FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schrijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Feanwâldsterwal is een prachtig klein dorpje zuidwestelijk van Feanwâlden. De schoonheid van het dorp wordt vooral gekenmerkt door de smalle vaart die naast de hoofdstraat van het dorp "De Wâl" loopt. De aanliggende woningen hebben allemaal een eigen bruggetje.

Waar "De Wâl" overgaat in "It Oare Ein" ligt de kern van het dorp gemarkeerd door een fraaie brug en hotel en eetcafé 't Dûke Lûk. Hier kun je bootjes en kano's huren en dat is niet onlogisch. Feanwâldsterwal ligt namelijk aan de rand van een van de mooiste aaneengesloten kleine natuurgebieden in Friesland, It Butenfjild, De Looden Hel en De Houtwiel. Het laatste natuurgebied is de laatste jaren naar een hoger niveau getild vanwege de aanleg van de Centrale As (N356), de voor het gebied enigszins "oversized" maar o zo gewaardeerde autoweg tussen Nijega en Dokkum. Bij het dorp De Falom is notabene een "luxe" flyover gebouwd zodat flora en fauna ongestoord  kan doorgroeien en doorlopen tot aan het dorp De Westereen.

De aaneengesloten natuurgebieden verklappen het ontstaan van Feanwâldsterwal. Het zijn laagveengebieden en Feanwâldsterwal dankt haar bestaan aan de ontginning van dit laagveen. Al in de 15e eeuw werd dit ontgonnen door de Schiere Monniken afkomstig van de Schierstins in buurdorp Feanwâlden, behorende bij het klooster Claerkamp in Rinsumageest. In latere tijden werd dit zware werk op meer industriële schaal voortgezet door doorgewinterde veenarbeiders uit Giethoorn die naar de Friese veenkolonie kwamen. Zij wisten wel raad met het laagveen en lieten een duidelijk stempel achter op het gebied, én het dorp. Daarom wordt Feanwâldsterwal nu ook wel het "Giethoorn van Friesland" genoemd.

Beide dorpen hebben trouwens nog iets opmerkelijks gemeen, de verdwenen melkfabrieken. In beide dorpen zijn ze ten prooi gevallen aan het toerisme zou je kunnen zeggen. Die van Giethoorn is gesloopt of onherkenbaar tussen restaurants en bootverhuurders. Die van Feanwâldsterwal, genaamd Zuivelfabriek Freia, is steen voor steen afgebroken en opnieuw opgebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Ik zie het als de verloren zoon van Feanwâldsterwal, gelet op de naam Freia zou je wellicht van dochter moeten spreken maar dat onderscheid laat ik aan de lezer.

Het dorp Eastermar ligt ten noorden van Drachten in een prachtig gebied te midden van twee, voor het gebied bijzondere waterpartijen, het Bergumermeer en De Leien. Deze relatief kleine en ondiepe meren zijn grotendeels ontstaan door veenafgravingen en afkalving. Het gebied draagt met trots het predicaat “Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden” (De Noordelijke Friese Wouden).

Toch zal een bezoeker die van de meren heeft genoten zich wellicht afvragen, waar zijn de wouden gebleven? Inderdaad, wouden in de zin van uitgestrekte bossen vind je er niet. In de plaats daarvan vind je een eeuwenoud coulisselandschap. Dit wordt gevormd door talloze boom- en houtwallen die kleinschalige boerenpercelen van elkaar scheiden. Hier en daar kijk je dwars door een aantal van deze boom- en houtwallen heen, de dieptewerking is subliem. Tussen deze coulissen zie je telkens weer een andere voorstelling. Akkerland, graanvelden, weilanden met koeien, paarden, schapen, of misschien wel het mooist, een wisselend kleurenpalet van veldbloemen. De analogie met coulissen en voorstellingen in een theater kan bijna niet treffender.

De boom- en houtwallen worden met regelmaat teruggesnoeid en groeien in enkele jaren daarna weer terug. Aan de oudste exemplaren zie je dit onderhoud terug in decenniaoude grillige stronken en stobben. Ruilverkaveling is aan het gebied voorbijgegaan en dat is maar goed ook. De hout- en boomwallen zijn onaangetast en volgen de oorspronkelijke zandpaden die dorpen als Eastermar, Sumar, Harkema en Drogeham aan elkaar verbonden en nog steeds verbinden. De gemeente heeft zich erbij neergelegd en doet het onderhoud met zorg, verharding is uitgesloten. 

