FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schrijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Het tweelingdorp Paesens-Moddergat ligt pal tegen de waddenzeedijk in Noordoost Friesland. Het zijn twee prachtig verstilde vissersdorpjes. Hier en daar zie je nog de eeuwenoude gele geveltjes van de voormalige vissershuisjes. Museum 't Fiskershúske is in een aantal fraaie exemplaren gevestigd en vertelt de historie van de tweelingdorpen. Het is een aanrader als je ter plekke bent.

Een tweetal monumenten op de zeedijk getuigen van de lokale visserijhistorie, een beeld van een vissersvrouw met kind en een gemetseld monument met gedenksteen die herinnert aan het jaar 1883 waarin 83 dorpelingen op zee verdronken in de golven tijdens een zware storm. Het is moeilijk voor te stellen wat het verlies van 83 vaders en zonen moet hebben betekend voor de dorpen. 

Direct over de dijk vind je een van de mooiste landschappen van de Waddenzee. Toont de Waddenzee zich bij laagtij meestal als een oneindige vlakte van slik en geulen, bij Paesens en Moddergat wordt deze vlakte doorsneden door een eeuwenoude rijsdam. Deze rijsdam bestaat uit duizenden niet al te dikke boomstammen die strak in het gelid in twee rijen staan opgesteld. Tussen de rijen liggen grijze blokken basalt lukraak opgestapeld. De rijsdammen hadden tot doel de stroming te onderbreken zodat het slib tijd had om te bezinken voor de landaanwinning. Nu is het vooral een fotogenieke “erfscheiding” die het schier oneindige slik laat overgaan in de kwelders van natuurgebied De Peazemerlannen.

Het schijnt dat de rijsdam honderden jaren oud is. Het zou zomaar kunnen, de eerste keer dat ik er was is bijna een halve eeuw geleden. De rijsdam lag er toen, voor zover ik mij kan herinneren, net zo bij als vandaag de dag. We klommen als kinderen over de basaltblokken en stonden tot onze enkels in het slik. Ik kan me voorstellen dat het er in 1883 niet veel anders heeft uitgezien, alsof de tijd destijds is stilgezet ter ere van de omgekomenen.

In de kloosterkapel van Jannum was gisteren een verhalenavond. Door de hele provincie Friesland werden verhalen verteld maar mijn interesse ging vooral uit naar Jannum. Daar staat namelijk de meest sfeervolle kloosterkapel van Friesland en daar wordt het verhaal van Gerben en Ybeltsje vertelt. (zie ook blog: Brug Sibrandahûs – liefdeslot of liefdesslot)

Deze keer wordt het vervolg verteld. Het is steenkoud in het kerkje. Ongeveer 10 mensen zijn aanwezig bij deze voorstelling maar er volgen op dezelfde avond nog een paar voorstellingen. Er staan houten stoeltjes klaar in een kring om een klein kolenvuur. Om en om zie je bij de toehoorders pufjes adem in wolkjes condenseren en oplossen in de kou. Gelukkig zijn er dekens voor over de benen en na afloop een kloosterlikeur.

Aan het hoofd van de kring zit een dame gehuld in een dik vest en stola, haar in een knotje. Dikke rood geblokte deken over de benen. Achter in de kapel wordt accordeon gespeeld. Een Iers deuntje, want in de aderen van de speler zit Iers bloed.

Het geheel doet me denken aan de verjaardagen van Beppe Moarrewâld een halve eeuw geleden. Ze woonde in een wâldhûske aan de Molenweg in Murmerwoude. Ze zat dan op een hoge stoel met leuningen prominent als stamoudste aan het hoofd van het gezelschap te glunderen. Haar in een knot. Ze had het hoogste woord. Vertelde verhalen en zong ook nog wel eens een versje. Omke Pieter de groenteboer van Ikkerwâld speelde op de accordeon. Rood haar maar geen Iers bloed voor zover ik weet. Beerenburg en likeur op een rood tafelkleed.

