Steden

Webshop

De Friese Elfsteden. Vooral wereldwijd bekend geworden vanwege de winterse 'elfstedentocht' op de schaats. Maar deze prachtige collectie van authentieke steden en stadjes is in ieder jaargetijde een bezoek waard. Uw bezoek krijgt een extra dimensie als u dit combineert met een verblijf in een van de vele authentieke stadshotels.

Hieronder ziet u een opsomming van de elf Friese steden. Van heel klein zoals Sloten en IJlst tot betrekkelijk groot zoals Leeuwarden en Sneek. Vertoeft u liever aan de IJsselmeerkust dan verdienen oude havenstadjes zoals Stavoren, Hindeloopen en Workum uw speciale aandacht. Dokkum en Harlingen zijn ideaal om te combineren met een bezoek aan de een van de waddeneilanden. Franeker en Bolsward staan bekend om hun talrijke monumentale gebouwen, kerken, en pittoreske straatjes. Een bezoek aan het legendarische planetarium in Franeker als hoogtepunt.

Kortom, de elf Friese steden hebben u veel te bieden. Maak hieronder uw keuze en plan uw reis naar Fryslân. 'Fan herte wolkom yn Fryslân!'

Deel:


Bolsward is de enige nog zelfstandige stadsgemeente van Friesland. De stad lag in de Middeleeuwen strategisch voor waterverkeer en handel. Er was verbinding met de Middelzee en door de Marneslenk met de Zuiderzee. Hoewel die waterwegen dichtslibden, bleef Bolsward bereikbaar voor waterverkeer en kon als handelsplaats opbloeien. Het raakte gelieerd aan de Hanze.

De oorsprong is nog voelbaar aan de terpen bij de Martinikerk en bij de Hoogstraat: de laatste was de handelsterp. Bolsward was het kerkelijk centrum voor een wijde omgeving. Naast het Marktplein ligt de belangrijke gracht van Marktstraat en Appelmarkt met het fraaie stadhuis in het verschiet. Aan de Marktstraat staan voorname grachtenpanden met gevels in barok, rococo en neoclassicistische stijlen. De Bolswarders hebben in 1614/’17 hun welvaart en beschaving willen uitdrukken met de bouw van een prachtig stadhuis. Het rechthoekige bouwwerk met pronkgevels en een hoge lantaarntoren is ontworpen en uitgevoerd door plaatselijke meesters en daarmee worden de stedelijke potenties uitgedrukt. De middenpartij waar op de hoofdverdieping de vierschaar voor de rechtspraak ligt, wordt bekroond door een hoge geveltop met overdadig rolwerk met obelisken. Daarin prijken de personificaties van Geloof, Hoop, Liefde en Gerechtigheid, waarvan de laatste twee van uitzonderlijke kwaliteit zijn. De lantaarntoren is een wonder van architectonische schoonheid.

De Jongemastraat verbreedt zich aan het einde tot het Broereplein. Daar rijzen de dramatische muren van de Broerekerk op, in 1980 door brand ernstig beschadigd en nu een fascinerende ruïne. Het is een sobere vijftiende-eeuwse pseudo-basiliek met een rijke voorgevel, een rijke uitdossing die niet bij de bedelorde van de Franciscanen, maar wel bij Bolsward past. In de Heeremastraat staat een stadsstate van een van de adellijke families van Bolsward: Heeremastate, die kort na 1500 is gebouwd. De muren zijn gemetseld van afwisselend gele kloostermoppen en banden van kleinere rode baksteen.

De langste stadsgracht, de Dijl, is omzoomd door een afwisselende bebouwing van Kleine en Grote Dijlakker. Voorname lijstgevels, een reeksje eenvoudige halsgevels, een fraai versierde trapgevel en een erg fraaie halsgevel. Achter de rooilijn rijst de Sint Franciscuskerk op, in 1934 door H.C. van der Leur en Dom Paul Bellot ontworpen in een expressionistische stijl die vooral inwendig te genieten is. Het is de kerk van een meer dan zes eeuwen oud devotiebeeld van de Lieve Vrouw van Zevenwouden. Er wordt een mirakelboek uit het midden van de 16de eeuw bewaard.

Het huis Wipstraat 6, achter het stadhuis, wordt beschouwd als het geboortehuis van Gysbert Japicx, de Friese dichter uit de 17de eeuw. Aan de Nieuwmarkt even voorbij de herensociëteit ‘De Doele’ staat het brede en uitwendig wat stugge Sint Anthony Gasthuis. Het is gebouwd in 1778-’91 ter huisvesting van alleenstaande vrouwen en heeft een bijzonder rijk ingerichte voogdenkamer in Lodewijk XVIstijl. Aan de Skilwyk, een gedempt haventje, staat de doopsgezinde kerk met een neoclassicistisch front en zelfs een torentje op de voorgevel, uitzondering bij de mennisten.

Aan de noordoostzijde ligt het laatste restant van het Hoog Bolwerk. Daarachter rijst de magistrale Martinikerk op, een grote pseudobasiliek gebouwd tussen 1446 en 1466. De forse vijfledige toren is wat ouder: de grootste van de kenmerkende zadeldaktorens van Friesland. Het hoge koor wordt geschoord door hoge steunberen en dat is nodig omdat de wanden grotendeels geopend zijn met grote spitsboogvensters. Binnen zijn op enkele gewelven schilderingen aanwezig met onder meer het kersttafereel. In het licht geblankette interieur doet het magnifieke eiken meubilair van zich spreken. In het koor staan rijk gesneden koorbanken die deels uit de Broerekerk afkomstig zijn. De barokke preekstoel is door een collectief van Bolswarder vaklieden in 1662 gemaakt.

De eerste stadsuitbreidingen vonden vanaf de jaren twintig plaats in het zuidoosten, na de oorlog gevolgd door Plan Noord. De stad is in de laatste decennia van de 20ste eeuw aanzienlijk uitgebreid met wijken aan de oost- en noordzijde. Vanouds liggen de bedrijven ten zuidwesten van de binnenstad. Het nieuwe bedrijvenpark is volop in ontwikkeling in de Weeshuispolder ten westen van de stad.

Dokkum is een van de oudste steden van Friesland. In 754 werd de Angelsaksische missionaris Bonifatius bij Dokkum vermoord. De martelaarsplaats trok vroeg bedevaartgangers.

