FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schrijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Feanwâldsterwal is een prachtig klein dorpje zuidwestelijk van Feanwâlden. De schoonheid van het dorp wordt vooral gekenmerkt door de smalle vaart die naast de hoofdstraat van het dorp "De Wâl" loopt. De aanliggende woningen hebben allemaal een eigen bruggetje.

Waar "De Wâl" overgaat in "It Oare Ein" ligt de kern van het dorp gemarkeerd door een fraaie brug en hotel en eetcafé 't Dûke Lûk. Hier kun je bootjes en kano's huren en dat is niet onlogisch. Feanwâldsterwal ligt namelijk aan de rand van een van de mooiste aaneengesloten kleine natuurgebieden in Friesland, It Butenfjild, De Looden Hel en De Houtwiel. Het laatste natuurgebied is de laatste jaren naar een hoger niveau getild vanwege de aanleg van de Centrale As (N356), de voor het gebied enigszins "oversized" maar o zo gewaardeerde autoweg tussen Nijega en Dokkum. Bij het dorp De Falom is notabene een "luxe" flyover gebouwd zodat flora en fauna ongestoord  kan doorgroeien en doorlopen tot aan het dorp De Westereen.

De aaneengesloten natuurgebieden verklappen het ontstaan van Feanwâldsterwal. Het zijn laagveengebieden en Feanwâldsterwal dankt haar bestaan aan de ontginning van dit laagveen. Al in de 15e eeuw werd dit ontgonnen door de Schiere Monniken afkomstig van de Schierstins in buurdorp Feanwâlden, behorende bij het klooster Claerkamp in Rinsumageest. In latere tijden werd dit zware werk op meer industriële schaal voortgezet door doorgewinterde veenarbeiders uit Giethoorn die naar de Friese veenkolonie kwamen. Zij wisten wel raad met het laagveen en lieten een duidelijk stempel achter op het gebied, én het dorp. Daarom wordt Feanwâldsterwal nu ook wel het "Giethoorn van Friesland" genoemd.

Beide dorpen hebben trouwens nog iets opmerkelijks gemeen, de verdwenen melkfabrieken. In beide dorpen zijn ze ten prooi gevallen aan het toerisme zou je kunnen zeggen. Die van Giethoorn is gesloopt of onherkenbaar tussen restaurants en bootverhuurders. Die van Feanwâldsterwal, genaamd Zuivelfabriek Freia, is steen voor steen afgebroken en opnieuw opgebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Ik zie het als de verloren zoon van Feanwâldsterwal, gelet op de naam Freia zou je wellicht van dochter moeten spreken maar dat onderscheid laat ik aan de lezer.

Het dorp Eastermar ligt ten noorden van Drachten in een prachtig gebied te midden van twee, voor het gebied bijzondere waterpartijen, het Bergumermeer en De Leien. Deze relatief kleine en ondiepe meren zijn grotendeels ontstaan door veenafgravingen en afkalving. Het gebied draagt met trots het predicaat “Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden” (De Noordelijke Friese Wouden).

Toch zal een bezoeker die van de meren heeft genoten zich wellicht afvragen, waar zijn de wouden gebleven? Inderdaad, wouden in de zin van uitgestrekte bossen vind je er niet. In de plaats daarvan vind je een eeuwenoud coulisselandschap. Dit wordt gevormd door talloze boom- en houtwallen die kleinschalige boerenpercelen van elkaar scheiden. Hier en daar kijk je dwars door een aantal van deze boom- en houtwallen heen, de dieptewerking is subliem. Tussen deze coulissen zie je telkens weer een andere voorstelling. Akkerland, graanvelden, weilanden met koeien, paarden, schapen, of misschien wel het mooist, een wisselend kleurenpalet van veldbloemen. De analogie met coulissen en voorstellingen in een theater kan bijna niet treffender.

De boom- en houtwallen worden met regelmaat teruggesnoeid en groeien in enkele jaren daarna weer terug. Aan de oudste exemplaren zie je dit onderhoud terug in decenniaoude grillige stronken en stobben. Ruilverkaveling is aan het gebied voorbijgegaan en dat is maar goed ook. De hout- en boomwallen zijn onaangetast en volgen de oorspronkelijke zandpaden die dorpen als Eastermar, Sumar, Harkema en Drogeham aan elkaar verbonden en nog steeds verbinden. De gemeente heeft zich erbij neergelegd en doet het onderhoud met zorg, verharding is uitgesloten. 

