Middeleeuwse kerken in Friesland

Friesland bezit een schat aan gebouwd erfgoed vanuit de Middeleeuwen. Het zijn de tientallen kerken en kloosterkapellen die verspreid staan over een aantal regio's in Friesland. Vooral Noordoost-Friesland en Noordwest-Friesland staan er bekend om. Daar staan deze stenen echo's uit een ver verleden vaak fier bovenop een terp te pronken.

De kerken en kloosterkapellen worden van binnen en buiten perfect onderhouden en gekoesterd. Ze zijn over het algemeen in uitmuntende staat. Niet in de laatste plaats vanwege het belangrijke werk van de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Deze stichting heeft veel van de gebouwen in eigendom en spant zich tot het uiterste in voor het behoud ervan.

Op deze pagina vindt een totaaloverzicht van al dit moois in samenwerking met cultuurhistoricus en auteur Peter Karstkarel. De middeleeuwse kerken in Jannum, Hegebeintum, Dokkum, Wetsens, Aalsum, Bolsward, Harlingen, ze worden allemaal tot in detail beschreven en van commentaar voorzien. Neem er eens uitgebreid de tijd voor om al dit fraais op u in te laten werken. En, kom dan eens langs bij een van deze monumentale parels, als u geluk heeft is de beheerder aanwezig en kunt u ook het interieur bewonderen.

Deel:


De kleine kerk, gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië, staat indrukwekkend op een hoog restant van de uitgestrekte dorpsterp waarvan de ringweg nog in wezen is.

Het schip is aan het einde van de 12de eeuw gebouwd. Het muurwerk van gemêleerd rode baksteen kreeg geen versieringen. Evenmin zijn er sporen te ontdekken van de oorspronkelijke vensters. Mogelijk zijn de uit 1829 daterende rondboogvensters precies op de plaats van de kleinere voorgangers in het muurwerk geplaatst. Ze zijn secundair en kregen gepleisterde randen. Aan de noordzijde is het westelijke venster in een dichtgemetselde, rondbogige ingang geplaatst. Aan de zuidzijde zit tussen het derde en vierde venster een spoor van een kleine opening. Het smallere, rijker versierde koor is in het midden van de 13de eeuw toegevoegd. Aan de westzijden zitten stukjes blokfriezen die snel overgaan in een rondgaand rondboogfries op kleine consoles. Boven de friezen loopt een geprofileerde daklijst. Aan de zuidzijde zit laag een fraai rondbogig spoor in het muurwerk: een dichtgezette hagioscoop of piscina. De opnieuw iets smallere, halfronde apsis bevatte oorspronkelijk vrij grote rondboogvensters.

Ze zijn dichtgemetseld of verplaatst. Aan twee zijden van de ronding staan slanke colonnetten. De westgevel is in 1843 vernieuwd en toen is ook de neoclassicistische houten geveltoren vervaardigd. Mogelijk is, gezien de overeenkomst met het torentje van Morra, ook hier Roelof Boorsma de ontwerper. Inwendig wordt de sfeervolle ruimte gedekt door een houten tongewelf in gedrukte vorm. Dat is er waarschijnlijk in 1822 gekomen ter vervanging van de stenen gewelven en trekbalken. Daarvan zijn de sporen nog aanwezig in de wanden. In beide koorwanden zijn hoge nissen te zien en in de apsis een reeks lagere.

In de zuidelijke koorwand is de nis van een hagioscoop of piscina ook inwendig te zien. In de noordelijke schipwand zit een nis op hoger niveau. Iets terzijde van de apsissluiting staat de eenvoudige preekstoel zonder klankbord. Het orgel op de westgalerij is in 1906 gebouwd door W. Vermeulen.

De tufstenen kerk is omstreeks 1100 op de vijf meter hoge terp gebouwd. De geleding van deze romaanse kerk kan het best van de noordelijke muur worden afgelezen. Deze muur toont een fragment van een rondboogfries en duidelijke sporen van drie dichtgemetselde rondboogvensters. Er is bovendien een grote dichtgemetselde rondboog te zien, ongetwijfeld het spoor van een aanbouw. Daar is een 14de-eeuws reliëf van roze Bremer zandsteen ingemetseld: een onthoofde heilige. Naast de huidige ingang zien we een dichtgezette gotische ingang met een verdiepte spitsboognis. Boven het tufsteen zit een verhoging van gele baksteen uit de 15de eeuw, toen ook de kap werd vernieuwd, een driezijdig gesloten koor toegevoegd en grote spitsboogvensters werden ingebroken.

De zuidelijke muur is gotisch van karakter, maar draagt wel romaanse sporen: in tufsteendammen zitten rondbogen en een kepervormig fries. In de westelijke partij zit een herinneringssteen voor Ulbe Piers Draisma, een van de helden uit de geschiedenis van Achlum. De 15de-eeuwse koorsluiting wordt geschoord door tweemaal versneden steunberen. Het zadeldak van de 15de-eeuwse toren is in 1790 vervangen door de huidige houten opbouw met ingesnoerde spits met leien. Het kerkdak is gedekt met gesmoorde gegolfde Friese pannen die mogelijk in het eigen panwerk bij Achlum zijn vervaardigd.

De kerkruimte heeft een houten tongewelf met trekbalken, korbelen en muurstijlen uit de 15de eeuw. Twee van die stijlen hebben consoles met kopjes. Het meubilair vormt een opmerkelijke eenheid uit het midden van de 17de eeuw. De mannenbanken tegen de noordwand zijn gesloten; de vrouwenbanken dwars op de zuidelijke wand zijn open en hebben gesneden wangen met bloemen uit 1653. Eenvoudige, overhuifde herenbanken plooien zich tegen de drie koorwanden. De preekstoel met schroefvormige trappaal, hoekzuilen en klankbord en het doophek met balusters zijn uit dezelfde tijd. De aan de kanselkuip verbonden spil met een tulpvormig ornament van de koperen doopbekkenhouder rust op de vloer en de consolevormige en met lovertjes versierde houder kan hieraan draaien. Op de orgelgalerij staat een in 1854 door L. van Dam & Zn. gebouwd orgel.

