FrieslandBlog

Onderstaande vensters komen van FrieslandBlog. Wilt u ook schrijven over Friesland, meld u dan aan via het contactformulier.

Feanwâldsterwal is een prachtig klein dorpje zuidwestelijk van Feanwâlden. De schoonheid van het dorp wordt vooral gekenmerkt door de smalle vaart die naast de hoofdstraat van het dorp "De Wâl" loopt. De aanliggende woningen hebben allemaal een eigen bruggetje.

Waar "De Wâl" overgaat in "It Oare Ein" ligt de kern van het dorp gemarkeerd door een fraaie brug en hotel en eetcafé 't Dûke Lûk. Hier kun je bootjes en kano's huren en dat is niet onlogisch. Feanwâldsterwal ligt namelijk aan de rand van een van de mooiste aaneengesloten kleine natuurgebieden in Friesland, It Butenfjild, De Looden Hel en De Houtwiel. Het laatste natuurgebied is de laatste jaren naar een hoger niveau getild vanwege de aanleg van de Centrale As (N356), de voor het gebied enigszins "oversized" maar o zo gewaardeerde autoweg tussen Nijega en Dokkum. Bij het dorp De Falom is notabene een "luxe" flyover gebouwd zodat flora en fauna ongestoord  kan doorgroeien en doorlopen tot aan het dorp De Westereen.

De aaneengesloten natuurgebieden verklappen het ontstaan van Feanwâldsterwal. Het zijn laagveengebieden en Feanwâldsterwal dankt haar bestaan aan de ontginning van dit laagveen. Al in de 15e eeuw werd dit ontgonnen door de Schiere Monniken afkomstig van de Schierstins in buurdorp Feanwâlden, behorende bij het klooster Claerkamp in Rinsumageest. In latere tijden werd dit zware werk op meer industriële schaal voortgezet door doorgewinterde veenarbeiders uit Giethoorn die naar de Friese veenkolonie kwamen. Zij wisten wel raad met het laagveen en lieten een duidelijk stempel achter op het gebied, én het dorp. Daarom wordt Feanwâldsterwal nu ook wel het "Giethoorn van Friesland" genoemd.

Beide dorpen hebben trouwens nog iets opmerkelijks gemeen, de verdwenen melkfabrieken. In beide dorpen zijn ze ten prooi gevallen aan het toerisme zou je kunnen zeggen. Die van Giethoorn is gesloopt of onherkenbaar tussen restaurants en bootverhuurders. Die van Feanwâldsterwal, genaamd Zuivelfabriek Freia, is steen voor steen afgebroken en opnieuw opgebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Ik zie het als de verloren zoon van Feanwâldsterwal, gelet op de naam Freia zou je wellicht van dochter moeten spreken maar dat onderscheid laat ik aan de lezer.

Het dorp Eastermar ligt ten noorden van Drachten in een prachtig gebied te midden van twee, voor het gebied bijzondere waterpartijen, het Bergumermeer en De Leien. Deze relatief kleine en ondiepe meren zijn grotendeels ontstaan door veenafgravingen en afkalving. Het gebied draagt met trots het predicaat “Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden” (De Noordelijke Friese Wouden).

Toch zal een bezoeker die van de meren heeft genoten zich wellicht afvragen, waar zijn de wouden gebleven? Inderdaad, wouden in de zin van uitgestrekte bossen vind je er niet. In de plaats daarvan vind je een eeuwenoud coulisselandschap. Dit wordt gevormd door talloze boom- en houtwallen die kleinschalige boerenpercelen van elkaar scheiden. Hier en daar kijk je dwars door een aantal van deze boom- en houtwallen heen, de dieptewerking is subliem. Tussen deze coulissen zie je telkens weer een andere voorstelling. Akkerland, graanvelden, weilanden met koeien, paarden, schapen, of misschien wel het mooist, een wisselend kleurenpalet van veldbloemen. De analogie met coulissen en voorstellingen in een theater kan bijna niet treffender.