De terpnederzetting had dankzij het Diep een open verbinding naar zee en ontwikkelde zich voorspoedig als handelsplaats. In de 11de eeuw mocht Dokkum munt slaan. Aan het eind van de 13de eeuw had het een eigen stadsbestuur. In de 15de eeuw kwamen er wallen en aan het eind van de 16de eeuw was het een regelmatige gebastioneerde vesting. De vestingwallen zijn al sinds lang in gebruik als ‘stadswandeling’. De nagenoeg regelmatige zeshoek met op de hoeken dwingers is goeddeels gereconstrueerd. Aan de oostzijde zijn de wallen laag, maar het Noorder-, Parkster- en vooral het Westerbolwerk hebben hoge wallen waar de Dokkumers zich veilig achter voelden. Op de westelijke dwinger en Zuiderdwinger verheffen zich molens. Het zijn achtkante bovenkruiers op hoge onderbouwen met stellingen. Zeldenrust, een koren- en pelmolen, dateert uit 1862 en korenmolen De Hoop is van 1849.

De Zijl midden in Dokkum is een brugplein: er heeft een sluis gelegen uit 1583 die in 1757 nog eens is vernieuwd. Aan de Zijl staat het oude stadhuis aan de Suupmarkt. De kelders herinneren aan een vroegere stins. In 1608 is hier een rijk vormgegeven stadhuis opgetrokken. Het is omstreeks 1800 verbouwd tot het strenge uiterlijk van thans. Uit de renaissancetijd resteert een schitterende schouw en het verweerde Justitiabeeld. De raadzaalvleugel kwam in 1763 tot stand. Uitwendig eenvoudig, maar inwendig in charmante rococostijl met grote allegorische schilderingen. Aan de zuidwestzijde van de Zijl staat een drietal fraaie panden uit 1622. Het hoekpand bezit aan beide zijden een traptop. Het pand ernaast heeft verdiepte vensternissen en het derde, het smalste, heeft de fraaiste versieringen boven de vensters: accoladevormen in maniëristische stijl.

Het Admiraliteitshuis, thans museum, staat een beetje verstopt tussen Diepswal en Oosterstraat. De Friese admiraliteit werd in 1597 in een stins gehuisvest en in 1618 kwam er nieuwbouw. Het is intussen wel gewijzigd. De van rode steen gemetselde gevels zijn verlevendigd met zandstenen details en sierankers. Aan de tuinzijde staat de oorspronkelijke toegangspartij. Het waaggebouw staat midden op de Grote Breedstraat, een twee lagen hoog vrijstaand bouwwerk dat is versierd met pilasters en kuifstukken met de wapens van Dokkum en Friesland.

Vanaf het Diep is in de Hoogstraat het hoogteverschil van de terp goed te merken. Halverwege staat de in 1869 door P.J.H. Cuypers ontworpen neogotische rooms-katholieke Sint- Martinuskerk die ook nog toegewijd is aan Bonifatius en Gezellen. Aan de zuidoostzijde van de Markt staat de hervormde kerk. Zij is in de 15de eeuw ter vervanging van een oudere gebouwd. Schip en beuk zijn inwendig met ronde kolommen van elkaar gescheiden. Het kerkelijke meubilair is gesierd met overdadig rococo snijwerk. Aan de andere zijde van de recent heringerichte Markt staan twee liefdadige instellingen naast elkaar. Het voormalige Weeshuis is door zijn eigenzinnige neoclassicistische uiterlijk het opvallendst. Het in 1839 gestichte Sint- Laurentiusgasthuis is in zijn architectuur rustiger. Aan de Legeweg staat achter de rooilijn het plechtige neoclassicistische front van de kerk (1852) van de Verenigde Christelijke Gemeente, een broederschap van doopsgezinden en remonstranten. De voornaamste huizen staan aan de kaden van Grootdiep en Kleindiep, maar ook aan de Grote Breedstraat, Hogepol, Legeweg en Koornmarkt zijn verzorgde woningen te vinden.

Vlak ten zuiden van de binnenstad ligt de met legenden omgeven Bonifatiusbron die in 1884 een pomp met siervaas kreeg. In 1925 werd bij de bron een uitgestrekt processiepark aangelegd en er kwam in 1934 een deels overkapte kapel tot stand in neo-romaanse stijl. Dokkum zat tot aan het begin van de 20ste eeuw klem tussen zijn wallen. De vroegste volkshuisvesting vond in de binnenstad plaats. Na enige annexatie kon de zuidelijke uitvalsweg Woudweg gestalte krijgen met reeksen gevarieerde villa’s en burgerwoningen met ook het fraaie volkshuisvestingscomplex van het Bonifaciusplein en omgeving. Na de oorlog is Dokkum aan alle zijden flink uitgebreid, vooral aan de noord-, zuidoost- en oostzijde.

Franeker was in de Middeleeuwen de belangrijkste stad van noordelijk Westergo. Veel belangrijke adellijke lieden stichtten in Franeker hun stinsen en staten. Albrecht van Saksen vestigde in 1498 vanuit Franeker zijn gezag.

Op de Voorstraat torent het Martenahuis boven de overige bebouwing uit. De stadsstate is kort na 1498 gesticht door Hessel van Martena, de belangrijkste vazal van Albrecht van Saksen. De state bestaat uit twee vleugels, gemetseld van afwisselende lagen rode en gele baksteen met in de oksel een hoge, achtzijdige traptoren. Het Martenahuis is altijd deftig bewoond en het is ook lang het raadhuis geweest van de grietenij en plattelandsgemeente Franekeradeel die de stad omvatte. De Martenatuin is vooral in de vroege lente, als de stinsenflora in bloei staat, de moeite van een bezoek waard. Een kleine eeuw later (1585) stichtte stadhouder Willem Lodewijk van Nassau een universiteit in Franeker, na Leiden de tweede van de Republiek. Dat Franeker ook een gewone stad is laat het Waaggebouw uit 1657 zien. Het eenvoudige wit gepleisterde gebouw is thans de publieksingang van Museum ’t Coopmanshûs, dat is gevestigd in de twee representatieve professorenhuizen naast de Waag. Daar wordt onder meer de geschiedenis van de stad en van de Academie gepresenteerd.

Franeker was de eerste Friese stad die na de Opstand een nieuw stadhuis bouwde en daarmee de toon zette voor de representatieve overheidsbouw. Franeker lijkt tussen 1591 en 1594 de eruditie van de academiestad in dit stadhuis te hebben willen uitdrukken. Op de hoek kwamen aan beide zijden hoge trapgevels. Op de plaats waar de vleugels elkaar sneden verrees een hoge, achtzijdige lantaarntoren. Het rijk versierde stadhuis is het werk van Franeker bouwmeesters en steenhouwers.

