 50 per 36 3/4 are.

Toegestaan met deze voorwaarde om van zondagmorgen 8 uur tot middags 4 uur niet te mogen werken in en op de fabriek.

Het eerste bestuur

Het eerste bestuur en raad van commissarissen bestonden uit: Directeur F.W. Anema (1879-1942 ). Bestuur: A.R. Sybrandy (1855-1928 ), Y.J. Heeg (1868-1952) en M.Y. Sjaarda (1864-1929 ) en D. de Gavere (1867-1923)

De commisarissen waren: K.J. van Gosliga (1864-1921 ), H.R. Jonkman (1871-1941) en S.J. Timmenga (1849-1936 ).

Besloten werd dat na tien jaar het bestuur het recht had de grondpacht af te kopen.

Er is zelfs even sprake van geweest dat de kerkvoogden mede-oprichters zouden worden, maar dat ging niet door.

De directeuren

De directeuren die leiding aan het bedrijf gaven waren:

Van 1897 tot 1908: Arjen Rienks (1874-1950) getrouwd met Antje Sinnema (1872-1905 ), later met Simkje Bottema (1874-1957 ); komende van Haren en vertrokken naar Langweer;

Van 1908 tot 1941: Fokke Wiggeles Anema (1879-1942 ), getrouwd met Trijntje Wouters-Hielkema (1877-1936), komend van Betterwird en vanwege ziekte gestopt.

Van 1939 tot 1941: Broer Voolstra (1941-) en Roelofje Woudstra (1913 -) Komende van Rauwerderhem en vertrokken naar Den Haag;

Van 1941 tot 1965: Johannes Sijtsema (1908 -), getrouwd met Grietje de Vries (1909-1995), komend van Terschelling en vertrokken naar Heerenveen.

De assistent directeuren

De navolgende assistent directeuren dienden de fabriek:

Van 1906 tot 1908: Folkert Brandsma (1888 - ); komende van Dalfsen en vertrokken naar Oene;     Van 1907 tot 1908: Rudolf Dijkstra (1882 - ); komende van Stiens en vertrokken naar Makkinga;     Van 1908 tot 1912: Tjitze Riedstra (1885-), getrouwd met Rigtje Westra (1884 - ); komende van Betterwird en vertrokken naar Rottevalle.    

Van 1912 tot 1912: Oene Sijperda, afkomstig van … en vertrokken naar Marssum.

Van 1912 tot 1913: Jacob Jans Visser (1889-) kwam van Deinum en ging naar Bierum.

Van 1916 tot 1917: Jan Timmerman (1887 - ), getrouwd met Ruurdtje Fopma (1888 - ), gekomen van Baerderadeel en vertroken naar Nieuwehorne.

Van 1917 tot 1918: Johannes Pieter Roodzand (1890-), afkomstig van Balk en vertrokken naar Wormerveer.

Van 1918 tot 1919: Johan Christiaan Geertsma (1895-), afkomstig van Arnhem en vertrokken naar Leeuwarden.

Van 1920 tot 1921: Eltje Kamminga (1894 - ), getrouwd met Henderika van der Woude (1899 - ); gekomen uit Grou en ging naar Haarloo.

Van 1921 tot 1954: Durk Harmens de Boer (1897-1954, getrouwd met Pietje Martens Kingma (1904-1973 ); komend van Hilaerd (Hoptille ). Ze woonden aan de Hidaarderdyk, nu Wynserdyk nr. 14 en aan de Wommelserdyk, nu Van Eysingaleane nr 9.

Van 1954 tot 1955: Jouke van Wieren (* 1926 ); komend van Esd en ging naar Havelte.

Van 1955 tot 1956: Ane van der Meer (* 1930 ); gekomen van Bolsward en ging naar Formerum op Terschelling.

Van 1956 tot 1961: Tjeerd Boskma (* 1928 ), getrouwd met Trijntje Jacobi (* 1931 ); ze woonden in Easterein in de Andries Joustrastraat nr. 14; gegaan naar Gorichem.

Van 1961 tot 1964: Harmen Eizenga (* 1929 ); getrouwd met Mintje Wagenaar (* 1933 ); zij woonden aan de Wynserdyk nr. 22 en zijn in 1965 naar Wommels verhuisd.

 

Werkgelegenheid.

De melkfabriek gaf aanvankelijk werk aan zo'n 15 man. Later heeft dat aantal zich fors uitgebreid.

De meeste boeren brachten in het begin hun melk zelf naar de fabriek.

Dat veranderde al gauw; toen kwamen de melkvaarders en de melkrijders.

Melkvaarders en melkrijders:

Andries Wisse (1890-1957) en halfbroer Jacob (Jabik) Namminga (1886-1973) uit Reahûs, Harm Kamstra (1883-1967 ), Minne Tjalsma (1985-1992 ), Rein Strikwerda (1913-1984 ), Yme Zijlstra (* 1923 ), Fedde Dijkstra 1869-1939 ), Sietze Ykema (1899-1991 ), Rinse Siesling (Siesling kreeg het voor elkaar om met de melkboot van de fabriek naar het dorp te zeilen, een echte schipper!) Yde Sijszeling (1913-1980) en zoon Andries Sijszeling (*1940), Germ Strikwerda (1913-1987), Haye Groustra (*1925), Simon Bloemhof (1891- 1976), Feike Bosschma (1902-1985), Marten Stilma (*1910), en zijn vader Job Stilma (1881-1952), Sjuk Sandstra (1898-1966), Johannes Santema (1896- 1962), Harke Kamstra (1917-1975), Jentje Jorritsma (*1924).

'... en ieder had zijn eigen lied...