Het enige dat in het historische beeld ontbreekt zijn de karresporen die er ooit in grote hoeveelheden moeten hebben gelegen. Ook verdwenen zijn de talloze plaggenhutten die er moeten hebben gestaan. Het is moeilijk voor te stellen maar tot voor slechts honderd jaar geleden werden plaggenhutten in het gebied gebouwd om in te wonen, ook met grote gezinnen. De bijzondere  geschiedenis van de plaggenhut wordt verteld in Themapark de Spitkeet in Harkema, een aanrader.

Ik heb er een middag doorgebracht en kom snel terug want "Theater" Nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden is 7 dagen per week open en de entree is ook nog eens helemaal gratis!

In Gaasterland heb je aan de IJsselmeerkust een aantal plekken waar je een optimaal uitzicht hebt over het IJsselmeer. Ik denk aan het Mirnserklif bij Mirns, het Oudemirdumerklif bij Oudemirdum en het meest beroemde, het Reaklif bij Warns. Hier vochten de Friezen een legendarische strijd tegen de Hollanders in 1345.

Je vraagt je af waarom je juist hier het mooiste uitzicht hebt over het IJsselmeer. Volgens mij komt dat doordat je bij helder weer nog net de overkant kunt zien. Je ziet de kerktoren van Enkhuizen duidelijk aan de horizon temidden vaag trillende silhouetten van windturbines, bomen en bebouwing. Daarnaast heb je als je naar links kijkt uitzicht op windturbines die de dijk van de Noordoostpolder en Flevopolder aangeven, helemaal tot aan de Maximacentrale bij Lelystad. Aan de rechterkant zie je de windturbines die het einde van de Afsluitdijk markeren, de Afsluitdijk begint wat mij betreft in Friesland maar wellicht zag de geestelijk vader Cornelis Lely dat anders.

Dit panorama heb je vooral omdat het klif je net voldoende meters boven het waterpeil van het IJsselmeer uittilt. Hierdoor kun je over de kromming van de aarde en dus het IJsselmeer heen kijken.

Als je de tijd neemt ga je bijna automatisch mijmeren over wat er allemaal nog meer achter de horizon schuil gaat en achter de toren van Enkhuizen. En juist op dat moment raak je in gesprek met een toevallige voorbijganger. Hij vertelt dat tijdens de tweede wereldoorlog V2’s werden gelanceerd vanuit de bossen van Rijs, bestemming Londen. Deze bossen bevinden zich in Mirns recht achter je.  Veel V2's zouden dienst hebben geweigerd en in het IJsselmeer zijn geplonst.

Ik heb het nagezocht op de kaart. Ze moeten rechts van de Enkhuizer toren zijn gevlogen onderweg naar de Britse hoofdstad. Mijn bezoekjes aan het IJsselmeerpanorama krijgen vanaf nu een extra dimensie.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.

 

Op 22 maaie 1870 trout Sybe Cornelis syn dochter Trijntje mei smidsfeint Lourens Lutgendorff út Snits. Sybe wol dat it jonge stel nei harren houlik in goede start meitsje kin. Hy hat dêrom in oerienkomst sletten mei timmerman Pieter Willems Twijnstra út Folsgeare. Pieter Willems bout oan de Tsjaerddyk in smidderij en Lourens Lutgendorff sil it pân foar teminsten fiif jier hiere, foar in bedrach fan fl 169 yn it jier. Sybe Corenelis Nijdam stiet, as eigner fan in skipmakkerij yn Snits, foar it jonge stel garant.

 

Lourens en Trijntje fêstigje harren neffens plan nei harren houlik oan’e Tsjaerddyk. Lourens Lutgendorff is in tige eigensinnich persoan en hy hat al gau spul mei de tsjerkfâden en oare minsken yn it doarp. Nei fiif jier hat Lourens Lutgendorff it dan ek wol besjoen yn Folsgeare en keapet hy de smidderij fan Ynte Roode yn Makkum.