Er zijn verder tal van bijzondere gebouwen aan de straten en grachten te vinden. In de Eise Eisingastraat is in 1910 een winkel in elegante Jugendstil ondergebracht in een pand met een halsgevel uit 1745. Achter het onmiddellijk hiernaast staande eenvoudige klokgeveltje is een waar wonder te vinden: het Planetarium van Eise Eisinga. De Franeker wolkammer, goed op de hoogte van de wis- en sterrenkunde, heeft de loop der planeten van ons zonnestelsel aanschouwelijk gemaakt. In 1781 was Eise zijn heelal aan de zoldering van zijn woonkamer gereed. Bij de bruggen van Eise Eisingastraat en Zilverstraat staat het kleine, uit 1634 daterende Korendragershuisje. Het Noorderbolwerk toont hoe Franeker vanaf ongeveer 1600 met hoge bolwerken werd beschermd. Daar bouwden welgestelde inwoners hun zomer- of theehuizen.

De Martinikerk kwam in de 11de eeuw tot stand maar is vanaf 1421 vernieuwd en vergroot. Het is een pseudo-basiliek met een breed en hoog schip en aangekapte zijbeuken die zich rond het verhoogd liggende koor tot een omgang voortzetten. De grote toren heeft een ingesnoerde naaldspits. Inwendig is de Martinikerk zeer rijk bedeeld, vooral met een schat aan magnifieke zerkhouwkunst. Schuin tegenover de kerk staat het Klein Botnia-huis aan de Bredeplaats, een zaalstins uit de 15de eeuw. Er staat ook nog het wit gepleisterde Dekemahuis. Vóór de kerktoren is het Camminghahuis te vinden, een derde zaalstins en de oudste: er is muurwerk uit de 14de eeuw. Achter de Academiestraat staan de herinneringen aan de Franeker Universiteit. Om het binnenplein, ooit de ‘hortus botanicus’, staan indrukwekkende gebouwen. Het restant van het Kruisherenklooster, later verbouwd tot hoofdgebouw van de Academie en er tegenover de fraaie orangerie, het botanisch laboratorium.

De heilige grond van de Friese kaatssport, het Sjûkelân, ligt in het westen, sinds 2003 geaccentueerd door twee frêle torens. Hier worden de belangrijkste wedstrijden van dit oude balspel gespeeld. Naast het goed onderhouden sportveld staat de oudste studentenkroeg van het land, de befaamde Bogt fen Guné. Tegen de zuidelijke rand van de binnenstad liep vanouds de voornaamste verkeersader, de Harlingertrekvaart, nu Van Harinxmakanaal. De stad heeft daar altijd profijt van gehad want bij het kanaal kwam veel bedrijvigheid. Maar de stad is er door belemmerd bij zijn stadsuitbreidingen. Die kwamen in een waaier om de noordelijke oude stadsranden.

De stad Harlingen heeft groei en bloei aan de zee te danken. Het was aanvankelijk een buurschap van vissers en schippers die bij het kerkdorp Almenum hoorde. In 1234 zou Harlingen stadsprivileges hebben gekregen. Handel op Engeland, Hamburg, Scandinavië en andere Oostzeelanden bracht voorspoed. In 1500 werd een eerste haven gegraven.

In de tweede helft van de 16de eeuw groeide de stad explosief: zij verviervoudigde in oppervlak, er kwam een vesting omheen en werd voorzien van een tweede ruime binnenhaven. De rijkdom drukte de stad uit in fraaie stadspoorten in renaissancestijl en een stadhuis. De poorten zijn in de 19de eeuw gesloopt. Er kwam een reeks eveneens indrukwekkende ijzeren bruggen voor in de plaats. Aan de Voorstraat staat de 16de-eeuwse raadhuistoren die vaak is vernieuwd. Hij draagt de patroonheilige van de stad, Sint-Michaël. De aartsengel staat ook in de voorgevel van het stadhuis aan de Noorderhaven dat in 1730 door stadsbouwmeester Hendrik Norel in barokstijl is verbouwd.

Aan de zuidzijde van de Noorderhaven staat een aantal pakhuizen, zoals het in oorsprong 17de-eeuwse pakhuis Java, met een fraaie tuitgevel uit de 17de eeuw, en een huis met een trapgevel uit 1694. Het pronkje is het pakhuis bij de Roepersteeg met een trapgevel en gevelstenen met Venus, Ceres, Bacchus en Aeolus. Aan het einde van de Noorderhaven ligt de Grote Sluis die oorspronkelijk uit 1524 dateert, maar daarna verschillende malen is vernieuwd. Op de landhoofden vier schildhoudende leeuwen met stadswapen geplaatst. Aan de noordzijde van de Noorderhaven staan veel voorname woonhuizen en indrukwekkende pakhuizen. Een pand heeft een verrassing op het dak, want de dakkapel wordt geflankeerd door Neptunus en Mercurius. Verder staat er een pand met een bekroning met een gevelbreed fronton waarop voorstellingen van handel en scheepvaart.

Ten noorden van de Noorderhaven ligt de kleine Zoutsloot als waterader van de regelmatige stadsuitbreiding uit het einde van de 16de eeuw. De schilderachtige grachtenhuizen uit de 17de en vooral 18de eeuw zijn systematisch gerestaureerd, ook de bescheidener exemplaren. Aan de oostelijke binnenstadsrand ligt de Engelse Tuin, het stadspark dat vanaf 1843 werd aangelegd op de deels afgegraven vestingwallen, want die waren als werkgelegenheidsproject ontmanteld. Het Franekereind bezit op de kaden een keur aan gevarieerde monumentale panden, onder meer het Heerenlogement en het hoekpand aan de William Boothstraat met een 18de-eeuwse ingangspartij, de fraaiste van Harlingen.

De oudste toren van Harlingen, die van de Grote Kerk of de Dom van Almenum dateert al uit het einde van de 12de eeuw. Het is de tufstenen toren van het oude dorp Almenum. De kerk werd in de 18de eeuw op initiatief van het stadsbestuur afgebroken. Er kwam in 1772- "75 een nieuwe kerk achter de toren, een zeer hoge kruiskerk. Het eenvoudige gebouw is gemetseld van gele steentjes, ongetwijfeld uit een Harlinger steenbakkerij. Inwendig is in een groots versieringsschema in Lodewijk XVIstijl de excellente kansel- en orgelpartij van A.A. Hinsch met snijwerk van J.G. Hempel het hoogtepunt.

Voorbij de oude (gedempte) waterlopen Lanen en Schritsen strekt zich de in 1597 gegraven Zuiderhaven uit. Aan de zuidzijde lagen ooit de werven van de Friese admiraliteit. De noordzijde wordt gedomineerd door de Sint-Michaëlskerk, een grote neogotische kruisbasiliek (1881) met een hoge toren die het silhouet van de stad samen met die van de Grote Kerk in sterke mate bepaalt. Aan de Grote Bredeplaats prijkt een van de mooiste pakhuizen: ‘De Blauwe Hand’. Aan de Voorstraat staat een verscheidenheid aan monumentale panden, onder meer dat van museum het Hannemahuis waarin de geschiedenis van de stad wordt gepresenteerd.