Ik heb gisteravond een tijdreis gemaakt en volgens mij was ik niet de enige.

Je hebt twee soorten mensen. Mensen die ervan houden om op de bonnefooi een gebied of stad te verkennen en mensen die graag gebruik maken van een kaart. De eerste categorie mensen neemt op de koop toe dat ze mogelijk een attractie missen. De tweede categorie mensen accepteert dat ze zich constant moeten afvragen "zitten we nog op de route?". Ik behoor tot de eerste categorie.

In de buurt van Earnewâld ligt het natuurgebied de Alde Feanen. Het is een 4500 hectare groot laagveenmoeras. Het is één van de twintig Nationale Parken in Nederland. Een klein onderdeel ervan is "It Wikelslân". Hier zijn kris-kras twee wandelroutes uitgezet, een van 3 en een van 5 kilometer. Een uitgebreid netwerk van routebordjes getuigt ervan. Geschikt waterdicht schoeisel is een must.

Ik was er gisteren, het was heerlijk fris Novemberweer. Hoewel er redelijk wat auto's stonden bij de ingang van het gebied voelde het niet druk in het gebied. Zo nu en dan passeer je een paar medewandelaars. Highlights zijn de uitkijktoren en twee vogelkijkhutten. Je kunt ze bijna niet missen.

Wat opvalt is dat wandelaars stoppen bij bordjes of aandacht hebben voor hun Smartphone. "We moeten hier linksaf" hoor ik een oudere meneer zeggen tegen een oudere dame. Het stel volgt digitale instructies. Een ander stel dames geeft aan dat ze de bordjes negeren omdat het er gewoonweg teveel zijn. Een verliefd stel loopt aan de hand van een Smartphone voorovergebogen voorbij.

Een oude verweerde houten handwijzer met "Kuierpaad" staat aan het begin van de wandeling. Soortgelijke handwijzers staan bij de twee vogelkijkhutten. Er is een tijd geweest dat mensen hier genoeg aan hadden. Want om eerlijk te zijn, zo groot is het Wikelslân nu ook weer niet. De ingang is notabene ook nog eens de uitgang. Ik ben benieuwd of de oude verweerde handwijzers nog verder aan hun lot worden overgelaten en te zijner tijd opgeruimd in het belang van de vooruitgang.

In Zuidoost-Friesland vind je de Delleboersterheide. Onderdeel van een welhaast 1000 hectare groot natuurgebied onder beheer van It Fryske Gea. De Delleboersterheide leent zich perfect voor een zondagmiddagwandeling. Gisteren was mijn eerste bezoek.

Het was mooi zonnig najaarsweer. Hier en daar geen wolkje aan de lucht. Het parkeerterrein stond vol met auto's maar het gebied blijkt groot genoeg om bijna  niemand tegen te komen. Toevallig treffen we een vrijwilliger van It Fryske Gea, compleet met laarzen en verrekijker. Hij kent het gebied als zijn broekzak want heeft er zijn hele leven bij gewoond.

Hij heeft wetenschappers en natuurvorsers uit Wageningen zien komen en gaan, al dan niet met uit te zetten dassen en andere soorten levende have. Daarnaast groot materieel, vooral in de jaren tachtig in opdracht van onder andere gemeente en waterschap. Het had hier naar het schijnt nog veel mooier kunnen zijn. De waterhuishouding is in de jaren tachtig grondig aangetast. Hoogtes en dieptes met de grond gelijk gemaakt. Door het gebied loopt nog steeds de oorspronkelijke beek de Tsjonger maar deze wordt eigenlijk niet meer gevoed zoals voorheen. De huidige Tsjonger loopt kaarsrecht langs het gebied.

Als restant zijn een paar prachtige poelen achtergebleven. De Catspoele staat bekend als walhalla voor Libellen. Je zou er in het Libelleseizoen veertig soorten moeten kunnen ontdekken. Het informatiebord spreekt ook van de Witsnuitlibelle maar deze is al een hele tijd niet meer gespot.