Het enige dat in het historische beeld ontbreekt zijn de karresporen die er ooit in grote hoeveelheden moeten hebben gelegen. Ook verdwenen zijn de talloze plaggenhutten die er moeten hebben gestaan. Het is moeilijk voor te stellen maar tot voor slechts honderd jaar geleden werden plaggenhutten in het gebied gebouwd om in te wonen, ook met grote gezinnen. De bijzondere  geschiedenis van de plaggenhut wordt verteld in Themapark de Spitkeet in Harkema, een aanrader.

Ik heb er een middag doorgebracht en kom snel terug want "Theater" Nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden is 7 dagen per week open en de entree is ook nog eens helemaal gratis!

In Gaasterland heb je aan de IJsselmeerkust een aantal plekken waar je een optimaal uitzicht hebt over het IJsselmeer. Ik denk aan het Mirnserklif bij Mirns, het Oudemirdumerklif bij Oudemirdum en het meest beroemde, het Reaklif bij Warns. Hier vochten de Friezen een legendarische strijd tegen de Hollanders in 1345.

Je vraagt je af waarom je juist hier het mooiste uitzicht hebt over het IJsselmeer. Volgens mij komt dat doordat je bij helder weer nog net de overkant kunt zien. Je ziet de kerktoren van Enkhuizen duidelijk aan de horizon temidden vaag trillende silhouetten van windturbines, bomen en bebouwing. Daarnaast heb je als je naar links kijkt uitzicht op windturbines die de dijk van de Noordoostpolder en Flevopolder aangeven, helemaal tot aan de Maximacentrale bij Lelystad. Aan de rechterkant zie je de windturbines die het einde van de Afsluitdijk markeren, de Afsluitdijk begint wat mij betreft in Friesland maar wellicht zag de geestelijk vader Cornelis Lely dat anders.

Dit panorama heb je vooral omdat het klif je net voldoende meters boven het waterpeil van het IJsselmeer uittilt. Hierdoor kun je over de kromming van de aarde en dus het IJsselmeer heen kijken.

Als je de tijd neemt ga je bijna automatisch mijmeren over wat er allemaal nog meer achter de horizon schuil gaat en achter de toren van Enkhuizen. En juist op dat moment raak je in gesprek met een toevallige voorbijganger. Hij vertelt dat tijdens de tweede wereldoorlog V2’s werden gelanceerd vanuit de bossen van Rijs, bestemming Londen. Deze bossen bevinden zich in Mirns recht achter je.  Veel V2's zouden dienst hebben geweigerd en in het IJsselmeer zijn geplonst.

Ik heb het nagezocht op de kaart. Ze moeten rechts van de Enkhuizer toren zijn gevlogen onderweg naar de Britse hoofdstad. Mijn bezoekjes aan het IJsselmeerpanorama krijgen vanaf nu een extra dimensie.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

 

Op 22 mei 1870 trouwt Sybe Cornelis zijn dochter Trijntje met smidsknecht Lourens Lutgendorff uit Sneek. Sybe wil dat het jonge stel na hun huwelijk een goede start kan maken. Hij heeft daarom een overeenkomst gesloten met timmerman Pieter Willems Twijnstra uit Folsgare. Pieter Willems bouwt aan de Tsjaerddyk een smederij en Lourens Lutgendorff zal het pand voor tenminste vijf jaar huren, voor een bedrag van fl 169, - per jaar. Sybe Corenelis Nijdam staat , als eigenaar van een scheepswerf in Sneek, voor het jonge stel  garant.

 

Lourens en Trijntje vestigen zich volgens plan na hun huwelijk aan de Tsjaerddyk. Lourens Lutgendorff is een zeer eigenzinnig persoon en hij ligt al snel met de kerkvoogden en andere mensen in het dorp overhoop. Na vijf jaar houdt Lourens Lutgendorff het dan ook voor gezien in Folsgare en koopt hij de smederij van Ynte Roode in Makkum.

Timmerman Pieter Willems Twijnstra vertrekt uit Folsgare en wordt boer in Abbega. Hij wil van de smederij af en zet de zaak te koop. Reinder Hendriekus Monkel, stadsomroeper uit Sneek, brengt een bod uit van fl 1661, - . Dit bod wordt afgewezen en het pand wordt uit de verkoop gehaald. Na het vertrek van  Lourens Lutgendorff  in mei 1875, komt Albert de Hond als nieuwe huurder in het bedrijfspand voor een termijn van twee jaar. Hij betaalt een aanzienlijk lager huurbedrag van fl 140, - per jaar. Twijnstra wil toch van het pand af en in 1876 komt het weer te koop. Petrus Jentjes Greydanus, landbouwer te Oosthem, wordt voor fl 1740, - de nieuwe eigenaar.