De aan de apostel Paulus gewijde kerk is in het midden van de 12de eeuw gebouwd op een zandrug. De zaalkerk met driezijdig gesloten koor is opgetrokken van baksteen dat bekleed is met tufsteen. Ook de westtoren, aan het begin van de 13de eeuw verrezen, heeft een kern van baksteen met een tufstenen bekleding. Zowel kerk als toren zijn verschillende malen verbouwd, waardoor ze boeiende en soms contrasterende historische patronen vormen. In de noordmuur staat een jonge ingangspartij tussen pilasters en onder een fronton met daarboven een rondboogvenster. Even oostelijker bevindt zich de oude rondbogige ingang van tufsteen die met rode baksteen is dichtgemetseld. In de bovenzone zitten spaarnissen van tuf bekroond door rondboogfriezen. In een van de vakken is een oorspronkelijk, maar wel dichtgemetseld romaans rondboogvenster te zien. Oostelijker staat een groot 18de-eeuws venster dat een wijde spitsboog in het muurwerk doorbreekt, een spoor van een aanbouw van een dwarsarm, een kapel of een sacristie. Ook de zuidelijke muur laat tufstenen spaarnissen met rondboogfriezen zien die ook hier weer doorbroken zijn door jonge, grote rondboogvensters. De oude zuidelijke ingang met een fraaie boog met vertandingen van overhoeks gemetselde tufsteen is dichtgemetseld en meteen ernaast is een andere, kleine ingang gemaakt onder een wat scheef uitgevallen korfboog. Het middelste grote venster doorbreekt een spoor van een aanbouw, vergelijkbaar met dat aan de noordzijde. De koorsluiting heeft alleen een venster aan de zuidzijde en het muurwerk kreeg in de 19de eeuw een pleisterlaag. Het schip is in de tweede helft van de 16de eeuw verhoogd in baksteen en er kwam toen ook een nieuwe kapconstructie. De toren is eveneens in tufsteen bekleed, al schemert de baksteenbasis er hier en daar doorheen. Iets beneden de hoogte van de naald van het kerkdak is het torenmuurwerk aan alle zijden van grote rechthoekige spaarnissen voorzien die aan noord- en oostzijde door een rondboogfries worden bekroond.

De oostelijke romano-gotische geveltop vertoont fraaie klimmende rondboognissen met kepervormig metselmozaïek. Onder het tongewelf met trekbalken is in het interieur een fraai en gaaf bewaarde inventaris te bewonderen. Binnen een eenvoudige dooptuin is het middelpunt de preekstoel uit 1630 met een rijk gesneden manieristische kuip met een in verhouding eenvoudig klankbord. Op de hoeken van de kuip staan kariatiden en in de schelpnissen vazen met uitbundige bloementuilen. Het doopbekken dateert uit ongeveer dezelfde tijd. Tegen de sluitwand van het koor is het Tien Gebodenbord (1637) geïntegreerd tot een renaissance herenbank. Op een rijk bewerkte basis met de wapens van de schenkers ‘S.M. v. Aylua’ en ‘L.M. Eisenga’ staan tussen fijn uitgewerkte zuilen in twee panelen de teksten van de Tien Geboden en een schildering van Mozes met zijn wetstafelen bekroont het geheel. Omstreeks dezelfde tijd zal de westelijke van de twee herenbanken tegen de noordwand tot stand zijn gekomen. Deze heeft een voorbank met balusterhekje en een hoofdbank die een getoogde overhuiving met gecanneleerde zuilen kreeg. Daarop staat een kuifstuk met zuiltjes en rolwerk. De hiernaast staande Sminiabank is omstreeks 1700 vervaardigd door mogelijk Pieter Nauta in opdracht van Hobbe Baerdt van Sminia. Deze herenbank, een van de fraaiste in Friesland, heeft eveneens een overhuiving en deze rust op korintische, omrankte zuilen. Bovenop wordt op het opengewerkte kuifstuk het familiewapen door twee engeltjes vastgehouden. Ook in de rugschotten zijn engeltjes gesneden tussen allerlei rankwerk, vruchten, planten en bloemen. De panelen van de voorbank zijn ook uitbundig met florale voorstellingen, maar dan met vogels versierd en zelfs het stijl- en regelwerk is niet met rust gelaten en voorzien van allerlei festoenen. Met de kerkbanken bleef men niet achter: zij kregen bewerkte wangen. In de koorsluiting hangen twee rouwborden uit 1734 en 1782 en in de kerkvloer liggen verschillende grote, bewerkte zerken voor de families Heemstra en Sminia, adellijke families die in staten in de naaste omgeving woonden. Het orgel op de westelijke tribune is in 1882-’83 gebouwd door de firma Bakker en Timmenga uit Leeuwarden.

Op een hoge terp kwam in het derde kwart van de 12de eeuw de Michaëlskerk tot stand, een tufstenen gebouw met een gereduceerd westwerk. De toren en de nevenruimten vormden daarbij zowel beganegronds als op de verdieping een drieledig overwelfd systeem waarbij de ruimten geopend waren naar het schip. In Anjum is van dit westwerk de zuidzijde bij de verbreding van de kerk verloren gegaan. Uiterlijk is de tufsteenkerk zichtbaar bij de toren en een gedeelte van de noordmuur. De westmuur vertoont stroken tufsteen tussen baksteenreparaties. Aan alle zijden van het torenmuurwerk zitten hoog drieledige, tufstenen, door rondstaven gescheiden spaarvelden die afgesloten worden door rondboogfriezen. De toren is in de 15de eeuw verhoogd in baksteen, gemetseld in afwisselende banden van grote rode en kleine gele steen, die speklagen suggereren. Onder de spits wordt het muurwerk bekroond met een korfboogfries met gebeeldhouwde kopjes.