Daarnaast is er een tweede langgerekte en ondiepe poel. We hebben geluk want prompt verschijnen tientallen pony's om te drinken. Het is een prachtig gezicht. Er drijft iets in het water. Het heeft iets weg van een krokodil. Even waan je je als deelnemer aan een safari in een ver en exotisch wildpark. Niets is minder waar. Je bent gewoon op de Delleboersterheide in Zuidoost-Friesland.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

Walma state bestiet al salang, dat nimmen mear wit hoelang. De state stie der al foardat de âlde Middelseedyk oanlein waard. De namme seit it al “Walma state”, in state boud op de wâl (kant) fan de (Middel)see.

De pleats leit yn it deltagebiet fan de Ald Rien, lyk as it neiste buorskip Suderburen. De noardlike ôfsplissing fan de Ald Rien nei de Middelsee wurdt letter kanalisearre. Dit is de Folsgeasteropfeart. In wetterke dat hjirop út komt, is de âlde opfeart nei de pleats. By it oanlizzen fan de âlde Middelseedyk wurdt gebrûk makke fan de terpen dy’t der al binne. Walma State is ien fan de pleatsen op dizze dyk.

Walma state is fan âlds in aadlike state. De state hat fiskrjochten en rjocht op swannejacht. Op âlde kaarten stiet neist de pleats noch in wier. Yn 1511 wurdt der noch in stinsgrêft neamd.

Ut it Register fan oanbring fan 1511 docht bliken dat Epa Ighaz “eijgen geërffd” eigner is en Albert Hoytes pachtboer op de grutste pleats ûnder Folsgara. De buorkerij omfiemet LXXX (80) pûn lân, wêrfan “36 ponden Hooijland, 31 ponden Grasland en 7 ponden Reijdland”. It lân súdlik fan de pleats wurdt it “lege meden” neamd, dêr’t it rijeedmeer (reidmar) leit. It rijeedland (reidlân) leit tsjin de “die grote Rien”. Fierders is der noch “6 ponden saedlant leggende, om ende om op ende an Epas vors. stins graft”. Dizze stinsgrêft omklammet de stinswier en leit tsjin it “saedland” oan.

In oare namme dy’t brûkt wurdt foar stinswier is ‘wijer’. Dizze namme komme wy tsjin yn it Register fan oanbring by de buorman fan Epa Ighaz op Suderburen. Lolla Taekaz is hjir pachtboer en “dije halve huijssteed mijt die halve wijer hoert Epa voer XIV st “. Dat Epa Ighaz is eigner fan de stins op Walma state en besit de helte fan de wijer (wier) op Suderburen. 

Walma state leit net oan in trochgeande rûte. De âlde Middelseedyk is ein 12e iuw foar it grutste part fuortslein troch in stoarmfloed, nei alle gedachten yn 1170.  It rinpaad fan Folsgeare nei Easthim is de iennige lânferbining. It paad is ûngeskikt foar it ferfier fan guod. It is te smel en foar in grut part fan it jier ûnbegeanber. Ferfier oer wetter is de wichtichste ferbining oant yn 1914 de Easthimmerwei oanlein wurdt. Neidat de beweechbere brêge yn Easthim yn 1953 ferfongen wurdt troch in fêste brêge, is it foargoed oer mei it ferfier fan guod oer it wetter.

Op dit plak binne yn 1933 Albert en syn frou Foukje Brink in bakkerij anneks winkel begûn. Op hûsnr. 11 stiet ûnderwyls in oare wenning . “Altyd dy hearlike rook, benammen as der sûkerbôle bakt waard", kaam de buorfrou har yn ’t sin. Troch de wike waarden de bestellingen foar bûtenút thûs besoarge troch soan Hyltje. De bewenners yn it doarp moasten de bôle sels helje, mar krigen dan in stik koarstekoeke as beleanning mei. Dat wie in soarte fan krûdkoeke dêr ’t de bakker de kanten fan ôfsnijde om wei te jaan oan de klanten. It wurdt dêrom ek wol kantkoeke neamd.