 

 

 

Het kerkje dateert uit 1770 en staat op de plek van een vorige kerk uit de Middeleeuwse tijd. Het eenvoudige kerkje is relatief jong (ongeveer 250 jaar) vergeleken met veel andere hervormde kerken in Fryslân. De kerk van Goingarijp valt onder de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Waarom in 1770 het oudere kerkgebouw werd vervangen, is niet bekend. Op een tekening, gemaakt in 1723 door Stellingwerf, ziet het kerkje er niet bouwvallig uit. De Hervormde Gemeente van Goingarijp vormde samen met het drie kilometer verderop gelegen dorp Broek een gecombineerde kerkelijke gemeente. De dorpen deelden de predikant. 

Tot in de twintigste eeuw werd de dominee van het ene dorp naar het andere dorp geroeid. Dat was een hele opgave, zowel voor de roeiers als voor de dominee zelf, vooral als het slecht weer was. Boven de ingang aan de zuidzijde van de kerk is een steen ingemetseld waarop te lezen staat: `De eerste steen deser Nieuwe kerke was gelegd door Frans Julius Johan van Eisinga aet 18 Kleinzoon van de heer Grietman Vegelin van Claerbergen`. De kerk heeft zes gebrandschilderde ramen, gemaakt door Ype Staak, een 18e eeuwse glazenier uit Sneek.

Dat deze ramen in goede staat bewaard zijn gebleven, zegt vermoedelijk iets over de moeilijke bereikbaarheid van Goingarijp in de 18e eeuw. Aan de westzijde staat de markante klokkenstoel. Daarin hangt de Salvatorklok die in 1527 is gegoten door Gerhardus van Wou uit Kampen, een van de bekendste klokkengieters uit de late middeleeuwen. Met een gewicht van 1135 kg is het de zwaarste klok in een klokkenstoel in Friesland. Het luiden van de klok was van belang voor de arbeiders als sein om op te staan en naar het land te gaan of om te gaan eten. Maar ook bij hoog water werd de klok ter waarschuwing gebruikt.

Vroeger was het luiden de taak van de schoolmeester, die er in 1834 nog 20 gulden per jaar mee verdiende. Momenteel wordt het uurwerk twee keer per dag opgewonden door vrijwilligers. Vandaag de dag wordt de klok nog geluid ter aankondiging van de kerkdiensten, bruiloften en begrafenissen. Elke oudejaarsdag komen dorpsbewoners bij elkaar rondom de klokkenstoel om beurtelings hangend aan het touw het oude jaar uit te luiden. Als je op het juiste tijdstip rond de kerk wandelt, is de klok op de hele en halve uren te horen met zijn mooie vérdragende klank.

 

 

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.


Uit het dorpsarchief van Easterein

Onderstaande vensters komen uit het in opbouw zijnde dorpsarchief van Easterein. Kijk op https://easterein.argyf.nl voor een indruk van dit dorpsarchief.

De damclub D.O.S. is opgericht in 1957.

Er werd toen al een tijd ' gedamd ', maar niet zozeer in clubverband.

Bij de kapper E. (Elze) Veenstra was het altijd erg gezellig.

Er kwamen langzamerhand meer mensen om die reden bij de kapper.

Naast het haarknippen en het gesprek, raakte het volk daar ook aan het dammen.

Zo ontstond het idee om een club op te richten.

Eén van de oprichters, P. Hiemstra, is nu in 1995, nog lid.

De eerste voorzitter was de kapper zelf: E. Veenstra. Deze verhuisde na een jaar.

Een andere oprichter volgde hem op, H. (Spar) de Jong.

Het tweede jaar werd P. Hiemstra penningmeester en L. Stuiver schrijver.

Ook de laatste heeft veel voor de club betekend.

Het was in de beginjaren lastig om met de centen rond te komen.

Sommige leden verzamelden allerlei punten bij de boodschappen om te kunnen inwisselen voor geld, waarvan een dambord en houtjes konden worden aangeschaft. Het zijn vooral mannen die dammen.

Vrouwen ook lid 

In 1979 werd het eerste vrouwelijke lid ingeschreven, ' juf Griet ', of liever gezegd; Griet Breeuwsma, die als kleuterjuffrouw hier aan school stond. Later kwamen er meer vrouwen bij.

De meest ervaren damster was wel Wietske Bruinsma Ze speelde mee aan de hoogste borden en won ook in ander wedstrijdverband vaak een prijs.