De kerk is in de 13de eeuw verlengd en in de eerste helft van de 15de eeuw aan de zuidzijde verbreed en voorzien van een nieuwe koorsluiting. De zuidmuur en het koor zijn sindsdien geleed door (herstelde) steunberen met ertussen grote spitsboogvensters. De noordmuur heeft slechts enkele grote vensters en 19de-eeuwse steunberen. Na een orkaanramp in 1681, waarbij de torentop door het dak sloeg, is alles gerepareerd en werd het houten tongewelf aangebracht. In het ruime interieur wordt de aandacht getrokken naar het prachtige 16de-eeuwse sacramentshuis in het noordoosten. Het is een bakstenen huisje met een geveltopje op een rechthoekige, geprofileerde omlijsting. In de spitsbogige nis is een timpaan met een flamboyante tracering van roze zandsteen verwerkt. Het meubilair is deels 17de-eeuws. De preekstoel met klankbord is in 1666 vervaardigd door Jacob Cornelis. Twee overhuifde herenbanken vertonen eenzelfde renaissanceaanpak. Tegenover de preekstoel staan twee 18de-eeuwse herenbanken met versierde achterschotten. De koorwanden hebben beneden grote en diepe nissen die mede een liturgische functie hebben gehad. De fraaie psalmborden dateren uit 1745. Het orgel is in 1875 gebouwd door L. van Dam & Zn.

van de tweede naar de eerste travee. Het is een korfbogige poort waarboven het venster is ingekort. De oostelijke sluitmuur bezit ook een spitsboogvenster dat geflankeerd wordt door twee tot diepe nissen dichtgemetselde lagere rondboogvensters. De geveltop is versierd met klimmende blindnissen. Het schip is in vijf traveeën gedekt met kruisribgewelven die op T-vormige muurconsoles rusten. Tijdens de restauratie in de jaren 1950 zijn restanten van muur- en gewelfschilderingen gevonden. In het tweede gewelfvak twee engelenkopjes – één met een vleugel – en in dezelfde travee zit tegen de noordmuur een voorstelling van een heilige met wandelstaf, mogelijk Sint-Christoffel. De preekstoel van omstreeks 1650, zonder klankbord, heeft een kuip met getordeerde en omrankte hoekzuilen en wapens op het voorpaneel. De herenbank uit dezelfde tijd met balusterhekjes en knoppen heeft op het achterschot wapenpanelen tussen rolwerk. In de vloer liggen verschillende zerken van de families Harckema, Burmania, Hania en Haersma. Het orgel is in 1883 door E. Leichel vervaardigd.

De rechtgesloten bakstenen zaalkerk is in het midden van de 15de eeuw achter een oudere toren gebouwd op een verhoogd kerkhof. De toren uit de 13de eeuw heeft op een plint twee geledingen, waarvan de eerste hoog is. Bovenin staat aan elke zijde een rondbogig galmgat. Het gat aan de oostzijde is in de verdrukking gekomen door het later aangebrachte kerkdak. En aan drie zijden zitten uurwerkplaten. In de westelijke gevel staan bovendien midden in de eerste geleding een drievoudig geprofileerd romano-gotisch radvenster en in de tweede geleding een klein spitsboogvenster. De toren heeft in 1895 zijn zadeldak in moeten leveren voor een vrij gedrukte, ingesnoerde achtzijdige spits. Het schip is in zijn geleding en detaillering kenmerkend laatgotisch. De gevels zijn geleed door (vernieuwde) steunberen waartussen de grote spitsboogvensters met stenen traceringen in gaffelvorm staan. In de noordmuur staat in de tweede travee een (nu dichtgemetselde) ingangspartij van een gedrukt korfbogige poort in een hoge, spitsbogige nis. In de zuidmuur is vrij zeker de in gebruik zijnde ingang verplaatst.

De in de middeleeuwen aan Maria gewijde kerk staat op een terp met een kerkhof dat geheel is omgeven door een smeedijzeren hek uit het midden van de 19de eeuw. Het vroeggotische schip is in de 13de eeuw totstandgekomen en een eeuw later is het vijfzijdig gesloten koor toegevoegd. Het metselwerk laat een menging van gele en rode baksteen zien; bij het schip vooral geel en bij het koor is rood dominant. Het schip is geopend met grote spitsboogvensters. In de zuidmuur is de ingang dichtgemetseld; de korfbogig geprofileerde poort staat in een spitsbogige nis. Aan de noordzijde is de ingang van eenzelfde model in gebruik; in de nis zit een merkwaardige zandstenen saterkop. Het koor was eveneens met grote spitsboogvensters geopend. Eén exemplaar is er nog, twee zijn dichtgemetseld en aan de noordoostzijde staat een oorspronkelijk slank, met een stenen tracering ingedeeld spitsboogvenster waarvan de onderzijde is toegemetseld. De oorspronkelijke zadeldaktoren is in 1857 vervangen door een ongelede toren van kleine gele baksteen met een achtzijdige, ingesnoerde spits.

Tussen voorkerk en schip staat een wand met een balusterhek in renaissancevormen, een hek dat ongetwijfeld koorhek is geweest. De kerkruimte heeft een houten tongewelf en zware trekbalken. Het voornamelijk 18deeeuwse meubilair vormt een fraaie eenheid. Het hoogtepunt is de dooptuin met doopbekken en de in 1759 door Eylardus Swalue fraai gesneden preekstoel met klankbord en op de kuippanelen personificaties van de christelijke deugden. De hiertegenover staande herenbank van de familie Van Aylva is van 1761. Op de vloer van de kerk ligt een aantal belangrijke grafzerken, waaronder een roodzandstenen priesterzerk uit 1476 en zerken van de bewoners van Uniastate. In het orgel, in 1880 gebouwd door L. van Dam & Zn., zijn delen van het Schwartzburg-orgel uit 1750 verwerkt.