De boom- en houtwallen worden met regelmaat teruggesnoeid en groeien in enkele jaren daarna weer terug. Aan de oudste exemplaren zie je dit onderhoud terug in decenniaoude grillige stronken en stobben. Ruilverkaveling is aan het gebied voorbijgegaan en dat is maar goed ook. De hout- en boomwallen zijn onaangetast en volgen de oorspronkelijke zandpaden die dorpen als Eastermar, Sumar, Harkema en Drogeham aan elkaar verbonden en nog steeds verbinden. De gemeente heeft zich erbij neergelegd en doet het onderhoud met zorg, verharding is uitgesloten. 

Het enige dat in het historische beeld ontbreekt zijn de karresporen die er ooit in grote hoeveelheden moeten hebben gelegen. Ook verdwenen zijn de talloze plaggenhutten die er moeten hebben gestaan. Het is moeilijk voor te stellen maar tot voor slechts honderd jaar geleden werden plaggenhutten in het gebied gebouwd om in te wonen, ook met grote gezinnen. De bijzondere  geschiedenis van de plaggenhut wordt verteld in Themapark de Spitkeet in Harkema, een aanrader.

Ik heb er een middag doorgebracht en kom snel terug want "Theater" Nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden is 7 dagen per week open en de entree is ook nog eens helemaal gratis!

In Gaasterland heb je aan de IJsselmeerkust een aantal plekken waar je een optimaal uitzicht hebt over het IJsselmeer. Ik denk aan het Mirnserklif bij Mirns, het Oudemirdumerklif bij Oudemirdum en het meest beroemde, het Reaklif bij Warns. Hier vochten de Friezen een legendarische strijd tegen de Hollanders in 1345.

Je vraagt je af waarom je juist hier het mooiste uitzicht hebt over het IJsselmeer. Volgens mij komt dat doordat je bij helder weer nog net de overkant kunt zien. Je ziet de kerktoren van Enkhuizen duidelijk aan de horizon temidden vaag trillende silhouetten van windturbines, bomen en bebouwing. Daarnaast heb je als je naar links kijkt uitzicht op windturbines die de dijk van de Noordoostpolder en Flevopolder aangeven, helemaal tot aan de Maximacentrale bij Lelystad. Aan de rechterkant zie je de windturbines die het einde van de Afsluitdijk markeren, de Afsluitdijk begint wat mij betreft in Friesland maar wellicht zag de geestelijk vader Cornelis Lely dat anders.

Dit panorama heb je vooral omdat het klif je net voldoende meters boven het waterpeil van het IJsselmeer uittilt. Hierdoor kun je over de kromming van de aarde en dus het IJsselmeer heen kijken.

Als je de tijd neemt ga je bijna automatisch mijmeren over wat er allemaal nog meer achter de horizon schuil gaat en achter de toren van Enkhuizen. En juist op dat moment raak je in gesprek met een toevallige voorbijganger. Hij vertelt dat tijdens de tweede wereldoorlog V2’s werden gelanceerd vanuit de bossen van Rijs, bestemming Londen. Deze bossen bevinden zich in Mirns recht achter je.  Veel V2's zouden dienst hebben geweigerd en in het IJsselmeer zijn geplonst.

Ik heb het nagezocht op de kaart. Ze moeten rechts van de Enkhuizer toren zijn gevlogen onderweg naar de Britse hoofdstad. Mijn bezoekjes aan het IJsselmeerpanorama krijgen vanaf nu een extra dimensie.


Uit de dorpscanons

Onderstaande vensters komen uit diverse historische canons die ontwikkeld worden op www.dorpscanon.nl

Op deze plek zijn in 1933 Albert en zijn vrouw Foukje Brink een bakkerij annex winkel begonnen. Op huisnr. 11 staat inmiddels een andere woning. “Altijd die heerlijke geur, vooral als er suikerbrood werd gebakken", herinnert een buurvrouw zich. Doordeweeks werden de bestellingen voor `bûtenùt` aan huis gebracht door zoon Hyltje. De inwoners in het `doarp` moesten het brood zelf halen, maar kregen dan wel als beloning een stuk `koarstekoeke` mee. Dit was een soort kruidkoek, waar de bakker de kanten van afsneed om weg te geven aan de klanten. Het werd daarom ook wel `kantkoek` genoemd.