De bond 

Jarenlang is de club lid geweest van de Provinciale Friese Dambond, die een onderafdeling vormde van de Koninklijke Nederlandse Dambond. Er wordt in Nederland veel gedamd, maar vooral in Fryslân. We kunnen wel zeggen dat in Fryslân op dit sportgebied “zwaar wordt nagedacht”.

Dat blijkt ook uit het aantal leden.

Dat is ook al jaren zo. Zo wonen in 1978 van de 9000 leden van de Ned. Dam Bond maar liefst 1300 in Fryslân, aangesloten bij de Prov. Friese Dam Bond. Daarnaast bestond nog een Zuidwesthoekbond met zo'n 200 leden.

Het Fries dammen is hier dan nog niet bij gerekend. Dit is weer een heel ander spel en heeft ook weer haar eigen organisatie. Een dorpsgenoot die in dit Friese spelletje bedreven is, is Germ Terpstra.

Verre reizen

Voor het spelen van competitiewedstrijden werden grote reizen gemaakt.

's Avonds en bij sneeuw en gladde wegen werd geprobeerd tegen andere clubs de punten in de wacht te slepen. Het ' tiental ' reisde zo naar noordelijk Fryslân, maar ook naar Blokzijl. Doordat er altijd met tientallen gespeeld werd, konden lang niet alle leden meespelen. Ook werden de kosten steeds hoger.

In het laatste jaar bij de ' Bond ', speelde D.O.S. met twee tientallen: het eerste ' in de tweede klasse A en het tweede in de derde klasse A van de afdeling ' noord ', en reisden ze naar Schoolzijl, Oude Bildtzijl, Wolvega, Marknesse en Twijzelerheide.

Het eerste tiental werd toen ook nog kampioen in haar klasse, maar kreeg de beker nooit toegestuurd... De reden kan wel eens verband houden met het ijveren om zelf wat op te zetten...

Eigen federatie in Westergo

D.O.S. nam dan ook het initiatief om met andere verenigingen in onze omgeving een aparte vereniging op te richten. Op 11 september 1974 werd zo ' De Federatie van Dam - clubs Westergo opgericht.

Van de acht verenigingen die positief gereageerd hadden, waren het naast Easterein de clubs uit Oosthem, Ysbrechtum en Scharnegoutum die tegelijk begonnen.

Voorzitter werd A. Feitsma uit Wommels, een jaar later opgevolgd door K. Kooistra uit Easterein. Schrijver was W. Weersma uit Oosthem en penningmeester G. Zeilstra uit Scharnegoutum.

De voordelen waren dat de afstand klein was en de contributie laag.Maar het allerbelangrijkste was dat altijd de hele club tegen de hele club speelde. Toch gaf dit wel eens problemen. D.O.S. werd steeds groter en andere verenigingen langzaam kleiner.

Toen in 1975 ook Tersoal bij de federatie kwam, werd in twee afdelingen gespeeld. D.O.S. speelde mee in drie ploegen van acht personen, terwijl ook de ' rest - leden ' mee speelden voor een ' totale club competitie '.

Bestuur federatie Westergo

Het bestuur werd in 1975 gevormd door K. Kooistra voorzitter, J. de Boer (Sybrandeburen) schrijver, G. Zeilstra (Scharnegoutum) penningmeester, W. Weersma (Oosthem) competitieleider en E. Bruinsma (Ysbrechtum) algemeen adjunct.

Door het teruglopen van het aantal leden moest de vereniging uit Scharnegoutum in 1978 opdoeken.

Omdat ook het aantal leden bij andere clubs terugloopt wordt voorgeslagen om als federatie aansluiting te zoeken bij de Zuidwesthoek Bond.

Dit gaat door en sinds 1978 - 1979 speelt de vereniging in competitieverband mee in de Zuidwesthoek Bond.

Lokaal en gereedschap 

Vanaf het begin wordt er gespeeld in Us Gebou. Bij het verbouwen van dit gebouw is er één winterperiode gespeeld in de Tsjerne en later een winterperiode op de bovenzaal bij café Bergsma.

Beiden voldoen niet en iedereen voelt zich weer ' thuis ' als er weer wordt gespeeld in ' Us Gebou '.

Een andere zorg is het ' gereedschap '. Er moet een medaille kast komen. In 1974 komt er één voor 100 gulden aan de muur te hangen. In 1979 worden nieuwe borden aangeschaft. Ook komen er klokken. Het geheel wordt opgeborgen in een nieuwe houten kist.

Een clublied 

Er is al jaren een clublied, dat bij het 20-jarig bestaan is geschreven door K. Kooistra. Het wordt meestal door de leden gezongen bij het vieren van een jubileum van een van de leden. Het heet ' It skowersliet ' (wijze: Mijn Berber is ver over het water, Tekst zie Friestalige versie archief).