De kerk is sinds 1960 niet meer voor de eredienst in gebruik. In 1975 verwierf de Stichting Alde Fryske Tsjerken de kerk en zij wordt sindsdien voor culturele gebeurtenissen gebruikt, zoals een tentoonstelling over stinsen en staten in Friesland.

De in de middeleeuwen op een hoge terp gebouwde en aan Martinus gewijde kerk is in 1669 vervangen door een nieuw gebouw achter de oude toren. Deze heeft drie door cordonlijsten gescheiden geledingen. De gevelplastiek en het gemêleerde gebruik van gele en rode baksteen geven de toren een levendig karakter. Aan de westzijde staat de nieuwe ingang onder een spitsboogvenstertje dat in zijn rijke profilering een spel vertoont van rode en gele steen. De tweede geleding is met nissen verlevendigd: aan alle zijden twee boven elkaar geplaatste registers van gekoppelde segmentvormig gesloten spaarnissen. De galmgaten en spaarnissen in de hoogste geleding wisselen in aantal van drie tot vijf. Het zadeldak maakte in 1862 plaats voor een hoge ingesnoerde spits.

De kerk is in 1669 gebouwd in een ingetogen gotiserende trant met aan de zuidzijde zes licht spitsbogige vensters en flauw diagonaal gemetselde steunberen. In de zuidelijke gevel staan twee classicistische poorten met neggen en sluitstenen in de vorm van bijbels met spreuken. De oostelijke gevel draagt in het bekronende fronton een wapen en naam, die met de even verder geplaatste steen over de stichters vertellen: Georg Frederik thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg en diens vrouw Isabella Susanna. Het fronton van de westelijke poort draagt de namen van de kerkvoogden. De noordelijke gevel is nagenoeg blind.

In het interieur is het meubilair grotendeels 17de-eeuws. In de dooptuin staat de preekstoel met klankbord (1673) met gewrongen en omrankte zuiltjes op de hoeken van de kuip en bloemen- en vruchtenfestoenen op de panelen. De psalmborden zijn in dezelfde stijl. De herenbank is 18de-eeuws. De vrouwenbanken bezitten gesneden wangstukken met bloemenfestoenen. In het koor zit een rijk versierd en van wapens en een voorstelling van Openbaringen 2:10 voorzien zandstenen epitaaf, omstreeks 1615 gehouwen door Dirck Lieuwes en Claes Jelles voor het eerste echtpaar van het geslacht Schwartzenberg dat zich in Friesland vestigde, Johan Onuphrius en Maria von Crombach. Het orgel is in 1861 gebouwd door de Groningse orgelbouwer P. van Oeckelen.

In het geïsoleerde dorp is begin 14de eeuw op een terp de vroeggotische Mariakerk met een zadeldaktoren gebouwd. Bij de bakstenen zaalkerk met een driezijdig gesloten koor vertonen de noordelijke en oostelijke zijde oorspronkelijk muurwerk van gemêleerd kleu rige moppen. In de noordmuur met een restant van een tandlijst zitten deels dichtgemetselde kleine spitsboogvensters. De muur wordt geschoord door steunberen van verschillend model. Nabij de toren staat een buitengewone, dichtgemetselde ingang. De korfbogige poort is opgenomen in een geprofileerde, spitsboognis die weer met getordeerde colonnetten rechthoekig is omkaderd. In het timpaan zit een kleine, natuurstenen beeldnis met een hogel ter bekroning. De koorsluiting bestaat ook uit het gemêleerde baksteenmateriaal. De blinde sluitgevel wordt door drie licht diagonaal gemetselde beren geschoord. In de andere koormuren staan grote rondboogvensters. Ook de zuidelijke muur heeft grote rondboogvensters die uit de eerste helft van de 19de eeuw dateren. Het muurwerk is deels vernieuwd maar aan de westzijde zitten nog muurvakken met middeleeuws materiaal. De kern van de toren is vrij zeker nog middeleeuws maar hij is omstreeks 1880 ommetseld. Hij bestaat uit drie geledingen en een ingesnoerde spits.

In het interieur met ingetogen maar evenwichtig meubilair trekt het orgel onmiddellijk de aandacht, vooral omdat boven de galerij in de orgelboog helder blauw geschilderde draperieën hangen die het instrument omvatten. Het instrument is in 1659 gebouwd door Willem Meynerts. De ornamenten en de bekroning zijn mogelijk deels te danken aan een herstel door Johan Spoorman in 1789. Daarna is het orgel nog tweemaal gerestaureerd. Het in een lichte houtimitatie geschilderde meubilair, behoudens de preekstoel met klankbord tegen de oostelijke wand die donker is gehout, vormt een fraaie eenheid met vrouwen- en mannenbanken, twee overhuifde herenbanken en halfrond geplooide kerkenraadbanken binnen het doophek. Op deze 19de-eeuwse eenheid vormen de psalmborden uit 1657 een uitzondering. Onder de houten vloer liggen grafzerken, waarbij één uit 1478 en één in 1551 door Benedictus Gerbrandtsz. gebeeldhouwde zerk voor bewoners van Riniastate. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

In de 13de eeuw was op de terp van Blije een romaanse, bakstenen Nicolaaskerk met westtoren totstandgekomen. Achter de gehandhaafde toren is de kerk aan het begin van de 16de eeuw vervangen door de huidige laatgotische kerk. De romaanse toren gaat tot de galmgaten onversneden op. Beneden is in de westgevel een geprofileerd spitsboogvenster gemaakt; verder zijn er enige kleine, sleufvormige openingen. De gekoppelde rondgesloten galmgaten staan in rondboognissen. Die aan de oostzijde zijn enigszins in de verdrukking gekomen door het hoogoprijzende kerkdak. Aan noord- en zuidzijde zitten uurwerkplaten. De geveltoppen zijn in het midden van de 18de eeuw vernieuwd.