De winkel en bakkerij waren het kloppend hart van het dorp. Albert en Foukje waren echte dorpsmensen en stonden altijd klaar voor de mensen van het dorp. Zo heeft Albert Brink zich ook vele jaren ingezet als voorzitter van Plaatselijk Belang. De bakkerij was ook een soort `doarpsromte`: met sinterklaas kon men sjoelen en ballengooien in de bakkerij. Deze traditie wordt nog steeds voortgezet, alleen is de plek veranderd.

Bakker Brink kreeg als eerste een telefoon. Als je wilde bellen kon je daar terecht, of de bakker kwam bij je langs als er een bericht voor je was. Je wist toen niet beter, zo was je opgegroeid en het werkte prima. Het huis bestond uit behalve de bakkerij, een woonkamer, een woonkeuken, een slaapkamer en een winkel. De kinderen sliepen boven op zolder.

De oven van de bakkerij werd in de beginperiode verwarmd door het verbranden van takken en turf. Later werd de oven verwarmd door middel van een oliebrander. De olie daarvoor werd opgeslagen in olievaten achter de bakkerij. In de oorlogsjaren was de bakkerij verduisterd en leerden onderduikers de dorpsbewoners schaken.

 

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.


Uit het dorpsarchief van Easterein

Onderstaande vensters komen uit het in opbouw zijnde dorpsarchief van Easterein. Kijk op https://easterein.argyf.nl voor een indruk van dit dorpsarchief.

Maart 1996, Concours CBMF in  Drachten 303 punten, in de Eerste afdeling 1e prijs met promotie o.l.v. Marten van der Wal

·        ‘Convergents’ van F. Cesarini  en

·        ‘Seagate Ouverture’ van J. Swearingen

(gjin foto)

Juli 1997, Wereld Muziek Concours in Kerkrade, 303 punten, 1e prijs o.l.v. Marten van der Wal.

·        Music for a Festival van Philip Sparke (arr. Marten v.d. Wal)

·        Delisches Tanzspiel, van Franz Köningshöfer

·         

( foto Durkje en Marten via app) Voorzitter Durkje van der Eems en dirigent Marten van der Wal nemen de prijzen in ontvangst.

De scan fan it kranteartikel is net dúdlik. Derom doch ik de kleurfoto der ek by. Dizze is makke yn Us gebou.

Goed te sjen binne:

Willem Veninga, Attie de Boer, Doutsje Brouwer en Ruurdtje Meulenaar.

Meskien kinst út it artikel oer Doutsje de oorkonde en/of penning helje. Of is it hiele stikje leuk?? Sjoch scan.

Juli 1999, Concours in Rastede (D) 97,5 punten, 1e prijs met Lof

Dirigent: Marten van der Wal

·        A Northern Celebration van Leon Vliex

·        Overture: To a New Age van Jan de Haan

Grote overzichtsfoto zie scan hieronder.

Maart 2000, Concours CBMF in Drachten 83,08 punten, 1e prijs

Dirigent: Marten van der Wal

Koraal: Lied 459

·        Banja Luka van Jan de Haan

·        Overture: To a New Age van Jan de Haan

Juli 2001, Wereld Muziek Concours in Kerkrade 90, 55 punten, 1e prijs met promotie

·        Hymnus van Andrew R. Mackereth

·        The Land of Wind and Water van Jan de Haan

Augustus 1970. L.C.  Rubryk: Ut de lapekoer fan DM van der Woude

Stâlhâlderij en Kafé to Easterein

Inkele wiken forlyn ha ik hwat forteld oer it Eastereiner kafé dat nou krekt sechstich jier troch de famylje Bergsma biwenne is. Dy famylje hat der ek altyd buorkerij en stalhalderij by bidreaun. Bij  de noutiidske generaesje Bergsma libje noch hiel hwat forhalen en siskes ut earder en letter tiid. Hwant yn dizze dûbele affearen hat him fansels hiel hwat ôfspile omdat men it altyd wer mei minsken to dwaen hie.