De winkel en bakkerij wiene it klopjende hert fan it doarp. Albert en Foukje wiene echte doarpsminsken en stiene altyd iepen foar de minsken fan it doarp. Sa hat Albert Brink him ek moai wat jierren ynset as foarsitter fan doarpsbelang. De bakkerij wie ek in soarte fan doarpsromte: mei sinteklaastiid koe men sjoele en balgoaie yn ’e bakkerij. Dy tradysje giet noch altyd troch, al is it plak feroare. Bakker Brink krige as earste in telefoan. As men belje woe, koe men dêr telâne, of de bakker kaam by dy lâns as der in berjocht foar dy wie. Jo wisten net better, sa groeiden wy op en it koe bêst. It hûs bestie, útsein de bakkerij, út in wenkeamer, in koken-keamer, in sliepkeamer en in winkel. De bern sliepten boppe op ’e souder.

De oven fan de bakkerij waard earstoan ferwaarme troch it ferbaarnen fan hout en turf. Letter waard de oven ferwaarme troch middel fan in oaljebrâner. De oalje waard opslein yn oaljefetten achter de bakkerij. Yn de oarlochsjierren waarden de ruten fan de bakkerij fertsjustere en learden ûnderdûkers de doarpsbewenners it skaken.

Suderburen is in buorskip ûnder it letter stichte Folsgeare. Yn 1700 is de noardlijke buorkerij, 42 pondemaat grut, yn gebrûk by Anske Thomas. De súdlike buorkerij, 25 pondemaat grut, wurdt brûkt troch Dirk Jacobs.  Yn 1708 hawwe beide buorkerijen deselde eigner en brûker. Letter wurde se  gearfoege ta ien grutte buorkerij.

Taeke Jans Westendorp is op 4 july 1797 berne yn Piaam. Hy trout yn 1819 mei Marijke Sibbles van der Werf. Nei harren houlik hiere hja de buorkerij op Suderburen fan Lambertus de Haan en Eeltje de Hengst. Hjir wurdt yn 1820 zoon Jan berne en yn 1823 Sible Taekes.

Marijke kriget yn oktober 1825 in soan dy’t Taeke Taekes neamd wurdt. In direkt gefolch fan de oerstreaming is in grutte útbraak fan syktes. Taeke Taekes wurdt siik en ferstjert yn oktober 1826, ien jier âld. Marijke kriget yn desimber 1826  in jonge dy’t wer Taeke neamd wurdt. Marijke Sibles van der Werf ferstjert op 5 novimber 1828 op 29-jierrige leeftyd. De buorlju Klaas Feddes Breeuwsma en Gorrit Pieters van der Goot fan Walmastate dogge oanjêfte fan har ferstjerren.

Sible Taekes Westendorp, de twadde soan fan Taeke Jans en Marijke Sibles van der Werf, is ien fan de haadpersoanen yn it boek “De Oerpolder” van Hylke Speerstra. Hjiryn wurdt syn libben beskreaun mei syn frou Margaretha Tjebbes Hettinga út Nijlân op de buorkerij Groot Welgelegen yn It Heidenskip.   

Yn 1831/1832 wurdt der troch de eigners in nije pleats delsetten. De âlde  kopromppleats wurdt ferfongen troch in grutte stjelp pleats. Wannear’t Taeke Westendorp op’e nij trout op 5 maart 1832 mei Sipkie Jarigs Meyer, kastleinsdochter fan herberch ‘het Hoogehuis’ út Snits, begjinne hja op in nije pleats. Twa moanne nei it houlik wurdt Geertruida berne en yn 1833 folget Dominicus. De hierpriis fan de nije pleats leit in stik heger as dy fan de âlde. Taeke Jans beslút te ferhúzjen. De húshâlding giet nei Eksmoarre dêr’t yn 1836 Juliana Maria berne wurdt.