Timmerman Pieter Willems Twijnstra giet fuort út Folsgeare en wurdt boer yn Abbegea. Hy wol ôf fan’e smidderij en set de saak te keap. Hendriekus Monkel, stedsomropper út Snits, bringt in bod út fan fl 1661, - . Dit bod wurdt ôfwezen en it pân wurdt út de ferkeap helle. Nei it fertrek fan  Lourens Lutgendorff  yn maaie 1875, komt Albert de Hond as nije hierder yn it bedriuwspân foar in termyn fan twa jier. Hy betellet in oansjenlik leger hierbedrach fan fl 140, - yn it jier. Twijnstra wol dochs fan it pân ôf en yn 1876 komt it wer te keap. Petrus Jentjes Greydanus, bouboer yn Easthim, wurdt foar fl 1740, - de nije eigner.

 


Uit het dorpsarchief van Easterein

Onderstaande vensters komen uit het in opbouw zijnde dorpsarchief van Easterein. Kijk op https://easterein.argyf.nl voor een indruk van dit dorpsarchief.

Augustus 1970. L.C.  Rubryk: Ut de lapekoer fan DM van der Woude

Stâlhâlderij en Kafé to Easterein

Inkele wiken forlyn ha ik hwat forteld oer it Eastereiner kafé dat nou krekt sechstich jier troch de famylje Bergsma biwenne is. Dy famylje hat der ek altyd buorkerij en stalhalderij by bidreaun. Bij  de noutiidske generaesje Bergsma libje noch hiel hwat forhalen en siskes ut earder en letter tiid. Hwant yn dizze dûbele affearen hat him fansels hiel hwat ôfspile omdat men it altyd wer mei minsken to dwaen hie.

Deis hiel hwat drokte mei de stalhalderij, de riderij en bygelyks sneins under tsjerketiid in protte hynders yn ’e skuorre. Dat wie fansels yn ’e tiid dat noch net elke boer in auto hie.

Treinstasjon Boazum

Ik skreau al dat doe’t de trein noch to Boazum stoppe in Bergsma hûnderten kearen in sjoutsje hie mei lju út ’e buert nei dat stasjon.

Men hie ûnderskate weinen biskikber: in seis-mans; in brikje en in koupé. Foar twa kwartsjes de man makken de reizigers de reis nei Boazum. Fansels ried men ek wol nei oare plakken hwert’ in klant mar hinne moast. Mar Boazum wie dochs meast it doel. As it hurd waeide kaem in swiere stien of in sek moal under yn ’e wein, sadat men net fan de hege Boazumer dyk ôfwaeije soe.

It hat ris west dat Lammert Krips, de doe forneamde Wommelser foardrager, as passagier yn ’e wein siet. De riders wiene let en doe ’t se by it stasjon kamen sieten de bomen al ticht. Krips gau biret sprong út ’e wein hipte oer de bomen en gyng de trein tomjitte Hy swaeide nei de machinist en róp nochal koartswilich en de man miste it net : "Ho ho dizze mynhear moat ek noch mei, en hy kaem noch mei! It wie in sterk stikje mar Krips doarst wol hwat oan, En .... de tiden wiene hwat gemoedliker en de treinen sa hastich net.

Mei dûmny op paed

Yn ’e oarloch wie Jelle Bergsma wer bigoun mei stalhalderij en hy hie in aerdich brikje hwer’t de passagiers oan ’e efterkant ynstappe moasten. De koupé sille wy mar sizze wie ófsluten fan it foarstel Der hearde in moai swart hynstetuech by dat nou just net al to best mear wie. Dat die bliken doe’t ik ris in domeny fan ’e trein to Snits helje moast, fortelde Bergsma. Hy moast nei in alderlingboer by lens. Ik ried oer Hinnaerd en alles gyng best. Domeny hie it foarrútsje sakje litten, sadwaende koene wy hwat prate hjir en der oer. Wy seagen de buorkerij bij lens al stean doe ’t wy noch oer de hege Spykstertille moasten. Der by op dat gyng knap, mar wy moasten der ek wer by del. Dat kaem to folie op de broek fan it hunder oan en de hiele saek rekke stikken. It gong even raer mar ik hold it beest noch. Domeny wie deabinaud en woe gau út ’e brik stappe mar hy wist net hoe ’t er der yn kommen wie. Doe ’t it spul einlings stie seach ik him mei ien skonk ta de foarrút út stykjen It wie in formakelik gesicht Ik ha him efkes holpen mar domeny woe it lêste eintsje mar leaver rinne