Leden 

In de eerste jaren van bestaan zijn er meestal tussen de tien en de twintig leden. Het gaat wat op en neer, maar genoeg om competitie te spelen en een tiental voor de ' Bond ' te hebben. Het aantal leden wordt nog groter en midden jaren tachtig zijn er ongeveer veertig leden. Ook bestaat nog een jeugdclub met zo'n 15 enthousiaste denkers. Deze jeugdclub wordt in de eerste jaren geleid door Jouke Geertsma en Yde Syszeling. Later nemen Harm Bergsma en Durk van Beem het over.

In de tweede helft van de jaren tachtig daalt het aantal leden hard. Een aantal oudere leden worden het te moeilijk of zij komen te overlijden. Anderen krijgen andere werkzaamheden met hun werk, hun studie, of andere activiteiten.

Weer anderen verhuizen.

Wij denken hierbij aan mensen zoals S. Hiemstra, A. Feitsma, M. Miedema, J. Twijnstra, F. Postma, D. Tjerkstra, L. v.d. Sluis, D. ten Dam, W. Schermerhorn, F. ten Dam, F. Dijkstra, D. de Leeuw, J. Geertsma, O. de Vlas, T. Posthuma, J. Ste-genga, K. Kooistra, M. Tjalsma, Y. Syzeling, W. Bruinsma, W. 

P. Hiemstra past meestal op het geld.

Bestuur

Na twaalf jaar wordt A. Feitsma in 1969 voorzitter. In 1978 neemt M. Tjalsma dit van zich over. De laatste is dit tot 1990. Nu, in 1995 is G. Dijkstra voorzitter.

Sinds de oprichting is P. Hiemstra ook in 1995 nog altijd lid. Hij is de enige van de oprichters die nog altijd meespeelt in de competitie.

Ook oprichter H. de Jong is in 1995 nog maar net afgehaakt als club - lid.

Andere leden die er erg veel bijdroegen, waren L. Bouma die al meer dan twintig jaar in het bestuur zit en nog penningmeester is, H. Bergsma die ook jaren schrijver was, K. Kooistra die het vijftigen jaar in het bestuur zat als schrijver, penningmeester of competitieleider, maar natuurlijk ook M. Tjalsma, die naast het voorzitterschap ook jaren allerlei zaken voor de club regelde club regelde prijzen en prijsjes voor de kleerstemmers.

Competitie 

Vooral in de jaren van 1977 tot 1985 wordt het verloop van de competitie door een groot publiek gevolgd. Bijna elke week staat er een verslag in de Bolswarder krant. De verslaggever brengt zowel de uitslag als de sfeer over in dit blad.

Wij komen koppen tegen zoals: 

'Minne en Harm, twa gelokkige minsken...'

‘Ik kin my it hier wol út e kop klauwe, sei Geart, mar dan hald ik sa'n bytsje oer...

'Troch de baarch biten en de winst út hannen...'

'Der waard omraak slein yn Easterein...'

'Lubbert ferslein en Jakob op ien ein...’

'Tsjalling rojaal, mar hast wat te mal...'

'Foarwier winst foar Willem...!'

'Harm yn foarm...'

'Twa peallen foar Klaas..'

'Wytske fan 'e wize en Jacob yn 'e prizen...'

'As waarme bakkers kâld wurde...'

'Twa punten foar Piter...'

'Geart yn spreidstand nei remise...'

'Gjin fermogens mar dochs winst foar de ponghâlder..'

Al deze koppen zeggen genoeg over sfeer en strijd waarmee gespeeld werd.

Een van de spelers die al jaren mee bovenaan speelt is L. Stuiver. Ook P. Hiemstra is echter nog altijd moeilijk te bespelen. Andere kopstukken zijn al een aantal jaren mannen zoals K.Louwsma, U. Bouma en H. Bergsma.

In de club wordt met volle inzet gespeeld, maar ook altijd nog wat nagespeeld en nagezeten. 

Seizoen 1994-1995.

In het seizoen 1994 / 1995 zijn er 15 leden: D. van Beem, H. Bergsma, W. Boersma, L. Bouma, U. Bouma, G. Dijkstra, J. Greidanus, P. Hiemstra, G. Keuning, K. Louwsma, J. Rispens, G. Stilma, R. Strikwerda, L. Stuiver en Tj. Tjalsma.

Voorzitter is G. Dijkstra, penningmeester is L. Bouma en schrijver en tevens competitieleider is R. Strikwerda.