Harlingen heeft lang gevangen gezeten binnen de stadsgrachten, maar in de 20ste eeuw zijn er stadsuitbreidingen gekomen. Eerst in het oosten (begin van de eeuw) en noordoosten (vanaf jaren twintig) en later ook in het zuiden (meteen na de oorlog), spoedig gevolgd met uitgestrekte wijken aan de andere zijde van de autoweg N31. Aan de zeezijde kwamen achtereenvolgens Voorhaven, Nieuwe Willemshaven, Visserijhaven en Industriehaven tot stand. Recent kon een tweede, grote industriehaven in de Riedpolder worden gegraven.

Hindeloopen is een opmerkelijke stad. Zij dankt haar rijkdom aan de zeehandel en dat is nog steeds af te lezen aan de excellente interieurkunst. Toch had de stad geen haven. De nederzetting ontwikkelde zich tot stad dankzij de koopvaardij voor vooral Amsterdamse kooplieden. Hindeloopen nam deel aan het Hanze-verbond en in de 14de eeuw bestond er al bloeiende handel met Skandinavië, de Baltische landen en Engeland.

Hindeloopen wordt voor een belangrijk deel omvat door de oude Zuiderzeedijk. Bij de huidige kleine voorhaven met een havenlicht op het hoofd staat een reddingloods van de KNRM. Bij de sluis is in 1619 het sluishuis gebouwd: het sylhues. De open dakruiter kwam er pas in de 19de eeuw op, de Oostertoren voor de Hindeloopers. Aan de zijde van dijk en haven is een leugenbank neergezet. De luifel dateert uit 1785. Daarboven zit een gevelsteen met een voorstelling van Petrus’ visvangst. Toch was het eerder een schippers- dan een vissersstad. Vanaf de sluisbrug, de Sylsbrêge, is er naar het zuiden goed zicht op de dubbele wipbrug met de naam Skoelebrêge. Het is een brug met een oorgat, een inventieve sleuf tussen de twee flappen, om aken en botters met staande mast doorgang te verlenen zonder dat de brug ‘gewipt’ hoefde te worden. Verderop ligt de onregelmatige bebouwing aan een wirwar van straten, stegen en watertjes.

De Hindelooper commandeurswoningen bezitten sierlijke tuitgevels met in de geveltop meestal twee horizontale friezen met vlechtingen, siermetselwerk van gele en rode steen. In die geveltop staan een of meer ovale vensters. De deuromlijsting is ook bijzonder: de deur staat in een zwaar kozijn en het kalf dat de deuropening afdekt is gesneden met een accolade- vorm en als de versiering compleet is: met nog twee rozetten. Het mooiste commandeurshuis staat op de hoek van de Buren en het grachtje van de Nieuwe Weg. Aan de Nieuwstad en andere straten zijn ook dergelijke woningen te vinden. Bijvoorbeeld op de hoek van de Nieuwstad en de Meenscharsteeg: gebouw Irene dat in 1714 is gebouwd en in de jaren dertig gerenoveerd.

Aan de Meenscharswiken staan nog enkele ‘likhuzen’, kleine zomerhuizen op het achterterrein waar de gezinnen gingen wonen als kapiteins en schippers op zee waren.

Op tal van plaatsen kan de Hindelooper interieurschilderkunst bewonderd worden. Op Nieuwe Weide 14 bijvoorbeeld, waar in de winkel een oude betimmering op overdadige wijze is beschilderd met onder meer de deugden in de Hindelooper klederdracht. Het is een en al traditie in Hindeloopen.

De stad was tot het einde van de 18de eeuw meer gericht op de zee dan op het Friese achterland. De inwoners hebben een eigen taal met invloeden van het Fries, maar met ook een eigen woordenschat. Er zijn dus tweetalige straatnaambordjes. De klederdracht wordt nog gedragen bij speciale gelegenheden. De voorname, ingetogen mannenkleding en de kleurige sitsen kleding van de vrouwen.

De cultuur van Hindeloopen kan vooral in het Hidde Nijland Museum in het voormalige stadhuis uit 1682 bewonderd worden. De traditie van snij- en vooral schilderkunst is hier bewaard gebleven. Hoewel het krullerige niet zonder buitenlandse inspiratie is, is de stijl vooral gebaseerd op decoratieve renaissancepatronen.

De hervormde kerk staat aan de westelijke rand van de stad, een gevolg van afslag van land aan de zeezijde. Zij is in 1593 gebouwd en maakte in 1632 al weer plaats voor een groter gebouw. In de 17de eeuw groeide Hindeloopen dusdanig dat er een volledige beuk bijgebouwd moest worden. Die verdween in 1892, toen de bevolking weer gekrompen was. Tegen de westzijde van het schip staat een markante toren, de mooiste van de Friese IJsselmeerkust.

Het grootste huis van Hindeloopen staat aan de Nieuwe Weide op een hoek van twee grachten: een voormalig stadhuis. Het statige huis is als woning gebouwd in de Lodewijk XVI-stijl in de late 18de eeuw. De naoorlogse stadsuitbreidingen hebben in het zuiden plaatsgevonden. In het noorden is een grote recreatiehaven aangelegd.

De stad IJlst is sinds 1984 de hoofdplaats van Wymbritseradiel. Het lag aan het begin van de volle Middeleeuwen, een bloeiperiode, aan de zuidoever van de Middelzee. De nederzetting was ontstaan aan de monding van de Ee, een belangrijk water voor het verkeer van zuidwest Friesland. Na de aanleg van de Hemdijk werd het een plaats van overslag, nijverheid en handel. In 1379 kreeg het marktrecht en spoedig maakte het zich als stad los van het omliggende gebied. IJlst bleef belangrijk met zijn nijverheid van vooral scheepsbouw en andere houtproducten.

Vanaf de stad loopt in oostelijke richting de Geeuw, het brede water richting Sneek. Naar het westen leidt het water na de Wijddraai met een scherpe bocht naar het zuiden: de Wijde Wijmerts, de vaarroute naar Heeg en verder naar Woudsend en Sloten. Vroeger, toen er nog geen vaste bruggen over de Stads-Ee lagen, ging het waterverkeer door de stad naar het zuiden, om daar in de Wijde Wijmerts uit te komen. Vanaf Zevenpelsen, genoemd naar zeven arbeiderswoningen die hier ooit bij een pelmolen stonden, is te zien dat aan de Wijddraai de bedrijvigheid van IJlst geconcentreerd was. Aan deze oever waren houtverwerkende bedrijven en aan de andere zijde, het thans in grote verscheidenheid bebouwde Uilenburg, lagen vanaf de zestiende eeuw de nieuwe stadstimmerwerven. Er zullen dus nog eerder zulke scheepsbouwwerven zijn geweest.