Mevrouw W. de Jong-Brandsma vertelt dat in de tijd dat ze bij Yde Minnes Sjaarda (1889-1968) woonde, in de vroege zomerochtend in de verte Andrys en Jabik met de melkboot kon horen aankomen. Jabik trok de boot en Andries zong het hoogste lied.' Niet vaak heb ik zulk mooi zingen gehoord.’

Het doet denken aan het liedje van Herman van Veen: ' Hilversum 3 bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem, op elke steiger klonk een lied, van Paljas of Jeruzalem.

Melkgeld ophalen

Opo zaterdag haalden de boeren, in het zwarte pak, zelf het melkgeld op. Ze gingen dan ook, als het nodig was, langs de smid of timmerman om zaken te regelen. Smid Elzinga aan de Hidaerderdyk en later aan de Foarbuorren (op het Plein) liet daarom 's zaterdags het boerengereedschap buiten zetten, dan konden de boeren uitzoeken wat nodig was. Elzinga bracht een paar keer per jaar gereedschap naar het terrein bij de fabriek. Dat was dan zo'n soort van kleine show van wat hij te koop had.

Kuipmakers

Er waren twee kuipmakers in het dorp.

Sjoerd Dooitzen van der Zee (1861-) woonde op de achterburen in het huis It Skilplein nr. 17, naast bakker Dantuma.

De andere was Okke (kuiper) Oosterhout (1850-1935 ), die op de Pôlehoeke woonde, Schoolstraat nr. 12, waar nu Yme Zijlstra (* 1923) woont.

Beide kuipmakers maakten botertonnen voor de melkfabrieken van Easterein en Wommels.

Zondagswerk

Op zondagmorgen en 's avonds werd de melk wel naar de fabriek gebracht, maar werd dan niet verwerkt.

Electriciteit

P. Hoekstra schrijft ook over het ' nieuwe Ijocht ': ' We kregen ook electrisch licht in het dorp.

Het juiste jaartal weet ik niet meer, maar het zal 1917 of 1918 zijn geweest.

De stroom kwam eerst van de melkfabriek.

Tien uur 's avonds werd dan het licht uitgedaan, eerst een kleine waarschuwing door de stroom even uit te schakelen. Voor bijzondere gelegenheden werd tot 12 uur stroom geleverd.

' De stoommachine met een generator wekte de gelijkstroom op. Die werd opgeslagen in grote batterijen.

Sociale beweging.

Uit de aantekeningen van de kerkvoogdijvergadering van 12 februari 1926: ' Het ligt volgens Noordmans geheel op den weg van den directeur en bestuur onzer fabriek voor inhaling van sommige elementen in de fabriek te waken, met name het socialistisch element, waarvan een schadelijken invloed uitgaat’.

Uit de aantekeningen van de kerkvoogdij bijeenkomst van 1939: De heer Strikwerda heeft de kwestie van de personeelsbenoemingen aan de Coop Zuivelfabriek in de vergadering dezer Coop. ter sprake gebracht, waarna door het bestuur toegezegd daaraan aandacht te schenken .

Zuivelvervoer

Kapiteins van de Eastereinder boot uit de fabriek die met boter en kaas elke vrijdag naar Leeuwarden voeren, waren: - Sjoerd Visser (1876-1942) en -Foeke Wijnia (1895-1965 ).

Fabriekswoningen

Bij de fabriek, aan de noordoostkant stonden dienstwoningen voor fabrieksarbeiders.

In het huizencomplex was plaats voor vier gezinnen.

Linksvoor: de botermaker, daarnaast de machinist, daarachter de kaasmaker en daarnaast de centrifugist.

De eerste bewoners van deze huizen waren in 1897:

- botermaker Sipke Tinga (1863-1906 ), getrouwd met Pierkje de Jong (1863-);

- machinist Klaas Tuininga (1873-12 ), getrouwd met Sjoerdje Wijma (1873-);

- kaasmaker Sjouke Tolsma (1871-1935) getrouwd met Jantje Bergsma (1875-...

- sintrifugist Obbe Terpstra (1851-), troud mei Dieuwke Stiensma (1857-);

Van de overige bewoners noemen wij:

-botermaker Marten Vierstra (1874-1953) en Nieske Feenstra (1876-1956);

- centrifugist Hans Reitsma (1890-1979), getrouw met Dirkje Tolsma (1891-1975)

-machinist Fokke van der Tol (1898-1967), getrouw met Wypkje de Jong (1900- 1979);

-kaasmaker Siebe Hoitinga (1908-1983), getrouw met Wijtske Postma (*1913)

-botermaker (1912-), getrouw met Trijntje de Vries (1915-);

-botermaker Gerben Okkinga (1912-1990) , getrouw met Liskje Hiemstra (*1916).

Gerben en Lys waren de ouders van de beroemde eerste klas-kaatser uit de jaren zestig Gerrit Okkinga (* 1941 ).

Boterfabriek gesloten.

Na 67 jaar heeft de fabriek op 19 december 1964 de laatste melk verwerkt.

De vereniging ging op in het grotere geheel van de coöperatieve zuivelindustrie ' De Terpen ', die een combinatie was van de fabrieken in Easterein, Scharnegoutum, Wiuwert en Wommels.

Het had tot gevolg dat ook de fabriek van Wiuwert werd gesloten.

Na het sluiten van de boterfabriek werd de directeurswoning bewoond door: Anne Rinsma (* 1915 -) en zijn echtgenote Catharina Schippers (* 1914 ); Zij kwamen hier in 1966 en zijn in 1973 naar Deinum verhuisd.

Een jaar later kwamen hier Pier van der Velde (* 1944) en zijn vrouw Janna Hogen-dorp (* 1946). Zoon Simon van der Velde woont er nu.