FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schrijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Feanwâldsterwal is een prachtig klein dorpje zuidwestelijk van Feanwâlden. De schoonheid van het dorp wordt vooral gekenmerkt door de smalle vaart die naast de hoofdstraat van het dorp "De Wâl" loopt. De aanliggende woningen hebben allemaal een eigen bruggetje.

Waar "De Wâl" overgaat in "It Oare Ein" ligt de kern van het dorp gemarkeerd door een fraaie brug en hotel en eetcafé 't Dûke Lûk. Hier kun je bootjes en kano's huren en dat is niet onlogisch. Feanwâldsterwal ligt namelijk aan de rand van een van de mooiste aaneengesloten kleine natuurgebieden in Friesland, It Butenfjild, De Looden Hel en De Houtwiel. Het laatste natuurgebied is de laatste jaren naar een hoger niveau getild vanwege de aanleg van de Centrale As (N356), de voor het gebied enigszins "oversized" maar o zo gewaardeerde autoweg tussen Nijega en Dokkum. Bij het dorp De Falom is notabene een "luxe" flyover gebouwd zodat flora en fauna ongestoord  kan doorgroeien en doorlopen tot aan het dorp De Westereen.

De aaneengesloten natuurgebieden verklappen het ontstaan van Feanwâldsterwal. Het zijn laagveengebieden en Feanwâldsterwal dankt haar bestaan aan de ontginning van dit laagveen. Al in de 15e eeuw werd dit ontgonnen door de Schiere Monniken afkomstig van de Schierstins in buurdorp Feanwâlden, behorende bij het klooster Claerkamp in Rinsumageest. In latere tijden werd dit zware werk op meer industriële schaal voortgezet door doorgewinterde veenarbeiders uit Giethoorn die naar de Friese veenkolonie kwamen. Zij wisten wel raad met het laagveen en lieten een duidelijk stempel achter op het gebied, én het dorp. Daarom wordt Feanwâldsterwal nu ook wel het "Giethoorn van Friesland" genoemd.

Beide dorpen hebben trouwens nog iets opmerkelijks gemeen, de verdwenen melkfabrieken. In beide dorpen zijn ze ten prooi gevallen aan het toerisme zou je kunnen zeggen. Die van Giethoorn is gesloopt of onherkenbaar tussen restaurants en bootverhuurders. Die van Feanwâldsterwal, genaamd Zuivelfabriek Freia, is steen voor steen afgebroken en opnieuw opgebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Ik zie het als de verloren zoon van Feanwâldsterwal, gelet op de naam Freia zou je wellicht van dochter moeten spreken maar dat onderscheid laat ik aan de lezer.

Het dorp Eastermar ligt ten noorden van Drachten in een prachtig gebied te midden van twee, voor het gebied bijzondere waterpartijen, het Bergumermeer en De Leien. Deze relatief kleine en ondiepe meren zijn grotendeels ontstaan door veenafgravingen en afkalving. Het gebied draagt met trots het predicaat “Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden” (De Noordelijke Friese Wouden).

Toch zal een bezoeker die van de meren heeft genoten zich wellicht afvragen, waar zijn de wouden gebleven? Inderdaad, wouden in de zin van uitgestrekte bossen vind je er niet. In de plaats daarvan vind je een eeuwenoud coulisselandschap. Dit wordt gevormd door talloze boom- en houtwallen die kleinschalige boerenpercelen van elkaar scheiden. Hier en daar kijk je dwars door een aantal van deze boom- en houtwallen heen, de dieptewerking is subliem. Tussen deze coulissen zie je telkens weer een andere voorstelling. Akkerland, graanvelden, weilanden met koeien, paarden, schapen, of misschien wel het mooist, een wisselend kleurenpalet van veldbloemen. De analogie met coulissen en voorstellingen in een theater kan bijna niet treffender.

De boom- en houtwallen worden met regelmaat teruggesnoeid en groeien in enkele jaren daarna weer terug. Aan de oudste exemplaren zie je dit onderhoud terug in decenniaoude grillige stronken en stobben. Ruilverkaveling is aan het gebied voorbijgegaan en dat is maar goed ook. De hout- en boomwallen zijn onaangetast en volgen de oorspronkelijke zandpaden die dorpen als Eastermar, Sumar, Harkema en Drogeham aan elkaar verbonden en nog steeds verbinden. De gemeente heeft zich erbij neergelegd en doet het onderhoud met zorg, verharding is uitgesloten. 