Deis hiel hwat drokte mei de stalhalderij, de riderij en bygelyks sneins under tsjerketiid in protte hynders yn ’e skuorre. Dat wie fansels yn ’e tiid dat noch net elke boer in auto hie.

Treinstasjon Boazum

Ik skreau al dat doe’t de trein noch to Boazum stoppe in Bergsma hûnderten kearen in sjoutsje hie mei lju út ’e buert nei dat stasjon.

Men hie ûnderskate weinen biskikber: in seis-mans; in brikje en in koupé. Foar twa kwartsjes de man makken de reizigers de reis nei Boazum. Fansels ried men ek wol nei oare plakken hwert’ in klant mar hinne moast. Mar Boazum wie dochs meast it doel. As it hurd waeide kaem in swiere stien of in sek moal under yn ’e wein, sadat men net fan de hege Boazumer dyk ôfwaeije soe.

It hat ris west dat Lammert Krips, de doe forneamde Wommelser foardrager, as passagier yn ’e wein siet. De riders wiene let en doe ’t se by it stasjon kamen sieten de bomen al ticht. Krips gau biret sprong út ’e wein hipte oer de bomen en gyng de trein tomjitte Hy swaeide nei de machinist en róp nochal koartswilich en de man miste it net : "Ho ho dizze mynhear moat ek noch mei, en hy kaem noch mei! It wie in sterk stikje mar Krips doarst wol hwat oan, En .... de tiden wiene hwat gemoedliker en de treinen sa hastich net.

Mei dûmny op paed

Yn ’e oarloch wie Jelle Bergsma wer bigoun mei stalhalderij en hy hie in aerdich brikje hwer’t de passagiers oan ’e efterkant ynstappe moasten. De koupé sille wy mar sizze wie ófsluten fan it foarstel Der hearde in moai swart hynstetuech by dat nou just net al to best mear wie. Dat die bliken doe’t ik ris in domeny fan ’e trein to Snits helje moast, fortelde Bergsma. Hy moast nei in alderlingboer by lens. Ik ried oer Hinnaerd en alles gyng best. Domeny hie it foarrútsje sakje litten, sadwaende koene wy hwat prate hjir en der oer. Wy seagen de buorkerij bij lens al stean doe ’t wy noch oer de hege Spykstertille moasten. Der by op dat gyng knap, mar wy moasten der ek wer by del. Dat kaem to folie op de broek fan it hunder oan en de hiele saek rekke stikken. It gong even raer mar ik hold it beest noch. Domeny wie deabinaud en woe gau út ’e brik stappe mar hy wist net hoe ’t er der yn kommen wie. Doe ’t it spul einlings stie seach ik him mei ien skonk ta de foarrút út stykjen It wie in formakelik gesicht Ik ha him efkes holpen mar domeny woe it lêste eintsje mar leaver rinne

Noch in forhaeltsje oer in koetsier en in domeny. Binammen by wreed waer moast men gauris op ’en paed. Sa krige in koetsier by stoarm en ûntij in domeny ta klant. Hy hie himsels foartiid al hwat moed yndronken. Doe ’t se goed en wol to plak wiene sei domeny mei in lange sucht fan forlichting "Wat ben ik bang geweest". Mar de koetsier blykber bibelfêst en noch wol goed by ’t spul antwurdde by de noas lans "Waarom hebt gij gewankeld gij kleingelovige"