Noch in forhaeltsje oer in koetsier en in domeny. Binammen by wreed waer moast men gauris op ’en paed. Sa krige in koetsier by stoarm en ûntij in domeny ta klant. Hy hie himsels foartiid al hwat moed yndronken. Doe ’t se goed en wol to plak wiene sei domeny mei in lange sucht fan forlichting "Wat ben ik bang geweest". Mar de koetsier blykber bibelfêst en noch wol goed by ’t spul antwurdde by de noas lans "Waarom hebt gij gewankeld gij kleingelovige"

Drok yn't bûthús

Yn it bûthûs fan de Kafé-buorkerij koe it ófgryslik gesellich wêze. Hwa’t neat om hannen hie trape der graech ris hinne. Soms sieten en stiene wol in fyftsjin misken op en by de bûthúsbank. As de flier dan hwat biroun wie en flak, wie dy in ideael plak foar sintesmiten; hwa’t it tichtst by de streek goaije koe. Men hie dan waermte en wille tagelyk. In aldman yn dit formidden sei gauris: " ik wit net hoenear ik libje moat, Froeger seine se tsjin my hwat soe dy snotnoas der fan witte, en nou hwat soe dy aldkearel der fan witte".  Men hie sokke jounen ek tiid foar wedderijen, bygelyks hoenear in kou kealje soe. Foar of nei 12 ûre. It gong dan om in healmingel jenever. Dy woe der by allegearre wol yn, der moast dochs ien bitelje en hwat koe it skele hwa!

Domeny leaude it wol

It kaem froeger foar dat Jan Bergsma ynfoel foar de lykkoetsrider dy ’t op ’e Kliuw wenne Sa moast er ris mei de boade Hindrik de Vries nei Súdlaren hielendal om it lyk fan in alde frou op to heljen dy ’t yn Easterein to hof brocht wurde soe. Lykauto’s koe men noch net en it soe in lange rit wurde fan twa dagen en twa nachten. It hearde sa dat de wein de hiele reis stapfoets ried mar hoenear kaem men dan oan. Op ’e bütenwegen en yn ’e nacht gyng de swipe der dan ek oer mar troch de doarpen rieden se plechtich-kalm. Doe ’t men middernacht yn Easterein kaem waerd de koets fluch yn ’e trochreed riden Troch de minne diken en it hurde riden moast Hindrik it aldminske earst al efkes torjochte lizze. Mar foartiid hiene de mannen fansels al in dripke op.

Stamgasten

Elk kafe hat stamgasten dy ’t gauris by deselde tafel sitten geane op deselde oere en altyd deselde drank brûke. Der wiene soms ek tipen by. In boer bg dy’t op hwat fremde wize syn konsumpsjes telde. Hy makke de poat fan syn romer wiet en sette der dan rountsjes mei op ’e tafel. Der kamen ek in pear lytse boeren dy ’t net folie fordrage koene. Under it genot fan harren drankje waerden se njonkelytsen noch lytser en gyngen letterlik ûnder de tafel Der wiene (en binne altyd noch lju dy ’t slij nei in slokje binne mar it foar in oar net witte wolle. Sa hiene de Bergsina’s froeger klanten dy ’t de drank yn in lyts petroaljekantsje hellen

Hupsake

In Wommelser boer kaem hast altyd op syn hynder Hy wie lyts fan stik en ried op in moaije skimmel. Dy waerd yn de skuorre set en dan gyng de man de herberge yn. Hy krige wol it nedige om syn toarst to bidimjen. As er genóch hie moast er mei syn koarte poatsjes wer op ’e skimmel hyst wurde. Nou de jonges fan ’e kastelein woene wol helpe die wiene meast ek net fier ôf. It wie lykwols mar in lyts kunstke om him dan in ekstra setsje to jaen sadat it mantsje der oan ’e oare kant wer ôfglied. Dy pesterij moast fansels net to lang duorje. Mar de nedige wille brocht it wol.