De brug is ’s zomers een druk punt voor watersporters en beschermde IJlst ooit tegen vijanden. IJlst is nooit met vestingwallen beschermd, het is zelfs niet ontstaan op een terp. In het lage land was er bescherming van ringgrachten, de Dij-grachten en ze hoefden in het noorden de brug alleen maar op te halen om de stad te sluiten.

De Overkluizing wordt gedomineerd door de restanten van de Nooitgedagt-fabriek. Jan Jarings Nooitgedagt was in 1865 begonnen met het maken van schaatsen. Het groeide spoedig uit tot een industrieel bedrijf dat naast schaatsen ook gereedschap en degelijk houten speelgoed vervaardigde. Het bedrijf is verhuisd en de oude fabriek wordt in een vernieuwingsplan, waar de Overkluizing ook in meegenomen wordt, als historisch monument deels gehandhaafd.

Aan de Eegracht volgt de doopsgezinde kerk, die in 1857 is gebouwd naar ontwerp van Meinse Molenaar in een merkwaardige mengstijl: de klokgevel naar 18de-eeuws model is versierd met neoclassicistische elementen. Traditioneel voor de doopsgezinden ligt zij achter de rooilijn.

Even verder aan de Eegracht staat een voorname woning in renaissancestijl waar menige andere stad jaloers op kan zijn. Het huis wordt de Messingklopper genoemd omdat er ooit een koperslager woonde en werkte. Het is een evenwichtig en naar verhouding breed renaissancepand uit 1669 met een trapgevel. De bebouwing langs de Eegracht is verder zeer gevarieerd met meest 19de-eeuwse huizen en een enkel exemplaar uit de 17de eeuw. Enkele goed verzorgde brede notabele woningen vallen daarbij op. Het meest schilderachtige aspect van de Eegracht is de structuur. De huizen hebben overtuinen aan de grachtzijde, aan de andere kant van de straat. Dat wordt aan weerszijden geaccentueerd door de lindenzoom tussen weg en overtuinen. In het midden van IJlst staan de hervormde kerk en het stadhuis tegenover elkaar. De hervormde kerk met flinke toren dateert uit 1830 en bevat een fraaie preekstoel uit 1672. Het stadhuis is in 1859 gebouwd in een decoratieve mengstijl. De middenpartij en de gevelbekroning doen neogotisch aan. In de kleine ruiter op het dak hangt nog een 15de-eeuws klokje, afkomstig uit het kleine IJlster karmelietenklooster. De raadzaal is in charmante biedermeierstijl ingericht.

Houtzaagmolen De Rat is prachtig aan de Geeuw gelegen. Hij werd hier in 1828 opgebouwd, maar is veel ouder en uit de Zaanstreek overgebracht. Tot 1955 heeft een houthandel er gebruik van gemaakt. Na restauratie werd de monnikmolen met stelling weer in gebruik genomen.

Na de oorlog is het stadje explosief gegroeid, eerst met een wijk in het noordwesten, later ten oosten van de stad, tot en met wijk ‘De Iendracht’: de eerste wijk in Friesland op basis van een beeldkwaliteitsplan.

Leeuwarden is ontstaan op een terp uit de vroege Middeleeuwen met een agrarisch karakter nabij de oever van de Middelzee, Oldehove, en in de 9de eeuw aan weerszijden van de Eemonding opgeworpen terpen met een handelsnederzetting. Terpen die in de Hoogstraten nog steeds zichtbaar en voelbaar zijn.

De vroegste vermelding van Leeuwarden is in de 11de eeuw. De houten kerk van Sint-Vitus werd toen vervangen door een (tuf)stenen gebouw en toen vond ook de eerste dijkbouw plaats. Nadat de Middelzee was dichtgeslibd, breidde de nederzetting zich in westelijke richting uit. Het zwaartepunt bleef op de terpen van Nijehove en daar werd in de 12de eeuw de Mariakerk gebouwd en in het midden van de 13de eeuw tegen de zool van de terp het klooster van de Dominicanen. De kloosterkerk, de Jacobijnerkerk, is in de 13de eeuw gebouwd en verschillende keren uitgebreid. Aan de noordkant staan de herinneringen aan het klooster met een deel van de prachtig overwelfde kloostergang. In het koor zijn de leden van de stadhoudersfamilie begraven.

In het oosten en zuidwesten breidde de stad uit en alles werd in 1435 onder een stadsrecht gebracht. Omdat Leeuwarden in een net van waterlopen lag, kon de stadsstructuur doorregen worden door grachten. Door handel en andere activiteiten groeide de stad voorspoedig en toen Albrecht van Saksen Heer van Friesland werd, koos hij Leeuwarden in 1504 als zetel van de bestuursinstellingen en dus als hoofdstad.

De laat-gotische Oldehove, het symbool van de stad, blijft als scheve en kromme toren het verhaal vertellen van de mislukte ambities van kerk- en stadsbestuur. In 1529 kon men met de bouw van een hoge toren beginnen. Hij begon te zakken en bleef zakken en het werk werd in 1533 gestaakt.

De centrale overheid slaagde wel. Het bestuurspaleis, de Kanselarij, is van 1566 tot 1571 gebouwd door de bouwmeester van koning Filips II. Het rijk gedetailleerde, plastische gebouw diende als huisvesting van het Hof van Friesland, het belangrijkste bestuursorgaan. De bouwstijl is nog helemaal laat-gotisch, maar toegangspoort, kraagstenen en andere details zijn wel in de nieuwe stijl van de renaissance. Het gebouw drukt de kentering der tijden uit: Opstand en Hervorming waren binnen tien jaar een feit. De Kanselarij is nu onderdeel van het Fries Museum. Nadat er al eerder een gracht om de stad was gegraven en een begin van een omwalling, kreeg de stad in de tientallen jaren rond 1600 een bijna volledig gebasioneerde vesting.

Leeuwarden is een deftige stad geworden, want zij is ook eeuwenlang residentie van Nassause stadhouders geweest. Ze woonden met hun gezinnen en hofhouding in het centrum. Dit Stadhouderlijke Hof bestond oorspronkelijk uit twee in stijl verschillende staten, die samen wel een voorplein vormden. De verschillende generaties Nassaus hebben het schilderachtige geheel zo vaak verbouwd dat een eenduidig maar wel streng vleugelgebouw het resultaat werd. De stadhouders hebben hier tot 1747 geresideerd.