Het enige dat in het historische beeld ontbreekt zijn de karresporen die er ooit in grote hoeveelheden moeten hebben gelegen. Ook verdwenen zijn de talloze plaggenhutten die er moeten hebben gestaan. Het is moeilijk voor te stellen maar tot voor slechts honderd jaar geleden werden plaggenhutten in het gebied gebouwd om in te wonen, ook met grote gezinnen. De bijzondere  geschiedenis van de plaggenhut wordt verteld in Themapark de Spitkeet in Harkema, een aanrader.

Ik heb er een middag doorgebracht en kom snel terug want "Theater" Nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden is 7 dagen per week open en de entree is ook nog eens helemaal gratis!

In Gaasterland heb je aan de IJsselmeerkust een aantal plekken waar je een optimaal uitzicht hebt over het IJsselmeer. Ik denk aan het Mirnserklif bij Mirns, het Oudemirdumerklif bij Oudemirdum en het meest beroemde, het Reaklif bij Warns. Hier vochten de Friezen een legendarische strijd tegen de Hollanders in 1345.

Je vraagt je af waarom je juist hier het mooiste uitzicht hebt over het IJsselmeer. Volgens mij komt dat doordat je bij helder weer nog net de overkant kunt zien. Je ziet de kerktoren van Enkhuizen duidelijk aan de horizon temidden vaag trillende silhouetten van windturbines, bomen en bebouwing. Daarnaast heb je als je naar links kijkt uitzicht op windturbines die de dijk van de Noordoostpolder en Flevopolder aangeven, helemaal tot aan de Maximacentrale bij Lelystad. Aan de rechterkant zie je de windturbines die het einde van de Afsluitdijk markeren, de Afsluitdijk begint wat mij betreft in Friesland maar wellicht zag de geestelijk vader Cornelis Lely dat anders.

Dit panorama heb je vooral omdat het klif je net voldoende meters boven het waterpeil van het IJsselmeer uittilt. Hierdoor kun je over de kromming van de aarde en dus het IJsselmeer heen kijken.

Als je de tijd neemt ga je bijna automatisch mijmeren over wat er allemaal nog meer achter de horizon schuil gaat en achter de toren van Enkhuizen. En juist op dat moment raak je in gesprek met een toevallige voorbijganger. Hij vertelt dat tijdens de tweede wereldoorlog V2’s werden gelanceerd vanuit de bossen van Rijs, bestemming Londen. Deze bossen bevinden zich in Mirns recht achter je.  Veel V2's zouden dienst hebben geweigerd en in het IJsselmeer zijn geplonst.

Ik heb het nagezocht op de kaart. Ze moeten rechts van de Enkhuizer toren zijn gevlogen onderweg naar de Britse hoofdstad. Mijn bezoekjes aan het IJsselmeerpanorama krijgen vanaf nu een extra dimensie.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.

Op dit plak binne yn 1933 Albert en syn frou Foukje Brink in bakkerij anneks winkel begûn. Op hûsnr. 11 stiet ûnderwyls in oare wenning . “Altyd dy hearlike rook, benammen as der sûkerbôle bakt waard", kaam de buorfrou har yn ’t sin. Troch de wike waarden de bestellingen foar bûtenút thûs besoarge troch soan Hyltje. De bewenners yn it doarp moasten de bôle sels helje, mar krigen dan in stik koarstekoeke as beleanning mei. Dat wie in soarte fan krûdkoeke dêr ’t de bakker de kanten fan ôfsnijde om wei te jaan oan de klanten. It wurdt dêrom ek wol kantkoeke neamd.

De winkel en bakkerij wiene it klopjende hert fan it doarp. Albert en Foukje wiene echte doarpsminsken en stiene altyd iepen foar de minsken fan it doarp. Sa hat Albert Brink him ek moai wat jierren ynset as foarsitter fan doarpsbelang. De bakkerij wie ek in soarte fan doarpsromte: mei sinteklaastiid koe men sjoele en balgoaie yn ’e bakkerij. Dy tradysje giet noch altyd troch, al is it plak feroare. Bakker Brink krige as earste in telefoan. As men belje woe, koe men dêr telâne, of de bakker kaam by dy lâns as der in berjocht foar dy wie. Jo wisten net better, sa groeiden wy op en it koe bêst. It hûs bestie, útsein de bakkerij, út in wenkeamer, in koken-keamer, in sliepkeamer en in winkel. De bern sliepten boppe op ’e souder.