Drok yn't bûthús

Yn it bûthûs fan de Kafé-buorkerij koe it ófgryslik gesellich wêze. Hwa’t neat om hannen hie trape der graech ris hinne. Soms sieten en stiene wol in fyftsjin misken op en by de bûthúsbank. As de flier dan hwat biroun wie en flak, wie dy in ideael plak foar sintesmiten; hwa’t it tichtst by de streek goaije koe. Men hie dan waermte en wille tagelyk. In aldman yn dit formidden sei gauris: " ik wit net hoenear ik libje moat, Froeger seine se tsjin my hwat soe dy snotnoas der fan witte, en nou hwat soe dy aldkearel der fan witte".  Men hie sokke jounen ek tiid foar wedderijen, bygelyks hoenear in kou kealje soe. Foar of nei 12 ûre. It gong dan om in healmingel jenever. Dy woe der by allegearre wol yn, der moast dochs ien bitelje en hwat koe it skele hwa!

Domeny leaude it wol

It kaem froeger foar dat Jan Bergsma ynfoel foar de lykkoetsrider dy ’t op ’e Kliuw wenne Sa moast er ris mei de boade Hindrik de Vries nei Súdlaren hielendal om it lyk fan in alde frou op to heljen dy ’t yn Easterein to hof brocht wurde soe. Lykauto’s koe men noch net en it soe in lange rit wurde fan twa dagen en twa nachten. It hearde sa dat de wein de hiele reis stapfoets ried mar hoenear kaem men dan oan. Op ’e bütenwegen en yn ’e nacht gyng de swipe der dan ek oer mar troch de doarpen rieden se plechtich-kalm. Doe ’t men middernacht yn Easterein kaem waerd de koets fluch yn ’e trochreed riden Troch de minne diken en it hurde riden moast Hindrik it aldminske earst al efkes torjochte lizze. Mar foartiid hiene de mannen fansels al in dripke op.

Stamgasten

Elk kafe hat stamgasten dy ’t gauris by deselde tafel sitten geane op deselde oere en altyd deselde drank brûke. Der wiene soms ek tipen by. In boer bg dy’t op hwat fremde wize syn konsumpsjes telde. Hy makke de poat fan syn romer wiet en sette der dan rountsjes mei op ’e tafel. Der kamen ek in pear lytse boeren dy ’t net folie fordrage koene. Under it genot fan harren drankje waerden se njonkelytsen noch lytser en gyngen letterlik ûnder de tafel Der wiene (en binne altyd noch lju dy ’t slij nei in slokje binne mar it foar in oar net witte wolle. Sa hiene de Bergsina’s froeger klanten dy ’t de drank yn in lyts petroaljekantsje hellen

Hupsake

In Wommelser boer kaem hast altyd op syn hynder Hy wie lyts fan stik en ried op in moaije skimmel. Dy waerd yn de skuorre set en dan gyng de man de herberge yn. Hy krige wol it nedige om syn toarst to bidimjen. As er genóch hie moast er mei syn koarte poatsjes wer op ’e skimmel hyst wurde. Nou de jonges fan ’e kastelein woene wol helpe die wiene meast ek net fier ôf. It wie lykwols mar in lyts kunstke om him dan in ekstra setsje to jaen sadat it mantsje der oan ’e oare kant wer ôfglied. Dy pesterij moast fansels net to lang duorje. Mar de nedige wille brocht it wol.

Fan broeijen en dollen

Doe ’t Jan Bergsma yn de herberge kaem, in sechstich jier lyn krige hy in goede rie fan de heakeapmen Sobel út Jorwert. It wie wol bikend dat yn de skuorre faek dold wurde moast omdat it in broeinest wie. "Wolst net wer dolle Jan"."Leaver net fansels". "Dan moast allinne de kanten opsette yn it midden bliuwt genôch lizzen"Dy rie is opfolge en yn sechstich jier is der noait wer dold.

Der soe ek noch wol hwat to fortellen wêze oer ’t trochsmarren fan ’e branspuit dy ’t ek by it kafe stiet mar dat Is einliks bûten it bidriuw. By dat feest waerden yn it kafe de misken fansels fiks trochsmard lyk as de spuit dêr bûten.