De hjoeddeiske tsjerke is fan 1770 en stiet op it stee fan in eardere Romaanske tsjerke. Net dat dizze âlde tsjerke no sa boufallich wie, neffens in tekening út 1723 (J. Stellingwerf), mar miskien moast it klokhûs wol fernijd wurde. Dit stie op in stiennen ferhevenheid tsjin de tsjerke oan. Hjoeddedei stiet it klokhûs los fan ‘e tsjerke. De tsjerke en klokhûs binne no eigendom fan de Stichting Âlde Fryske Tsjerken. Ienkear yn ‘e fjouwer wike is der hjoeddedei yn dizze tsjerke in tsjinst fan de Protestantse Gemeente fan Terkaple.

Eartiids, oan’t en mei de fyfticher jierren fan de 20ste ieu, foarme Goaiïngaryp mei it doarp Broek ien tsjerke gemeente. De dumny wenne yn de pastory te Goaiïngaryp. Wol wiene der twa tsjerken, ien yn Goaiïngaryp en ien yn Broek. De dumny waerd mei in roeiskou, yn waer en wyn, hinne en wer brocht. Dumny preke de iene sneins de moans yn Goaiïngaryp en de oare sneins de middeis yn Broek. Boppe de yngong fan ‘e tsjerke, op it súden, is in stien ynmitsele mei it opskrift: `De eerste steen deser Nieuwe kerke was gelegd door Frans Julius Johan van Eisinga aet 18 Kleinzoon van de heer Grietman Vegelin van Claerbergen`. Vegelin van Claerbergen wie doedestiids grietman fan ‘e grietenij Doniawerstal, wer’t Goaiïngaryp ta hearde. It bysûndere fan dizze nije tsjerke binne de seis brânskildere finsters, makke troch Ype Staak út Snits.

Yn elts finster steane nammen fan bestjoeders en kolleesjes yn ’e provinsje Fryslân en sels dy fan stêdhâlder Willem V. Nijsgjirrich oan dit finster is de hjir yn fermelde spreuk: `Honi soit qui mal i pense`, dy’t docht tinken oan it Ingelske Keningshûs (orde van de Engelse kouseband).

Op it westen fan de tsjerke stiet it klokhûs. Yn ‘e beneficiaal boeken út 1543 wurdt dit klokhûs al neamt. Der is doedestiids jild lient troch it ferkeapjen fan in perseel lân `tot strutuijr ende timmeringhe eens nijeuws klockhuijs`. En hjiryn hinget de swiere Salvatorklok fan 1135 kg, de swierste klok yn in klokhûs yn Fryslân. Dizze klok is, neffens it opskrift op ‘e klok, yn 1527 getten troch Gerardus van Wou út Kampen, in tige ferneamde klokkejitter.

De klok is yn ‘e oarloch troch de Dútsers út it klokhûs helle en opslein yn Giethoorn. Noch kin men de Letter M (de M fan monumint) sjen op ‘e klok. Nei de oarloch is de klok lokkich werom kaem en hinget no wer yn folle glory yn it klokhûs. Yn ‘e tsjerke stiet in hiel âld oerwurk út de sechstjinde ieu, dy’t om it healûre de tiid oanjouwt troch it slaan fan in hammer tsjin de klok. Yn ‘e hele oeren gelyk oan de oeretiid en yn it hjeloere ien slach. Eartiids waerd dit oerwurk twaris deis opwûn troch de skoalmaster en krige yn 1834 hjirfoar 20 goune jiers fan de gemeente Doniawerstal. Letter is dit oernommen troch de koster fan ‘e tsjerke. Hjoeddedei wurdt dit dien troch frijwilligers. De swiere Salvator klok wurdt noch let in oere foar it begjin fan de “preek” en by in begraffenis. En op âldjiersdei. By stil waer is it moaie lûd fan dizze klok fier te hearren oer gea, mar en poel.