Tegenover het Hof staat het stadhuis. Het hoofdgebouw is in 1715 in sober classicisme gebouwd op keldergewelven van een middeleeuwse stins. De middenpartij kreeg de meeste aandacht. Boven de ingang zijn vrede en gerechtigheid verbeeld. In de koepel hangt een carillon uit 1687. In 1760 is achter het hoofdgebouw een raadzaalvleugel in rococostijl gebouwd. Leeuwarden was laat met een representatief stadhuis, investeerde in de waag, een trots gebouw in renaissancestijl dat het belang van de zuivelhandel uitdrukt. Het kwam in 1595 tot stand en is beneden met grote bogen geopend en voorzien van een hangluifel rondom. Boven de luifel zijn op de hoeken wapenhoudende leeuwen en een prachtig bewerkt fries te zien.

In de vroege 19de eeuw is de vesting ontmanteld, en kreeg de stad een rand van plantsoenen, waarvan nu met de Prinsentuin alleen de noordelijke gedeelten nog bestaan. In de 20ste eeuw is de stad naar alle kanten uitgebreid, na de oorlog, toen een deel van Leeuwarderadeel was geannexeerd, ook naar het zuiden. Er kwamen buiten een spoedig voltooide ringweg buitenwijken van grote omvang.

Sloten lijkt een ideale renaissancestad: een kruis van water en weg met een regelmatige vesting er omheen en in het brandpunt de gebouwen van het wereldlijk en kerkelijk gezag. Maar het kleine Sloten is ouder dan de gestichte renaissancesteden en is tot een ideale vorm gegroeid. De stadsstructuur is bijna regelmatig. In de schaduw van de veevoederfabriek – in 1903 als zuivelfabriek begonnen – stond tot het midden van de 19de eeuw de Koepoort die haar evenknie had met de Wyckelerpoort aan de andere zijde: de twee landpoorten in de vroeg-middeleeuwse handelsweg. De weg kruiste hier de Ee, een belangrijk water voor het doorgaande verkeer.

Toen de nederzetting zich in de volle Middeleeuwen tot stad ontwikkelde, was de betekenis van de oude landweg al afgenomen: de Koestraat is dan ook een smal straatje. Aan de andere kant van het Diep wordt die bijna even smal voortgezet met de Dubbelstraat, geflankeerd door keurige huizen. Langs het Diep staan de voorname huizen. De economische betekenis van het waterverkeer overtrof kennelijk die over land.

Op de Herenwal staat het voormalige stadhuis uit 1759. De middenpartij heeft barokke versieringen en de raadzaal bezit Lodewijk XVI-decoraties. Sloten is tot 1984 een zelfstandige stadsgemeente gebleven, een van de kleinste van het land. Toen zijn Sloten en Gaasterland samengevoegd en verloor het stadhuis zijn functie. Het museum ‘Stedhûs Sleat’ kwam erin met onder meer een fascinerende presentatie van ‘Sloten, de ideale stad’. De oorspronkelijke kapel is in 1647 tot kerk vergroot in laat-gotische stijl. Achter de eenvoudige gele tuitgevel staat een dakruiter op het dak. Achter het nogal gesloten front staat een door grote vensters overvloedig verlichte kerk. Het meubilair dateert goeddeels uit de bouwtijd. Op Heerenwal 53 staat het dubbele, van trapgevels voorziene pand dat als burgemeesterswoning, later als pastorie gebruikt werd en thans particulier wordt bewoond. Het rechter gedeelte is blijkens de ankers van 1610 en het linker is een uitbreiding van 1671. In de zaal van dit pand vergaderde de raad en werd recht gesproken. Op de Heerenwal staat verder een keur aan aardige woningen en pakhuizen met voorgevels in allerlei vormen en stijlen.

Aan het einde van de Heerenwal ligt de Lemsterwaterpoort over het Diep, een hoge, van gele baksteen gemetselde waterpijp. De korfbogige doorgang is afgezet met bewerkte zandsteenblokken en we zien de wapenschilden van Sloten (met SPQS en 1821) en Friesland. Naast de waterdoorgang zit een ruime doorgang voor voetgangers en daartussen aan de binnenkant de ruimte van het cachot. Op het bastion bij de poort staat de korenmolen: een 18de-eeuwse bovenkruier met stelling. Hier stond al sinds de late Middeleeuwen een standaardmolen.

Het zuidwestelijke kwartier van Sloten, het grootste, is het gebied waar boerderijen stonden. Achter het zuidwestelijke bolwerk staat een flinke kop-hals-romp en er zijn nog meer sporen van agrarische activiteiten in deze hoek. Aan de westzijde van het Diep ligt de Voorstreek met een groot aantal woningen in allerlei stijlen. Onder meer een ingetogen pandje met een uitbouw boven de stoep en een luifel met een charmante bebording. Verder een klokgevelpaar uit het midden van de 18de eeuw en een pronkje met een trapgevel uit 1655 die in renaissancestijl is versierd met veel onderdelen in zandsteen. Op de hoek van de Dubbelstraat staat Herberg De Zeven Wouden. Aan het begin van de Kapelstreek was de waag in een uiterst eenvoudig gebouwtje gevestigd.

Aan het einde van deze kade staat de in 1933 gebouwde rooms-katholieke kerk met een forse zadeldaktoren. De Lindengracht aan de overzijde heeft eveneens een gevarieerde bebouwing met fraaie lijst- en klokgevels. Niet alleen hier, maar overal langs het Diep staan gesnoeide linden. De Sneker- of Woudsender waterpoort heeft eenzelfde vorm als die aan de andere kant. Aan de veldzijde zitten fraai gehouwen platen met het stadswapen en SPQS en 1768. Aan de oostzijde ligt het vroeger zompige Buitenland dat thans onregelmatig bebouwd is. De deels afgegraven bolwerken met soms flink geboomte vormen het decor voor een fraaie wandeling.

Sneek is tot 1984 een kenmerkende stadsgemeente gebleven. De stad kreeg door de gemeentelijke herindeling in 1984 landelijk gebied met de dorpen Ysbrechtum, Offingawier en Loënga erbij. Dat gebied reikt nu ook tot bij het Sneekermeer, waar de stad met zijn watersportactiviteiten sterk op is gericht.

De stad is tot in de tweede helft van de 19de eeuw gevangen gebleven binnen de stadsgrachten uit de 16de eeuw die een hartvormige plattegrond vormden. Daarin is het noordwestelijke gedeelte het oudst, een terp waarop nog steeds de Martinikerk staat en even noordelijker een handelsnederzetting nabij een sluis in de Hemdijk. Deze nederzetting heeft zich in zuidelijke richting uitgebreid met het Grootzand, de Wip en de Suupmarkt als grachten. Daaromheen kwam al in de 13de eeuw een omgrachting die deels binnengrachten werden toen de stad later aan de oostzijde nog een aanzienlijke ‘Nyestadt’ van Oosterdijk en Kleinzand kreeg.