De muren van de laatgotische kerk laten een plastisch ritme zien van grote diepliggende spitsboogvensters en tweemaal versneden steunberen met dekplaten. In de tweede travee aan de zuidzijde staat een segmentvormig gesloten ingang in een rechthoekige nis. Het vijfzijdig gesloten koor heeft afwisselend vensters en nissen in spitsboogvorm. Ook de noordmuur heeft grote vensters en steunberen. In de tweede travee staat de tegenwoordig gebruikte ingang in een omlijste, gepleisterde, rechthoekige partij, waarin een fraai geprofileerde spitsboognis is verwerkt met in het timpaan een kleine beeldnis waarin recent een Sint-Nicolaasbeeld is geplaatst. De ingang zelf is segmentvormig gesloten.

Het interieur wordt gedekt door een in 1858 aangebracht houten tongewelf in (gereconstrueerde) oorspronkelijke kleuren en trekbalken op sleutelstukken. Het meubilair dateert grotendeels uit de vroege 18de eeuw. De preekstoel met klankbord bezit op de kanselkuip en het achterschot snijwerk van sierlijsten en bladornament in Lodewijk XIV-stijl. Het orgel is in 1870 gebouwd door Lambertus van Dam uit Leeuwarden. Tegen de noordwand staan twee overhuifde herenbanken. Het doophek is verplaatst en fungeert nu als koorhek. In de muur van het koor zit een piscina en in de vloer liggen grafzerken, waaronder een kinderzerk (1556) en een prachtige portretzerk, in 1552 vervaardigd door Vincent Lucas voor Janke van Unema en Tet Wyboltsma. De man is in wapenrusting afgebeeld tegen een achtergrond van een rijk versierde renaissancepoort met een draperie.

De oorspronkelijk aan Sint-Martinus gewijde kerk staat aan de noordelijke rand van het dorp op een terp. Van de kerk is de oostelijke koorpartij met halfronde apsis waarschijnlijk het oudst. De oostelijke partij dateert uit de tweede helft van de 12de eeuw; het schip is van iets later en mogelijk is toen het koor ook al aanzienlijk in baksteen verhoogd. De toren moet aan het einde van de 13de eeuw zijn verrezen. De muren zijn als kistwerk behandeld: de buitenmuren zijn voornamelijk van tufsteen en de binnenmuren van baksteen, waartussen een vulling van keien, puin en mortel is gestort. Tijdens de restauratie van 1939 tot 1948 waren sporen van rondbogige vensters in de zuidelijke gevel aanleiding om deze te reconstrueren. Ze hebben diepe, schuine dagkanten. In deze zuidelijke gevel is in 1700 een barokke poort toegevoegd: korfbogig met lijstkapitelen en een sluitsteen met een cherubijn.

De poort staat tussen korintische pilasters en onder een kroonlijst met opschrift en datering en heeft een klein segmentvormig timpaan met een palmboom in zandsteen. In de gevels van het koor en de apsis staan rondboogvensters waarbij de geprofileerde dagkanten verrijkt zijn met colonnetten met ringen van roze zandsteen. In de noordelijke koorgevel zitten bovendien laag een nis en een klein venster: mogelijk hagioscopen. In de noordelijke gevel staan drie hooggeplaatste gotische spitsboogvensters die vanzelfsprekend een bakstenen pro filering in de dagkanten bezitten en een stenen gaffeltracering. Meer westelijk staat nog een romaans venster en eronder, om de voorkerk te verlichten, twee segmentvormig gedekte venstertjes. Ook is daar de dichtgemetselde noordelijke ingang te zien, onder een segmentboog en in een spitsboognis.

De toren is aan het einde van de 13de eeuw opgetrokken van gemêleerd rode en gele baksteen; in de oostelijke en noordelijke gevels is ook nog tufsteen verwerkt. De romp is onversierd; de galmgaten bovenin de toren vertellen een merkwaardig verhaal. Er staan namelijk twee reeksen van die gaten boven elkaar wat stellig aangeeft dat de toren eens is verhoogd. Ze zijn licht verschillend van vorm en formaat. Van de twee klokken in de toren is de ene in 1633 gegoten door Andreas Obertin.

Het schip wordt inwendig gedekt door een houten tongewelf. De koortravee heeft een kruisgewelf met rechthoekige ribben en de apsis een koepelgewelf. De overgang van schip naar koor wordt gevormd door een zwaar geprofileerde gordelboog en die naar de apsis door een bescheidener boog die begeleid wordt door slanke colonnetten met ringkapitelen van roze zandsteen die ook de ribben van de apsis ondersteunen. Het koepelgewelf heeft doorhangende bakstenen rondstaafribben waarop bij de restauratie decoraties in velerlei patronen en in de kleuren blauw, rood en oker zijn aangetroffen. Ze zijn opgewerkt en aangevuld. De ribben verzamelen zich boven in een ster en vormen in het midden een neerhangende knoop. Op de drie oostelijke gewelfschelpen is tijdens de restauratie een opmerkelijke schildering aangetroffen, een Majestas Domini, een tronende Christus, in een vierpas met vlechtwerk, omringd door de vier evangelistensymbolen en geflankeerd door vier heiligen. De schildering is in het tweede kwart van de 13de eeuw aangebracht, waarschijnlijk naar een ouder type voorstelling. Christus is afgebeeld als een baardloze jongeman. In de apsismuur zitten enkele nissen, een hagioscoop en een piscina.