De oven fan de bakkerij waard earstoan ferwaarme troch it ferbaarnen fan hout en turf. Letter waard de oven ferwaarme troch middel fan in oaljebrâner. De oalje waard opslein yn oaljefetten achter de bakkerij. Yn de oarlochsjierren waarden de ruten fan de bakkerij fertsjustere en learden ûnderdûkers de doarpsbewenners it skaken.

De hjoeddeiske tsjerke is fan 1770 en stiet op it stee fan in eardere Romaanske tsjerke. Net dat dizze âlde tsjerke no sa boufallich wie, neffens in tekening út 1723 (J. Stellingwerf), mar miskien moast it klokhûs wol fernijd wurde. Dit stie op in stiennen ferhevenheid tsjin de tsjerke oan. Hjoeddedei stiet it klokhûs los fan ‘e tsjerke. De tsjerke en klokhûs binne no eigendom fan de Stichting Âlde Fryske Tsjerken. Ienkear yn ‘e fjouwer wike is der hjoeddedei yn dizze tsjerke in tsjinst fan de Protestantse Gemeente fan Terkaple.

Eartiids, oan’t en mei de fyfticher jierren fan de 20ste ieu, foarme Goaiïngaryp mei it doarp Broek ien tsjerke gemeente. De dumny wenne yn de pastory te Goaiïngaryp. Wol wiene der twa tsjerken, ien yn Goaiïngaryp en ien yn Broek. De dumny waerd mei in roeiskou, yn waer en wyn, hinne en wer brocht. Dumny preke de iene sneins de moans yn Goaiïngaryp en de oare sneins de middeis yn Broek. Boppe de yngong fan ‘e tsjerke, op it súden, is in stien ynmitsele mei it opskrift: `De eerste steen deser Nieuwe kerke was gelegd door Frans Julius Johan van Eisinga aet 18 Kleinzoon van de heer Grietman Vegelin van Claerbergen`. Vegelin van Claerbergen wie doedestiids grietman fan ‘e grietenij Doniawerstal, wer’t Goaiïngaryp ta hearde. It bysûndere fan dizze nije tsjerke binne de seis brânskildere finsters, makke troch Ype Staak út Snits.

Yn elts finster steane nammen fan bestjoeders en kolleesjes yn ’e provinsje Fryslân en sels dy fan stêdhâlder Willem V. Nijsgjirrich oan dit finster is de hjir yn fermelde spreuk: `Honi soit qui mal i pense`, dy’t docht tinken oan it Ingelske Keningshûs (orde van de Engelse kouseband).

Op it westen fan de tsjerke stiet it klokhûs. Yn ‘e beneficiaal boeken út 1543 wurdt dit klokhûs al neamt. Der is doedestiids jild lient troch it ferkeapjen fan in perseel lân `tot strutuijr ende timmeringhe eens nijeuws klockhuijs`. En hjiryn hinget de swiere Salvatorklok fan 1135 kg, de swierste klok yn in klokhûs yn Fryslân. Dizze klok is, neffens it opskrift op ‘e klok, yn 1527 getten troch Gerardus van Wou út Kampen, in tige ferneamde klokkejitter.

De klok is yn ‘e oarloch troch de Dútsers út it klokhûs helle en opslein yn Giethoorn. Noch kin men de Letter M (de M fan monumint) sjen op ‘e klok. Nei de oarloch is de klok lokkich werom kaem en hinget no wer yn folle glory yn it klokhûs. Yn ‘e tsjerke stiet in hiel âld oerwurk út de sechstjinde ieu, dy’t om it healûre de tiid oanjouwt troch it slaan fan in hammer tsjin de klok. Yn ‘e hele oeren gelyk oan de oeretiid en yn it hjeloere ien slach. Eartiids waerd dit oerwurk twaris deis opwûn troch de skoalmaster en krige yn 1834 hjirfoar 20 goune jiers fan de gemeente Doniawerstal. Letter is dit oernommen troch de koster fan ‘e tsjerke. Hjoeddedei wurdt dit dien troch frijwilligers. De swiere Salvator klok wurdt noch let in oere foar it begjin fan de “preek” en by in begraffenis. En op âldjiersdei. By stil waer is it moaie lûd fan dizze klok fier te hearren oer gea, mar en poel.