Fan broeijen en dollen

Doe ’t Jan Bergsma yn de herberge kaem, in sechstich jier lyn krige hy in goede rie fan de heakeapmen Sobel út Jorwert. It wie wol bikend dat yn de skuorre faek dold wurde moast omdat it in broeinest wie. "Wolst net wer dolle Jan"."Leaver net fansels". "Dan moast allinne de kanten opsette yn it midden bliuwt genôch lizzen"Dy rie is opfolge en yn sechstich jier is der noait wer dold.

Der soe ek noch wol hwat to fortellen wêze oer ’t trochsmarren fan ’e branspuit dy ’t ek by it kafe stiet mar dat Is einliks bûten it bidriuw. By dat feest waerden yn it kafe de misken fansels fiks trochsmard lyk as de spuit dêr bûten.

It Molkfabryk

Yn de oantekens fan de tsjerkfaldij gearkomste fan 23 desimber 1896 stiet: 'Schrijven van aanvraag der voorlopige cie de heren A.R. Sybrandy (1855- 1928), P.Y. van der Valk (1867-1926), Jelle Bouma, Y.J. Heeg (1868-1952) en P.K.Vellinga (1863-1930) om grond tot bouwing eener op te richten Coöp. Stoomzuivelfabriek en geldelijke steun der kerkvoogdij. Kerkvoogden stellen voor om grond af te staan aan de Seberievaart thans in gebruik bij PA . van der Valk tegen een jaarlijkse grondpacht van f 50 per 36 3/4 are. Toegestaan met deze voorwaarde om zo.mo. van 8 uur tot middags 4 uur niet te mogen werken in en op de fabriek.'

Earste Bestjoer

It earste bestjoer en rie fan kommissarissen be­stienen út: Direkteur F.W. Anema (1879- 1942). Bestjoer: A.R. Sybrandy (1855-1928), Y.J. Heeg (1868-1952) en M.Y.Sjaarda (1864- 1929). D. de Gavere (1867-1923) De commis­sarissen wiene: K.J. van Gosliga (1864-1921), H.R. Jonkman (1871- 1941) en S.J. Timmenga (1849-1936).

Besletten waard dat nei tsien jier it bestjoer it rjocht hie de grûnpacht ôf te keapjen. Der hat sels eefkes sprake fan west dat de tsjerkfâlden mei-oprjochters wurde soene, mar dat gie net troch.

De direkteuren dy't lieding oan it bedriuw joe­gen wiene:

Fan 1897 oant 1908: Arjen Rienks (1871- 1950) troud mei Antje Sinnema (1872-1905), letter mei Simkje Bottema (1874-1957); kommen fan Haren en gien nei Langwar;

Fan 1908 oant 1941: Fokke Wiggeles Anema (1879-1942), troud mei Trijntje Wouters Hielkema (1877-1936); kommen fan Betterwird en troch sykte út it wurk rekke;

Fan 1939 oant 1941: Broer Voolstra (1914-) en Roelofje Woudstra (1913-); kommen fan Raerderhim en gien nei De Haach;

Fan 1941 oant 1965: Johannes Sijtsema (1908-), troud mei Grietje de Vries (1909-1995); kommen fan Skylge en gien nei 't Hearrenfean.

De neifolgjende assistint direkteuren tsjinnen de fabryk:

Fan 1906 oant 1908: Folkert Brandsma (1888-); kommen fan Dalfsen en gien nei Oene;

Fan 1907 oant 1908: Rudolf Dijkstra (1882-); kommen fan Stiens en gien nei Makkingea;

Fan 1908 oant 1912: Tjitze Riedstra (1885-), troud mei Rigtje Westra (1884-); kommen fan Betterwird en gien nei De Rottevalle.

Fan 1912 oant 1912: Oene Sijperda; kommen fan ….. en gien nei Marssum.

Fan 1912 oant 1913: Jacob Jans Visser (1889-) kommen fan Deinum en gien nei Bierum.

Fan 1916 oant 1917: Jan Timmerman (1887-), troud mei Ruurdtje Fopma (1888-), kommen fan Baerderadiel en gien nei Nijehoarne.

Fan 1917 oant 1918: Johannes Pieter Roodzand (1890-), kommen fan Balk en gien nei Wormerveer.

Fan 1918 oant 1919: Johan Christiaan Geertsma (1895-), kommen fan Arnhim en gien nei Ljouwert.