In de kerkvloer ligt een collectie gebeeldhouwde grafzerken uit de 16de tot de 18de eeuw, waarvan twee (1541 en 1542) van de vroege renaissancemeester Benedictus Gerbrandtz. voor leden van de familie Walta de hoogtepunten vormen. Ze tonen onder meer maniëristisch beweeglijke mensen tussen de dekkleden rond de wapens. De voorname preekstoel, in 1691 vervaardigd door Agge Monsma, heeft gegroefde korintische zuilen en gekorniste panelen, een rugschot en een fors klankbord. Het doophek uit 1780 heeft fraaie rococo balusters en sierlijke bolle vazen op de hoeken. De twee overhuifde herenbanken bezitten wangen van hetzelfde type als de kerkbanken. De bouw van het monumentale orgel met rugpositief is in 1783 begonnen door G. Heineman en in 1791 door Rudolf Knol voltooid. De orgelkas met beeldengroepen en rijke decoraties is vervaardigd door F. Twentrop en Antonio Solaro.

De kerk van Boer is in de vroege 12de eeuw op een terp verrezen. Zij is in romaanse vormen van grote, gemêleerd gele en rode kloostermoppen gebouwd. Kerk en toren zijn in de 19de eeuw geheel geblokt gepleisterd, maar geleidelijk zijn er stukken pleister los gaan laten waardoor fragmenten muurwerk in het zicht kwamen. Het koor heeft een eigenaardige sluiting die wel als romaans halfrond wordt gezien, maar vaker als vijfzijdig gotisch. De kern is vrij zeker romaans met een halfronde hoofdvorm. In de 15de of 16de eeuw is hieromheen met zware lisenen en gemetselde togen een soort korset gebouwd.

Het vijfzijdige effect wordt versterkt door steunberen. In de muren staan brede rondboogvensters met ijzeren roeden uit de tijd waarin de kerk werd gepleisterd. In de westelijke travee van de zuidmuur staat de ingang met een poortje uit 1664, afkomstig van Elgersmastate die in de nabijheid stond. Het bestaat uit pilasters met festoenen met bloemen, schelpen en vruchten. Op de kroonlijst staan twee wapenhoudende leeuwen. In het met een pijnappel bekroonde fronton zitten kwabornament en de initialen IVK, waarschijnlijk Ignatius van Kingma, die op Kingmastate in Zweins woonde. Hij heeft een band met Boer gehad, want zijn naam staat ook op de preekstoel vermeld. De eveneens bepleisterde toren is opgetrokken van rode baksteen van een kleiner formaat en zal in de 16de eeuw zijn verrezen. In de westgevel staat een rondboogvenster en bovenin heeft elke zijde twee rondbogige galmgaten, maar verder is de toren gesloten.

Inwendig is de kerkruimte met een houten gewelf uit de 17de eeuw gedekt. De ribben en randen zijn versierd met eierlijsten. In het koor staat een bijzondere preekstoel met doophek en klankbord. Hij heeft op de hoeken getorste zuilen en met kwabornament en loofwerk versierde panelen en het meubel zal uit de jaren 60 van de 17de eeuw stammen. Op het voorpaneel heeft Ignatius van Kingma zijn naam achtergelaten. Op de westgalerij met een afscheidingswand uit het derde kwart van de 17de eeuw staat een kabinetorgel. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Margaretakerk is in de 12de eeuw van tufsteen gebouwd op de hoge en aan de noordwestzijde scherp afgegraven terp van Boksum. In de vroege 14de eeuw is de kerk uitgebreid en in de 15de en 16de eeuw heeft het gebouw ook nog veranderingen ondergaan. De toren is na instorting in 1843 met het oude materiaal opnieuw opgetrokken en is in 1879 tot de huidige gedaante omklampt en van een ingesnoerde spits voorzien. De oude vorm van de tufstenen kerk is aan de noordzijde te zien, waar het muurwerk een boeiend historisch tapijt is gaan vormen. Daar zit een dichtgemetselde ingang in fraaie gotische vormen. De zuidmuur en het koor hebben gotische vormen met al dan niet dichtgezette spitsboogvensters en steunberen.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf van omstreeks 1500. De preekstoel met klankbord heeft traditionele vormen met gekorniste panelen op de kuip. Tegen de noordwand staat een overhuifde herenbank van de familie Glinstra–Bouricius met een bekroning van een aedicula waaruit de wapens zijn verwijderd. Tegen de koorsluiting staat een overhuifde bank in neoclassicistische vormen uit 1826. Daarbij hangt een memoriebord van de slag bij Boksum (1586). In de vloer liggen grafzerken waarvan die voor het echtpaar Worp van Juckema en Anna van Mockema (overleden resp. 1560 en 1585) zeer bijzonder is. Hij werd in 1561 gehouwen door Pieter Dircks en vertoont aan weerszijden van de nis met wapens de personificaties van Memoria en Gloria die wulps haar tuniek optilt. In een nis aan de bovenzijde zien we een levendig portret van astronoom Ptolemeus die de aardbol ophoudt en in de zwikken zijn putti met aan de ene zijde meet- en muziekinstrumenten en aan de andere zijde gereedschap te zien.

Het orgel met rugpositief, dat net als in Blessum op een podium staat met blauw geschilderde draperieën onder het gewelf, is oorspronkelijk in 1675 gebouwd door Jan Harmens. Het instrument heeft allerlei wijzigingen ondergaan. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Broerekerk hoorde bij het Franciscaner klooster dat in 1270 in Bolsward is gesticht. Klooster en kerk hebben een dramatische geschiedenis. Het klooster is in 1503 door brand verwoest en weer opgebouwd. Na de reformatie is het opnieuw verwoest; de kerk werd gespaard. Later is de kerk in gebruik gekomen voor de protestantse eredienst. De fraai gesneden gotische koorbanken zijn overgebracht naar de Martinikerk, waar ze met die van de Martini een boeiend ensemble vormen.