Uit het dorpsarchief van Easterein

Onderstaande vensters komen uit het in opbouw zijnde dorpsarchief van Easterein. Kijk op https://easterein.argyf.nl voor een indruk van dit dorpsarchief.

De damklub D.O.S. is oprjochte yn 1957. Der waard doe al in skoft 'damme', mar net sasear yn klupferbân. By de kapper E.(Elze) Veenstra wie it altyd tige gesellich. 

Der kamen stadichoan mear minsken om dy reden by de kapper. Njonken it hierknippen en it praat, rekke it folk dêr ek oan it damjen. 

Sa ûntstie it idee om in klup op te rjochtsjen. len fan de oprjochters, P. Hiemstra, is no yn 1995, noch lid. De earste foarsitter wie de kapper seis: E. Veenstra. Dizze ferhuze nei in jier. In oare oprjochter waard foarsitter, H. (Spar) de Jong. Dizze hat noch mar krekt betanke. It twadde jiers waard P. Hiemstra ponghalder en L. Stuiver skriuwer. Ek de lêste hat in soad foar de klup betsjutten.

It wie yn ’e begjinjierren in toer om mei de sinten run te kommen.

Sommige leden garren allerhande punten by de boadskippen om ynwikselje te kinnen foar sinten dêr't bygelyks buorden en houtsjes fan oanskaft wurde koene.

It wiene meast manlju dy't dammen. 

Froulju ek lid

Yn 1979 waard it earste froulike lid ynskreaun, 'juf Gryt', of leaver sein; Gryt Breeuwsma, dy t as beukerjuffer hjir oan skoalle stie. Letter kamen der mear froulju te striken.

De meast betûfte strykster wie wol Wietske Bruinsma Hja spile mei oan 'e heechste buorden en wûn ek yn oar wedstriidferbân gauris in priis.

De bond

Jierren oanien hat de klup lid west fan de Provinciale Friese Dambond, dy't inûnderôfdieling foarme fan de Koninklijke Nederlandse Dambond.

Der wurdt yn Nederlan in soad damme, mar benammen yn Fryslan. Wy kinne wol sizze dat yn Fryslan op dit mêd gans 'tocht' wurdt. Dat blykt ek út it tal leden. Dat is ek al jierren sa. Sa wenje yn 1978 fan 'e 9000 leden fan de Ned. Dam Bond mar leafst 1300 yn Fryslan, troch har oansluting by de Prov. Friese Dam Bond. Dêrnjonken bestie noch in Zuidwesthoekbond mei sa n 200 leden. It Frysk Damjen is hjir dan noch net by rekkene. Dit is wer in hiel oar spul en hat ek wer har eigen organisaasje. In doarpsgenoat dy't yn dit Fryske spultsje betûft is, is Germ Terpstra. Foar it spyljen fan kompetysjewedstriden waarden grutte reizen makke. Op 'e jûntiid en by snie en glêde diken waard besocht tsjin oare klups de punten yn e wacht te slepen. It 'tsiental' reizge sa nei boppe yn Fryslan, mar ek nei Bloksyl. Trochdat der altyd mei tsientallen spile waard, koene lang net alle leden meidwaan. Ek waarden de kosten aloan heger. Yn it lêste jier by de 'Bond', spile D.O.S. mei twa tsientallen: it earste' yn 'e twadde klasse A en it twadde yn 'e tredde klasse A fan de ófdieling ’noard', en reizgen hja nei Skoatersyl, Alde Bildtsyl, Wolvegea, Marknesse en Twizelerheide. It earste tsiental waard doe ek noch kampioen yn har klasse, mar krige de beker nea tastjoerd... De reden kin wolris yn har krewearjen lein hawwe om sels wat op te setten...  D.O.S. naam dan ek it inisjatyf om mei oare ferienings yn ús omkriten in aparte feriening op te rjochtsjen. Op 11 september 1974 waard sa 'De Federatie van Dam- klups Westergo oprjochte. Fan de acht ferienings dy’t posityf reagearre hiene, wiene it njonken Easterein de klups út Easthim, Ysbrechtum en Skearnegoutum dy’t tagelyk mei útein setten.