Fan 1920 oant 1921: Eltje Kamminga (1894-), troud mei Henderika van der Woude (1899-); kommen fan Grou en gien nei Haarloo.

Fan 1921 oant 1954: Durk Harmens de Boer (1897-1954 . troud mei Pietje Martens Kingma (1904-1973); kommen fan Hilaerd (Hoptille). Hja wennen oan de Hidaarderdyk, no Wynserdyk nr. 14 en oan de Wommelserdyk, no Van Eysingaleane nr 9.

Fan 1954 oant 1955. Jouke van Wieren (*1926); kommen fan Esd en gien nei Havelte.

Fan 1955 oant 1956: Ane van der Meer (*1930); kommen fan Boalsert en gien nei Formerum op Skylge.

Fan 1956 oant 1961: Tjeerd Boskma (*1928), troud mei Trijntje Jacobi (*1931); hja wennen yn Easterein yn de Andries Joustrastrjitte nr. 14; fertein nei Gorichem.

Fan 1961 oant 1964: Harmen Eizenga (*1929) ; troud mei Mintje Wagenaar (*1933); hja wennen oan de Wynserdyk nr. 22 en binne yn 1965 nei Wommels ferhuze.

 

Wurkgelegenheit

It molkfabryk joech yn it earstoan wurk oan sa'n 15 man. Letter hat dat tal him gans útwreide.

De measte boeren brochten yn it earst har molke sels nei 't fabryk. Dat feroare al gau; doe kamen de molkfarders en de molkriders.

De Molkfarders en molkriders

Wy neame har nammen:

Andries Wisse (1890-1957)) en hjelbroer Jacob (Jabik) Namminga (1886- 1973) fan Reahûs, Harm Kamstra (1883-1967), Minne Tjalsma (1926-1992), Rein Strikwerda (1913-1984), Yme Zijlstra (*1923), Fedde Dijkstra 1869- 1939), Sietze Ykema (1899-1991), Rinse Siesling (1883-1975); (Siesling krige it foarinoar en syl mei de molkboat fan it fabryk nei de buorren ta, in echte skip­per!) Yde Sijszeling (1913-1980) en soan Andries Sijszeling (*1940), Germ Strikwerda (1913-1987), Haye Groustra (*1925), Simon Bloemhof (1891- 1976), Feike Bosschma (1902-1985), Marten Stilma (*1910), en syn heit Job Stilma (1881-1952), Sjuk Sandstra (1898-1966), Johannes Santema (1896- 1962), Harke Kamstra (1917-1975), Jentje Jorritsma (*1924).

....en ieder had zijn eigen lied... (Herman van Veen)

Frou W. de Jong-Brandsma fertelt dat yn de tiid dat hja by Yde Minnes Sjaarda (1889-1968) wenne, yn de iere hoare simmermoarn hja yn de fierte Andrys en Jabik mei de molkboat oan kommen hearre koe. Jabik luts de boat en Andrys song it heechste liet.

'Net faak ha ik sok moai sjongen heard’.

It docht tin­ken oan it ferske fan Herman van Veen:

'Hilversum 3 bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem, op elke steiger klonk een lied, van Paljas of Jeruzalem.' 

 Molkjild ophelje

Sneons hellen de boeren, yn it swarte pak, sels it molkjild op. Hja giene dan ek, as it nedich wie, by de smid of timmerman lâns om saken te regeljen.

Smid Elzinga oan de Hidaerderdyk en letter oan de Foarbuorren (op it Plein) liet dêrom sneons it boereark bûten sette, dan koene de boeren útsykje dêi t se gading oan makken. Elzinga brocht in pear kear yn 't jier ark nei it terrein by it fabryk. Dat wie dan sa'n soarte fan lytse eksposysje fan wat er te keap hie.

Kûpers

Der wiene twa kûpers yn it doarp. Sjoerd Dooitzen van der Zee (1861-) wenne op 'e achterbuorren yn it hûs It Skilplein nr. 17, neist bakker Dantuma. De oare wie Okke (kûper) Oosterhout (1850-1935), dy't op 'e Pôlehoeke wenne, Skoallestrjitte nr. 12, dêr't letter Yme Zijlstra (*1923) wennet. Beide kûpers makken bûtertûnen foar it molkfabryk fan Easterein en Wommels.