De oprichting van de melkfabriek

In de aantekeningen van de kerkvoogdij bijenkomst van 23 december 1896 staat: ' Schrijven van aanvraag der voorlopige cie de heren A.R. Sybrandy (1855 - 1928 ), P.Y. van der Valk (1867-1926 ), Jelle Bouma, Y.J. Heeg (1868-1952) en P.K. Vellinga (1863-1930) om grond tot bouwing eener op te richten Coöp. Stoomzuivelfabriek en geldelijke steun der kerkvoogdij.

De Kerkvoogden stellen voor om grond af te staan aan de Seberievaart thans in gebruik bij P.A. van der Valk tegen een jaarlijkse grondpacht van f 50 per 36 3/4 are.

Toegestaan met deze voorwaarde om van zondagmorgen 8 uur tot middags 4 uur niet te mogen werken in en op de fabriek.

Het eerste bestuur

Het eerste bestuur en raad van commissarissen bestonden uit: Directeur F.W. Anema (1879-1942 ). Bestuur: A.R. Sybrandy (1855-1928 ), Y.J. Heeg (1868-1952) en M.Y. Sjaarda (1864-1929 ) en D. de Gavere (1867-1923)

De commisarissen waren: K.J. van Gosliga (1864-1921 ), H.R. Jonkman (1871-1941) en S.J. Timmenga (1849-1936 ).

Besloten werd dat na tien jaar het bestuur het recht had de grondpacht af te kopen.

Er is zelfs even sprake van geweest dat de kerkvoogden mede-oprichters zouden worden, maar dat ging niet door.

De directeuren

De directeuren die leiding aan het bedrijf gaven waren:

Van 1897 tot 1908: Arjen Rienks (1874-1950) getrouwd met Antje Sinnema (1872-1905 ), later met Simkje Bottema (1874-1957 ); komende van Haren en vertrokken naar Langweer;

Van 1908 tot 1941: Fokke Wiggeles Anema (1879-1942 ), getrouwd met Trijntje Wouters-Hielkema (1877-1936), komend van Betterwird en vanwege ziekte gestopt.

Van 1939 tot 1941: Broer Voolstra (1941-) en Roelofje Woudstra (1913 -) Komende van Rauwerderhem en vertrokken naar Den Haag;

Van 1941 tot 1965: Johannes Sijtsema (1908 -), getrouwd met Grietje de Vries (1909-1995), komend van Terschelling en vertrokken naar Heerenveen.

De assistent directeuren

De navolgende assistent directeuren dienden de fabriek:

Van 1906 tot 1908: Folkert Brandsma (1888 - ); komende van Dalfsen en vertrokken naar Oene;     Van 1907 tot 1908: Rudolf Dijkstra (1882 - ); komende van Stiens en vertrokken naar Makkinga;     Van 1908 tot 1912: Tjitze Riedstra (1885-), getrouwd met Rigtje Westra (1884 - ); komende van Betterwird en vertrokken naar Rottevalle.    

Van 1912 tot 1912: Oene Sijperda, afkomstig van … en vertrokken naar Marssum.

Van 1912 tot 1913: Jacob Jans Visser (1889-) kwam van Deinum en ging naar Bierum.

Van 1916 tot 1917: Jan Timmerman (1887 - ), getrouwd met Ruurdtje Fopma (1888 - ), gekomen van Baerderadeel en vertroken naar Nieuwehorne.

Van 1917 tot 1918: Johannes Pieter Roodzand (1890-), afkomstig van Balk en vertrokken naar Wormerveer.

Van 1918 tot 1919: Johan Christiaan Geertsma (1895-), afkomstig van Arnhem en vertrokken naar Leeuwarden.

Van 1920 tot 1921: Eltje Kamminga (1894 - ), getrouwd met Henderika van der Woude (1899 - ); gekomen uit Grou en ging naar Haarloo.

Van 1921 tot 1954: Durk Harmens de Boer (1897-1954, getrouwd met Pietje Martens Kingma (1904-1973 ); komend van Hilaerd (Hoptille ). Ze woonden aan de Hidaarderdyk, nu Wynserdyk nr. 14 en aan de Wommelserdyk, nu Van Eysingaleane nr 9.