Foarsitter waard A. Feitsma fan Wommels, in jier letter opfolge troch K. Kooistra fan Easterein. Skriuwer wie W. Weersma fan Easthim en ponghâlder G. Zeilstra fan Skearnegoutum.

De foardielen wiene, dat de ófstan lyts wie en de kontribüsje leech.

Mar it allerwichtichste wie dat altyd de hiele klup tsjin de hiele klup spile. Dochs joech dit wolris problemen. D.O.S. waard aloan grutter en oare ferienings stadichoan lytser. Doe t yn 1975 ek Tersoal by de federaasje kaam, waard yn twa ófdielings spile. D.O.S. spile mei yn trije ploegen fan acht persoanen, wylst ek de ’rest- leden' mei spilen foar in 'totale klup kompetysje'.

It bestjoer waard yn 1975 foarme troch K. Kooistra foarsitter, J. de Boer (Sybrandebuorren) skriuwer, G. Zeilstra (Skearnegoutum) ponghâlder, W. Weersma (Easthim) kompetysjelieder en E. Bruinsma (Ysbrechtum) algemien adjunkt.

Troch it werom rinnen fan it tal leden moast de feriening út Skearnegoutum yn 1978 opdoeke. Om't ek it tal leden by oare klups werom rint wurdt foarslein om as federaasje oansluting te sykjen by de Zuidwesthoek Bond. Dit giet troch en sûnt 1978 - 1979 spilet de feriening yn kompetysjeferbân mei yn ’e Zuidwesthoek Bond.

Lokaal en ark

Al fanalds wurdt der spile yn Us Gebou. By it ferbouwen fan dit gebou is der ien winterskoft spile yn e Tsjerne en letter in winterskoft op e boppeseal by kafee Bergsma. Beide foldogge net en elk fielt him wer ’thús’ as der wer spile wurdt yn 'Us Gebou'. In oare soarch is it 'ark'. Der moat in medalje kast komme. Yn 1974 komt der ien foar 100 gûne oan e muorre te hingjen. Yn 1979 wurde nije buorden oantúgd. Ek komme der klokken. It gehiel wurdt opburgen yn in nije houten kiste.

In klupliet

Der is al jierren in klupliet, dat by it 20-jierrich bestean skreaun is troch K. Koois-tra. It wurdt meast troch de leden songen by it fieren fan in jubileum fan ien fan de leden. It hyt 'It skowersliet'

(wize: Myn Berber is fier oer it wetter)

1. Easterein, freonen, hat 'er in damklub

al klinkt it miskien wat gewoan 

as klup freonen is der gjin twadden

ja, D.O.S. stiet by üs fier bopp'oan, bopp oan (2 x)

refrein: Skowe de skiven, mei wyt of mei swart, wat mar skowe wol skowe de skiven, wy strike de oeren sa fol!

2. As dammers is skowen üs tinken

al ha wy't oan ’t boerd faaks ek dreech

de ôfrin dy moat' wy beklinke

en wippe in romerke leech,ja leech ( 2 x )

3. Ek oare klups ha wy bekampe

besoargen har mannige nul

mar rûnen wy dochs tsjin 'e lampe

ferlieze dat heart ek by 't spul, by 't spul ( 2 x)

4. Wy skowe, wy slaan of wy triuwe

al binne wy somtiids de klos

in freoneklup sille wy bliuwe

Us klupnûmer ien dat is D.O.S., ja D.O.S.! ( 2 x )

Leden

Yn 'e earste jierren fan bestean binne der meast tusken de tsien en de tweintich leden. It giet wat op en óf, mar genôch om kompetysje te spyljen en in tsiental foar de 'Bond' te hawwen.

It tal leden wurdt noch grutter en midden jierren tachtich binne der omtrint fjirtich leden. Ek bestiet noch in jeugdklup mei sa'n 15 entûsjaste tinkers. Dizze jeugdklup wurdt yn 'e earste jierren lieden troch Jouke Geertsma en Yde Syszeling. Letter nimme Harm Bergsma en Durk van Beem it oer. Yn 'e twadde helte fan e jierren tachtich sakket it tal leden hurd. In tal aldere leden wurdt it te dreech of komme te ferstjerren. Oaren krijen oare drokten mei har wurk, de stúdzje, of oare aktiviteiten. Wer oaren ferhúzje.