Sneek zou in 1294 tot stad zijn verheven. De stad was als enige van de elf steden – zo werd beweerd – door muren omvest. Het waren geen muren die in het tweede kwart van de 16de eeuw gemetseld werden, maar de Snekers wierpen wallen op en bekleedden die met baksteen. Een kostbare investering, die door verkoop van steen vanaf de 18de eeuw weer wat terug werd verdiend. Sneek heeft als glorieuze herinnering zijn Waterpoort nog: de trots van alle Snekers. De poort met een poortershuis op een loggia tussen twee elegante torens markeert de toegang tot de stad vanaf de brede Geeuw. Toen de poort in 1613 in verfijnde renaissancestijl verrees, was het krijgsrumoer geluwd en diende zij nog ter controle van het verkeer en om de reizigers te imponeren.

Achter het ruime Martiniplein, kreeg het Oud Kerkhof onlangs een frisse inrichting. De Martinikerk rijst er op: een grote laat-gotische kerk die dikwijls en ingrijpend is veranderd. In 1681 stortte het torenfront in en daar kwam een sluiting die op een tweede koor lijkt. Op het dak is in 1771 een sierlijke klokkenkoepel geplaatst en het carillon strooit op gezette tijden muziek over de stad uit. Aan de zuidzijde staat een prachtige 16de-eeuwse sacristie. Even noordelijker strekt de Marktstraat zich uit, omzoomd door een keur aan gebouwen die veel hebben te vertellen. Haantje de voorste is het stadhuis in charmante rococo-stijl uit 1760. Er ligt een monumentaal bordes met dubbele trap in zware barok-vormen voor en binnen is de raadzaal van goudleerbehang met chinoiserieën voorzien.

Aan de oostzijde van de Markstraat opent, na een knik, de ruimte zich opnieuw om een doodlopende gracht, de Wip. Om even verder de grachten van Grootzand en Suupmarkt/ Kleinzand te ontmoeten en aan de andere kant het schilderachtige Schaapmarktplein te begeleiden. Langs de grachten staan deftige panden waarvan veel uit de 18de en 19de eeuw dateren. Het Schaapmarktplein leidt naar Nauwe en Wijde Burgstraat en verder naar de Oosterdijk, waar veel winkels zijn te vinden.

Sneek is het koopcentrum van de Friese Zuidwesthoek. Tussen gebruikelijke winkels zijn aan genoemde grachten en straten opvallende exemplaren te vinden uit de periode rond 1900 waar veel zorg aan is besteed. Dat zijn panden van onder meer de Brenninkmeijers, Stockmanns, Lampes en andere uit Westfalen afkomstige ondernemers die toen de wind in de zeilen kregen. Want zeilen moet in Sneek. Hoewel recent de stadsrondweg is voltooid, bleef de Houkesloot richting Sneekermeer zonder hindernis dankzij een fraai aquaduct. De rondweg is grotendeels om de buitenwijken gelegd.

De groei buiten de oude binnenstad is aan het einde van de 19de eeuw met wat buitenranden begonnen en vanaf het begin van de 20ste eeuw voortgegaan met eerst de Noordoosthoek en het Sperkhem. Inmiddels heeft de stad een omvang gekregen die ruim twaalf keer groter is dan die van het stadshart, dat eeuwenlang de bevolking heeft geherbergd.

Stavoren behoort tot de oudste van de Friese elf steden. De nederzetting lag gunstig aan enkele waterwegen, maar water is Stavoren ook noodlottig geworden. Nadat de Zuiderzee was gevormd, was de plaats kwetsbaar: stormen sloegen stukken van de stad weg, slokten zelfs het belangrijke Odulphusklooster op.

Al vanaf de 9de eeuw nam Stavoren deel aan de handelsvaart langs de Noordzeekust en spoedig daarna werd het geplunderd door de Noormannen. Stavoren werd Hanzestad, kreeg in de 12de eeuw het tolprivilege van de keizer en kon zich spoedig stad noemen. Vooral aan de zeehandel had Stavoren haar bloei te danken.

Met vallen en opstaan zijn de havens het brandpunt van de bedrijvigheid gebleven. Het is een tijdlang stil geweest totdat Stavoren de kansen van de recreatievaart greep. Op de kade tussen de oude Buitenhaven, de haven voor de ‘bruine vloot’ met drukke charters, en de Spoorhaven, waar de veerdienst op Enkhuizen en de halteplaats van de spoorwegen te vinden zijn, staat het VVV-kantoor. Het havengebied is vernieuwd. Er is nog sfeer te proeven uit de tijd dat dit nog een heuse zeehaven was.

De witte sluisbrug geeft toegang tot de stad. De sluis dateert van 1576 en is eeuwenlang van belang voor de grote scheepvaart uit het achterland geweest. De sluis werd dan ook door de stad en omliggende plattelandsgemeenten onderhouden. Door de aanleg van de Johan Frisosluis (1966) aan de zuidzijde van de stad verloor de oude sluis haar functie. Het waterstaatkundig monument is in 1979 gerestaureerd. De wipbrug naar oud model draagt het stadswapen. Naast de sluis staat het havengebouw voor de buitenhaven. Vlakbij de brug staat het beeld van het Vrouwtje van Stavoren, de vrouw die de val van de hoogmoed verpersoonlijkt. Verder zeewaarts ligt de Visserijhaven met eigentijdse, kleurige nieuwbouw die in zijn vormen verwijst naar historische havenfronten.

Waar ooit de vloot van Staverse jollen lag, is het nu de thuishaven van viskotters. In de visafslag wordt nog geregeld vis geveild. Aan het einde van de Havenweg staat een leugenbank naast een taanketel waarin zeilen, trossen en netten ter conservering werden bewerkt. Op het havenhoofd staat het rode havenlicht (1884) en aan de andere zijde het andere, groene, licht.

Op het grote open grasveld naast de Havenweg stond ooit het blokhuis of het kasteel van Stavoren. Het blokhuis was kort na 1500 door Albrecht van Saksen gebouwd als een vesting van ongeveer 100 bij 100 m. In 1996 zijn de grondvesten archeologisch onderzocht.