Van 1954 tot 1955: Jouke van Wieren (* 1926 ); komend van Esd en ging naar Havelte.

Van 1955 tot 1956: Ane van der Meer (* 1930 ); gekomen van Bolsward en ging naar Formerum op Terschelling.

Van 1956 tot 1961: Tjeerd Boskma (* 1928 ), getrouwd met Trijntje Jacobi (* 1931 ); ze woonden in Easterein in de Andries Joustrastraat nr. 14; gegaan naar Gorichem.

Van 1961 tot 1964: Harmen Eizenga (* 1929 ); getrouwd met Mintje Wagenaar (* 1933 ); zij woonden aan de Wynserdyk nr. 22 en zijn in 1965 naar Wommels verhuisd.

 

Werkgelegenheid.

De melkfabriek gaf aanvankelijk werk aan zo'n 15 man. Later heeft dat aantal zich fors uitgebreid.

De meeste boeren brachten in het begin hun melk zelf naar de fabriek.

Dat veranderde al gauw; toen kwamen de melkvaarders en de melkrijders.

Melkvaarders en melkrijders:

Andries Wisse (1890-1957) en halfbroer Jacob (Jabik) Namminga (1886-1973) uit Reahûs, Harm Kamstra (1883-1967 ), Minne Tjalsma (1985-1992 ), Rein Strikwerda (1913-1984 ), Yme Zijlstra (* 1923 ), Fedde Dijkstra 1869-1939 ), Sietze Ykema (1899-1991 ), Rinse Siesling (Siesling kreeg het voor elkaar om met de melkboot van de fabriek naar het dorp te zeilen, een echte schipper!) Yde Sijszeling (1913-1980) en zoon Andries Sijszeling (*1940), Germ Strikwerda (1913-1987), Haye Groustra (*1925), Simon Bloemhof (1891- 1976), Feike Bosschma (1902-1985), Marten Stilma (*1910), en zijn vader Job Stilma (1881-1952), Sjuk Sandstra (1898-1966), Johannes Santema (1896- 1962), Harke Kamstra (1917-1975), Jentje Jorritsma (*1924).

'... en ieder had zijn eigen lied...

Mevrouw W. de Jong-Brandsma vertelt dat in de tijd dat ze bij Yde Minnes Sjaarda (1889-1968) woonde, in de vroege zomerochtend in de verte Andrys en Jabik met de melkboot kon horen aankomen. Jabik trok de boot en Andries zong het hoogste lied.' Niet vaak heb ik zulk mooi zingen gehoord.’

Het doet denken aan het liedje van Herman van Veen: ' Hilversum 3 bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem, op elke steiger klonk een lied, van Paljas of Jeruzalem.

Melkgeld ophalen

Opo zaterdag haalden de boeren, in het zwarte pak, zelf het melkgeld op. Ze gingen dan ook, als het nodig was, langs de smid of timmerman om zaken te regelen. Smid Elzinga aan de Hidaerderdyk en later aan de Foarbuorren (op het Plein) liet daarom 's zaterdags het boerengereedschap buiten zetten, dan konden de boeren uitzoeken wat nodig was. Elzinga bracht een paar keer per jaar gereedschap naar het terrein bij de fabriek. Dat was dan zo'n soort van kleine show van wat hij te koop had.

Kuipmakers

Er waren twee kuipmakers in het dorp.

Sjoerd Dooitzen van der Zee (1861-) woonde op de achterburen in het huis It Skilplein nr. 17, naast bakker Dantuma.

De andere was Okke (kuiper) Oosterhout (1850-1935 ), die op de Pôlehoeke woonde, Schoolstraat nr. 12, waar nu Yme Zijlstra (* 1923) woont.

Beide kuipmakers maakten botertonnen voor de melkfabrieken van Easterein en Wommels.

Zondagswerk

Op zondagmorgen en 's avonds werd de melk wel naar de fabriek gebracht, maar werd dan niet verwerkt.