Wy tinke hjirby oan minsken lykas S. Hiemstra, A. Feitsma, M. Miedema, J. Twijnstra, F. Postma, D. Tjerkstra, L. v.d. Sluis, D. ten Dam, W. Schermerhorn, F. ten Dam, F. Dijkstra, D. de Leeuw, J. Geertsma, O. de Vlas, T. Posthuma, J. Ste-genga, K. Kooistra, M. Tjalsma, Y. Syszeling, W. Bruinsma, M. Nauta, R. Nauta, J. Nauta, W. van der Linden, ensfh.

Bestjoer

Foarsitter is yn it begjin 'Spar' H. de Jong. P. Hiemstra past meastal op 'e sinten. Nei tolve jier wurdt A. Feitsma yn 1969 foarsitter. Yn 1978 nimt M. Tjalsma dit fan him oer. De lêste is dit oant 1990.

No, yn 1995 is G. Dijkstra foarsitter. Sûnt de oprjochting is P. Hiemstra ek yn 1995 noch altyd lid. Hy is de iennichste fan de oprjochters dy’t noch altyd meispilet yn e kompetysje. Ek oprjochter H. de Jong is noch mar krekt ôfheakke as klup- lid. Oare leden dy t in protte bydroegen, wiene L. Bouma dy’t al mear as tweintich jiei yn it bestjoei sit en noch ponghâlder is, H. Bergsma dy’t ek jierren skriuwer wie, K. Kooistra dy t fyftigen jier yn it bestjoer siet as skriuwer, ponghâlder of kompetysjelieder, mar fansels ek M. Tjalsma dy t njonken it foarsitterskip ek jierren allerhande saken foar de klup regele en prizen en priiskes foar de ferlotting op jier feesten en sinterklaasjûnen byinoar skarrele.

Kompetysje

Benammen yn de jierren fan 1977 oant 1985 wurdt it ferrin fan de kompetysje troch in grut publyk folge. Omtrint alle wiken stiet der in ferslach yn 'e Boalserter krante. De ferslachjouwer bringt sawol de útslach as de sfear oer yn dit blêd. 

Wy komme koppen tsjin lykas:

'Minne en Harm, twa gelokkige minsken...'

‘Ik kin my it hier wol út e kop klauwe, sei Geart, mar dan hald ik sa'n bytsje oer...

'Troch de baarch biten en de winst út hannen...'

'Der waard omraak slein yn Easterein...'

'Lubbert ferslein en Jakob op ien ein...’

'Tsjalling rojaal, mar hast wat te mal...'

'Foarwier winst foar Willem...!'

'Harm yn foarm...'

'Twa peallen foar Klaas..'

'Wytske fan 'e wize en Jacob yn 'e prizen...'

'As waarme bakkers kâld wurde...'

'Twa punten foar Piter...'

'Geart yn spreidstand nei remise...'

'Gjin fermogens mar dochs winst foar de ponghâlder..'

Al dizze koppen sizze genôch oer sfear en kriich dêr't mei spile waard. Ien fan de spilers dy't al jierren mei boppeoan spilet is L. Stuiver. Ek P. Hiemstra is lykwols noch altyd dreech te bespyljen. Oare kopstikken binne al in tal jierren mannen lykas K.Louwsma, U. Bouma en H. Bergsma. Yn e klub wurdt dreech spile, mar ek altyd noch wat neispile en neisitten.

Seisoen 1994-1995.

Yn it seizoen 1994 / 1995 binne der 15 leden: D. van Beem. H. Bergsma, W. Boersma, L. Bouma, U. Bouma, G. Dijkstra, J. Greidanus, P. Hiemstra, G. Keuning, K.Louwsma, J. Rispens, G. Stilma, R. Strikwerda, L. Stuiver en Tj. Tjalsma. 

Foarsitter is G. Dijkstra, ponghâlder is L. Bouma en skriuwer en tagelyk kompetysjelieder is R. Strikwerda.