Het klooster is gesticht in het laatste kwart van de 13de eeuw, maar of de kerk toen ook tot stand is gekomen, is de vraag. De pseudobasilicale kerk met ronde bakstenen kolommen en spitsbogige scheibogen heeft een vrij diep koor met een driezijdige sluiting. Zij heeft met haar structuur en detaillering, spitsboogvensters met rijke traceringen, een gotisch karakter. Het is vooral de rijk versierde westelijke gevel die reden is tot discussie over de bouwtijd. De klimmende boognissen in zowel het middenregister van de gevel als de hier en daar zelfs dubbel geprofileerde klimmende nissen in de geveltop kunnen zowel geplaatst worden in de rijke romano-gotische periode als de laatgotische tijd van de vroege 15de eeuw. Historisch gezien zou de eerste mogelijkheid minder aannemelijk zijn: de minderbroeders vormden een bedelorde die kort na de vestiging mogelijk de middelen nog niet had voor zo’n rijk uitgedoste kerk. Geleidelijk is het klooster door schenkingen tot welstand gekomen, waardoor zelfs strijd ontbrandde tussen Gaudenten (rekkelijken) en Observanten (strengen).

Bij een verwoestende brand in 1980 gingen de kap, de houten gewelven en de inventaris verloren. De kerk was toen al niet meer voor de eredienst in gebruik. In 1986 is de bakstenen structuur met ronde, van baksteen opgetrokken kolommen tussen schip en zijbeuken hersteld en als kerkruïne gehandhaafd, waarna deze voor toeristisch bezoek en culturele gebeurtenissen kon worden gebruikt. In 2005 is begonnen aan hernieuwd herstel waarbij een kerkdak in het oorspronkelijke formaat van transparant materiaal is toegevoegd.

De aan Sint-Martinus gewijde kerk is in de hoge middeleeuwen dekenaatkerk geworden en daarmee de moederkerk van Westergo. De huidige kerk is het resultaat van een ambitieus nieuwbouwprogramma in de 15de eeuw. Dat begon in het eerste kwart van de 15de eeuw met de bouw van een robuuste toren, waarvan de bovenste twee geledingen in het derde kwart van deze eeuw tot stand zijn gekomen en in de 17de eeuw de bekroning met een zadeldak. De vernieuwing van de kerk begon in 1446 met de westzijde van het schip. Tegen het midden van die eeuw werden aan de noord- en zuidzijde flinke toegangsportalen gebouwd (die aan de noordzijde is in 1909 gesloopt). Het oostelijke deel van het schip en het rijzige koor zijn daarna gebouwd en konden in 1461 worden voltooid. Vijf jaar later is aan de noordzijde een sacristie gebouwd, die vrij zeker in het midden van de 17de eeuw is verlaagd en onder de doorlopende kap van de noordbeuk gebracht.

Het resultaat is een ruime pseudobasilicale kerk die bestaat uit een schip met zijbeuken die langs de toren doorlopen. In de zijbeuken staan spitsboogvensters tussen tweemaal versneden steunberen; aan de noordzijde zijn de laatste twee traveeën – de sacristie – voorzien van hoge rechthoekige vensters onder korfbogen. Daar rijst uit het dak een traptoren met spits op. Tussen de kap van het schip en de aankappingen van de zijbeuken is het muurwerk aan de westzijde blind, terwijl de oostelijke traveeën enige verlichting krijgen van ronde vensters. In het koor staan zeer hoge spitsboogvensters tussen zware steunberen die met hogels zijn bekroond.

Het interieur is gedekt door stenen gewelven, alleen aan weerszijden van de toren zitten houten tongewelven. Het schip heeft stergewelven tussen gordelbogen die evenals de minder hoge scheibogen rusten op ronde kolommen. De zijbeuken hebben kruisgewelven. Boven de scheibogen zijn de wanden voorzien van nissen met traceringen, een soort schijnlichtbeuk. Waar geen hoge vensters zijn heeft het koor zeer hoog oprijzende nissen waardoor de koorruimte wel heel hemels is geworden. Op een noordelijke koornis is vaag een schildering te zien van de bisschop van Utrecht en de deken van Bolsward, Watse van Heerma (circa 1560). Op een van de schipgewelven zitten decoratieve schilderingen en in de noordbeuk zijn op de gewelven grotendeels goed bewaarde schilderingen van omstreeks 1475 te zien met voorstellingen van de Annunciatie, Geboorte, Besnijdenis, Aanbidding der wijzen, Vlucht naar Egypte, Kindermoord, Presentatie in de tempel, Doop in de Jordaan, Verzoeking in de woestijn en Bruiloft van Kana.

De kerk bezit bijzonder rijk meubilair. De koorbanken, waarvan de noordoostelijke afkomstig is uit de Broerekerk, behoren tot het fraaiste gotische snijwerk van Nederland. Ze zijn met baldakijns en vouwwerk in de rugpanelen gesierd en de wangen laten bijbelse taferelen en voorstellingen van heiligen zien, zoals scènes uit het leven van Maria, de kerkpatroon Sint-Martinus, Sint-Joris, Sint-Barbara en Sint-Catharina, maar ook Judith en Holofernes, Salomo’s Oordeel, de Mannaregen en Abrahams offer. De preekstoel is ontworpen door Gerben Wopkesz.; Pieter Jurjensz., Johannes Kinnema en Piter Posthuma voerden hem uit in 1660-’62. De kuip wordt gedragen door twee grote adelaars en een mollige engel. In de panelen tussen de gewrongen, omrankte zuilen zijn verrassende voorstellingen van de vier seizoenen gesneden en in front de Bijbel onder een boog met de tekens van de dierenriem. Het klankbord draagt een drie verdiepingen tellende lantaarn met gewrongen zuiltjes en een bekroning van adelaars en de keizerskroon. De preekstoel wordt gerekend tot de fraaiste van Nederland uit de baroktijd.