De Smidsstraat is de winkelstraat van Stavoren en deze leidt naar de Voorstraat, de straat aan weerszijden van de Voordelft, de belangrijkste gracht van de stad. Nu een groen omzoomde en door geboomte overwelfde, rustige gracht, waar vroeger redershuizen en pakhuizen stonden. Het is voor het grootste deel lage, eenvoudige bebouwing uit de 19de eeuw. Op de hoek van de Burgemeester Albertsstraat staat het uiterst eenvoudige kerkje van de doopsgezinden. In het midden rijst aan de westzijde het voormalige stadhuis op. Het is een hoog, blokvormig en fraai gedetailleerd gebouw uit 1880. Voorheen verschafte de linkerzijde huisvesting aan de burgemeester en zijn gezin. De rechterzijde was voor secretarie, burgemeesterskamer en raadzaal, met beschilderde behangsels. Bij de gemeentelijke herindeling in 1984 kwamen de steden Stavoren, Hindeloopen en Workum in de nieuw gevormde gemeente Nijefurd te liggen en verloor dit stadhuis zijn functie. Tegenover het stadhuis ligt de hervormde kerk achter de bebouwing, een zaalkerk met fraaie neoclassicistische ingangspartij en een elegant torentje uit 1860.

Aan de oostzijde van de oude stad loopt de Schans, thans een kade langs de brede buitengracht, vroeger de vestingwal. Op nummer 23 is stadsherberg Aldgillis te vinden: een bruin café met wandschilderingen. Aan de overzijde van de Schans ligt de bescheiden stadsuitbreiding. Helemaal ten zuiden van de stad ligt de Johan Frisosluis. Even verderop zijn de karakteristieke contouren van het Ir. Hoogland gemaal te zien, in 1968 door architect Piet de Vries ontworpen als spannende waterdoorgang door een dijk.

Workum was een open stad zonder stadsverdediging. De stad was smal en lang, van de sluis tot het Dwarsnoard meer dan anderhalve kilometer. Workum is gebouwd aan weerszijden van de gedempte Wymerts. Hoewel de stad niet aan zee lag, deed zij volop mee aan de zeehandel. Workum was door het Soal met de Zuiderzee verbonden. Deze waterweg bezit na twee kilometer vanaf het IJsselmeer een schutsluis met tegen de dijk een schilderachtig gebied. Hier ligt onder meer herberg Séburch en de meer dan drie eeuwen oude scheepswerf De Hoop.

Dat de Workumers veel hebben omgezet met zeevaart en handel is aan vele pronkgevels uit 17de en 18de eeuw langs het Súd en het Noard te zien. Vanaf de sluis tot het zuidelijke einde van het Súd staat een grote verscheidenheid aan bebouwing. Er staan vooral 19de-eeuwse panden die ervan getuigen dat het Workum voor de wind ging. Aan het Súd van de gedempte Wymerts-gracht is de bebouwing gevarieerd van leeftijd en vorm.

Het centrum is de Merk, de markt. Vanuit de Merk is de rangorde van Workum helder. Aan de Merk staan stadhuis, kerk en waag, de hoofdgebouwen van wereldlijk en kerkelijk gezag. Hoe verder van de Merk, hoe eenvoudiger de bebouwing wordt, hoewel er aan het Dwarsnoard helemaal in het noordoosten nog belangrijke panden staan.

De Sint-Gertrudiskerk staat met haar forse toren aan de zuidwestelijke zijde van de Merk. Sinds de 10de/11de eeuw heeft in Workum al een kerk gestaan. In 1480 werd met de bouw van een nieuwe kerk begonnen. Eerst met het koor. In 1560 was het werk pas voor 60% gereed en in het begin van de 17de eeuw is het onvoltooide schip met schotwerk afgedicht, dat in 1951 is vervangen door een echte westgevel. De aansluiting met de toren is nooit gemaakt. Die evenmin voltooide toren is van 1523 tot 1545 gebouwd. In het begin van de 17de eeuw kwam bij de kerk een prachtige sacristie. Tezamen vormen kerk, toren en sacristie een indrukwekkend geheel, mede omdat de bebouwing aan het Skil eromheen zo bescheiden is gebleven. Binnen veel pracht: een barokke preekstoel, een koorhek uit de vroege renaissance, een vroedschapsbank en een unieke verzameling van acht beschilderde doodsbaren van Workumer gilden uit de 18de en vroege 19de eeuw. Ze vormen het historisch prentenboek van Workum.

In de Waag wordt de historische collectie van de stad bewaard en getoond. Het waaggebouw is een rechthoekig bouwwerk met luifel dat precies in het midden van de 17de eeuw is gebouwd. De twee verdiepingen zijn bekroond door een tentdak en er zijn dakkapellen uitgebouwd tot trapgeveltjes met pilasters op leeuwenkoppen. Op de hoeken zitten ook leeuwen.

Aan de zuidzijde van de Merk staat het rijzige stadhuis, sinds 1984 het gemeentehuis van heel Nijefurd. Het lijkt op een barok patriciërshuis, maar dat is schijn: de kern is nog gotisch. Dat kreeg vanaf 1725 een nieuw uiterlijk en een extra verdieping. In 1620 is het stadhuis uitgebreid met een smal pand, een fraai renaissance pandje dat een beetje verstopt staat achter het hoge trapbordes. Binnen is de rococotijd vooral te ervaren in de raadzaal.

Tegenover de Merk staat aan het begin van het Noard het Sleeswijckhuis, een hoogtepunt van woonhuiscultuur. Het voorname huis heeft een siergevel uit 1663. Het Jopie Huisman Museum staat aan de overkant van het Noard. Het Noard is aan beide zijden omzoomd door een keur aan panden met gevels uit allerlei stijlperioden: van eenvoudige lijstgevels tot fraaie trap- en halsgevels. Op Noard 12 staat een pand met een klokgevel met een grote achterbouw. Het is de kosterswoning met de daarachter liggende schuilkerk van de doopsgezinden uit 1695.

Ook de rooms-katholieken van Workum moesten zich aanvankelijk schuilhouden maar konden in 1876 de Werenfriduskerk aan het einde van het Noard bouwen. In de pastorie is een museum van religieuze kunst gevestigd. De naoorlogse stadsuitbreidingen zijn aan de oostzijde gelegd, tussen het oude stadslint en de doorgaande weg.


Nieuwe encyclopedie van Fryslân voor slechts € 29,90 incl. verzenden!

Bijna 8 kilogram aan kennis over Friesland! Wees er snel bij want op is op.

De Nieuwe Encyclopedie van Fryslân is een onmisbare aanvulling in de boekenkast voor iedereen die gek is van Fryslân en meer wil weten van deze provincie. Op 15 september 2016 verscheen de vierdelige encyclopedie die rond de 3000 pagina’s telt, 11.000 trefwoorden bevat en ruim 8 kilo weegt. De encyclopedie staat bomvol actuele kennis over Fryslân en is een echte pageturner geworden.

Voor al diegenen die dit standaardwerk over Fryslân altijd al hadden willen hebben! Nu voor een wel heel speciaal prijsje! Maar let op! Op = Op!