Sneinsrêst

Sneintemoarns en jûns waard de molke wol nei it fabryk tabrocht, mar waard dan net ferwurke.

Elektriciteit

P. Hoekstra skriuwt ek oer it 'nije Ijocht': 

'We kregen ook electrisch licht in het dorp. Het juiste jaartal weet ik niet meer, maar het zal 1917 of 1918 geweest zijn. De stroom kwam eerst van de melkfabriek. Tien uur 's avonds werd dan het licht uitgedaan, eerst een kleine waarschuwing door de stroom even uit te schakelen. Voor bijzondere gelegenheden werd tot 12 uur stroom geleverd.'

De stoommasine mei in generator wekke de gelykstream op. Dy waard opslein yn grutte batterijen. 

Bang voor schadelijke invloed ‘socialisten’

Ut de oantekens fan de tsjerkfadijgearkomste fan 12 febrewaris 1926:

'Het ligt volgens Noordmans geheel op den weg van den directeur en bestuur onzer fabriek voor inhaling van sommige elementen in de fabriek te waken, met name het socialistisch element, waarvan een schadelijken invloed uitgaat.

Ut de oantekens fan de tsjerkfadijgearkomste fan 1939:

De heer Strikwerda heeft de kwestie van de personeelsbenoemingen aan de Coop. Zuivelfabriek in de vergadering dezer Coop. ter sprake gebracht, waarna door het bestuur is toegezegd daaraan aandacht te schenken.

Suvelferfier.

Kapteins fan de Eastereinder boat fan it fabryk dy't mei bûter en tsiis elke freed nei Ljouwert fearen, wiene Sjoerd Visser (1876-1942) en Foeke Wijnia (1895-1965).

Fabrykswenten

By it fabryk, oan de noardeastkant stiene tsjinstwenten foar fabryksarbeiders. Yn it huzekompleks wie plak foar fjouwer húshaldings. Linksfoar: de bûtermakker, dêrneist de masinist, dêrachter de tsiismakker en dêrneist de sintrifugist.

De earste bewenners fan dizze huzen wienen yn 1897:

-        bûtermakker Sipke Tinga (1863-1906), troud mei Pierkje de Jong (1863-);

-        masinist Klaas Tuininga (1873-) troud mei Sjoerdje Wijma (1873-);

-        tsiismakker Sjouke Tolsma (1871-1935) troud mei Jantje Bergsma (1875-);

-        sintrifugist Obbe Terpstra (1851-), troud mei Dieuwke Stiensma (1857-);

Fan de oare bewenners neame wy:

-        bûtermakker Marten Vierstra (1874-1953) en Nieske Feenstra (1876-1956);

-        sintrifugist Hans Reitsma (1890-1979), troud mei Dirkje Tolsma (1891-1975)

-        masinist Fokke van der Tol (1898-1967), troud mei Wypkje de Jong (1900- 1979);

-        tsiismakker Siebe Hoitinga (1908-1983), troud mei Wijtske Postma (*1913)

-        bûtermakker (1912-), troud mei Trijntje de Vries (1915-);

-        bûtermakker Gerben Okkinga (1912-1990) , troud mei Liskje Hiemstra (*1916). Gerben en Lys wiene de alden fan de ferneamde earste klas-keatser ut de sechtiger jierren Gerrit Okkinga (*1941).

 

Bûterfabryk sluten.

Nei 67 jier hat it fabryk op 19 desimber 1964 de lêste molke ferwurke. De feriening gie op yn it grutter gehiel fan de koöperative suvelyndustry 'De Terpen', dy't in kombinaasje wie fan de fabriken yn Easterein, Skearnegoutum, Wiuwert en Wommels. It hie fan gefolgen dat ek it fabryk fan Wiuwert sletten waard. 

Direkteurswente

Nei it sluten fan it bûterfabryk waard de direkteurswente bewenne troch:

Anne Rinsma (*1915-) en syn frou Catharina Schippers (*1914); Hja kamen hjir yn 1966 en binne yn 1973 nei Deinum ferfearn.

In jier letter kamen hjir Pier van der Velde (*1944) en syn frou Janna Hogen­dorp (*1946). Letter binne hjir soan Simon van der Velde mei syn frou Sieta kommen te wenjen.