Electriciteit

P. Hoekstra schrijft ook over het ' nieuwe Ijocht ': ' We kregen ook electrisch licht in het dorp.

Het juiste jaartal weet ik niet meer, maar het zal 1917 of 1918 zijn geweest.

De stroom kwam eerst van de melkfabriek.

Tien uur 's avonds werd dan het licht uitgedaan, eerst een kleine waarschuwing door de stroom even uit te schakelen. Voor bijzondere gelegenheden werd tot 12 uur stroom geleverd.

' De stoommachine met een generator wekte de gelijkstroom op. Die werd opgeslagen in grote batterijen.

Sociale beweging.

Uit de aantekeningen van de kerkvoogdijvergadering van 12 februari 1926: ' Het ligt volgens Noordmans geheel op den weg van den directeur en bestuur onzer fabriek voor inhaling van sommige elementen in de fabriek te waken, met name het socialistisch element, waarvan een schadelijken invloed uitgaat’.

Uit de aantekeningen van de kerkvoogdij bijeenkomst van 1939: De heer Strikwerda heeft de kwestie van de personeelsbenoemingen aan de Coop Zuivelfabriek in de vergadering dezer Coop. ter sprake gebracht, waarna door het bestuur toegezegd daaraan aandacht te schenken .

Zuivelvervoer

Kapiteins van de Eastereinder boot uit de fabriek die met boter en kaas elke vrijdag naar Leeuwarden voeren, waren: - Sjoerd Visser (1876-1942) en -Foeke Wijnia (1895-1965 ).

Fabriekswoningen

Bij de fabriek, aan de noordoostkant stonden dienstwoningen voor fabrieksarbeiders.

In het huizencomplex was plaats voor vier gezinnen.

Linksvoor: de botermaker, daarnaast de machinist, daarachter de kaasmaker en daarnaast de centrifugist.

De eerste bewoners van deze huizen waren in 1897:

- botermaker Sipke Tinga (1863-1906 ), getrouwd met Pierkje de Jong (1863-);

- machinist Klaas Tuininga (1873-12 ), getrouwd met Sjoerdje Wijma (1873-);

- kaasmaker Sjouke Tolsma (1871-1935) getrouwd met Jantje Bergsma (1875-...

- sintrifugist Obbe Terpstra (1851-), troud mei Dieuwke Stiensma (1857-);

Van de overige bewoners noemen wij:

-botermaker Marten Vierstra (1874-1953) en Nieske Feenstra (1876-1956);

- centrifugist Hans Reitsma (1890-1979), getrouw met Dirkje Tolsma (1891-1975)

-machinist Fokke van der Tol (1898-1967), getrouw met Wypkje de Jong (1900- 1979);

-kaasmaker Siebe Hoitinga (1908-1983), getrouw met Wijtske Postma (*1913)

-botermaker (1912-), getrouw met Trijntje de Vries (1915-);

-botermaker Gerben Okkinga (1912-1990) , getrouw met Liskje Hiemstra (*1916).

Gerben en Lys waren de ouders van de beroemde eerste klas-kaatser uit de jaren zestig Gerrit Okkinga (* 1941 ).

Boterfabriek gesloten.

Na 67 jaar heeft de fabriek op 19 december 1964 de laatste melk verwerkt.

De vereniging ging op in het grotere geheel van de coöperatieve zuivelindustrie ' De Terpen ', die een combinatie was van de fabrieken in Easterein, Scharnegoutum, Wiuwert en Wommels.

Het had tot gevolg dat ook de fabriek van Wiuwert werd gesloten.

Na het sluiten van de boterfabriek werd de directeurswoning bewoond door: Anne Rinsma (* 1915 -) en zijn echtgenote Catharina Schippers (* 1914 ); Zij kwamen hier in 1966 en zijn in 1973 naar Deinum verhuisd.

Een jaar later kwamen hier Pier van der Velde (* 1944) en zijn vrouw Janna Hogen-dorp (* 1946). Zoon Simon van der Velde woont er nu.