De gotische doopvont van hardsteen is afkomstig uit de kerk van Kuinre. In de vloer ligt een gevarieerde collectie grafzerken, waarbij twee renaissancezerken van Benedictus Gerbrandtsz. en de fraaiste portretzerk van Friesland, die voor Godschalk van Heerma en diens tweede vrouw Sits van Cammingha, in 1620 vervaardigd door Hans Schuyneman. Het monumentale orgel met rugpositief is in 1781 vervaardigd door Albertus Anthoni Hinsz (tachtig jaar later uitgebreid door firma L. van Dam & Zn.) met een kas van Jan Nooteboom en snijwerk van Hermannus Berkebijl.

De Mariakerk staat op een opvallend hoge terprest. Het koor, dat een halfronde sluiting bezat, is omstreeks 1200 van kloostermoppen gebouwd. Het romano-gotische schip is in de 13de eeuw totstandgekomen. Toen zijn er twee koepelgewelven aangebracht, waarbij het oostelijke gewelf ook een deel van het koor dekte. Het koor werd van het schip gescheiden door een triomfboog. In het midden van de 16de eeuw is de kerk verhoogd, zijn de gewelven in het schip gesloopt en is de huidige kap aangebracht. Toen is aan de westzijde een toren opgetrokken die in 1845 deels en in 1898 geheel is gesloopt waarna de huidige houten geveltoren met ingesnoerde spits is aangebracht. De koorapsis is in 1816 vervangen door een rechte koorsluiting van deels oud bouwmateriaal. Het koorgewelf is toen weggebroken, maar de triomfboog is gerespecteerd, waarbij de aanzetten van de gewelven zichtbaar bleven.

In beide zijmuren van het koor zijn de geringe sprong naar het schip en het kwartronde profiel voor de verhoging te zien. Aan de noordzijde staat een hoog rondboogvenster en daarnaast een spoor van een klein romano-gotisch venster. In de zuidmuur van het koor staan twee spitsboogvensters. Het schip heeft aan de zuidzijde ook twee dergelijke vensters. Bovendien staat aan de westzijde een dichtgemetselde ingang onder een kloeke rondboog. In de noordmuur van het schip zit een dichtgemetseld spitsboogvenster. Aan de westzijde staat de huidige ingang, omvat door pilasters en bekroond door een klokgeveltop uit 1751 die afkomstig is van de gesloopte pastorie van Hiaure.

Het intieme interieur wordt gedekt door een vlak balkenplafond. De licht spitsbogige triomfboog bevat fraaie ornamentele schilderingen en in de ondiepe koorruimte zijn resten van muurschilderingen te zien. Tegen de zuidwand zou de Wonderbare Visvangst verbeeld kunnen zijn en is een bos te zien, aan de noordzijde een groep heiligen, waarvan één met kruisstaf. De eenvoudige preekstoel dateert waarschijnlijk van 1816. In de vloer ligt een grote renaissancezerk voor Frans van Aylva, overleden in 1563, gehouwen door Benedictus Gerbrandtsz. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De kerk staat midden in het vrij gave terpdorp waarvan de radiale structuur doorkliefd wordt door de doorgaande weg. Tot in 1972 leek de kerk met grote spitsboogvensters een laatgotisch bouwwerk uit de 15de eeuw. In dit jaar kwam onder de in 1858 aangebrachte pleisterlaag een in de tijd genuanceerder verhaal tevoorschijn. De westelijke traveeën van het schip bleken uit tufsteen te bestaan. De meest westelijke travee schijnt pas in de 15de eeuw in tufsteen te zijn toegevoegd, maar de andere twee tufstenen traveeën zijn 12de-eeuws. De westelijke helft van de kerk is grijs van het tufsteen, het oostelijke gedeelte levendig rood van de gemêleerde baksteen. Het westelijke gedeelte wordt aan beide zijden geschraagd door eenmaal versneden steunberen die van tufsteen zijn, maar stellig ver na de 12de eeuw zijn toegevoegd. Vooral in de noordmuur zijn in het tufgedeelte flinke fragmenten van een rondboogfries bewaard gebleven, maar ook aan de zuidzijde zien we wat kleine sporen van deze romaanse muurversieringen.

Vlakbij de bouwnaad naar de bakstenen uitbreiding zijn de randen van de spaarvelden te zien. In de noordmuur zit een spoor van een rondboogvenster en in de benedenzone een dichtgezette kleine opening. Hier zitten twee ingangen. In de westelijke travee van de zuidmuur staat een dichtgemetselde gotische ingang met een spitse boogtrommel waarin een beeldnis heeft gezeten. Kort voor 1543 is de kerk in baksteen naar het oosten verlengd en van een driezijdige koorsluiting voorzien. De koorsluiting heeft tweemaal versneden steunberen en drie grote vensters, waarvan die in de sluiting is dichtgemetseld. De westelijke gevel en forse geveltoren met ingesnoerde spits kwamen in 1877 naar ontwerp van P. Helder tot stand.

De kerkruimte heeft onder een houten tongewelf en tussen gepleisterde en van pilasters voorziene wanden (1858) een eenvoudige inrichting met een wit geschilderd liturgisch centrum: binnen een doophek met balusters en een gietijzeren doopboog staat de preekstoel uit omstreeks 1660 die voorzien is van een klankbord. Het orgel is in 1877 gebouwd door Willem Hardorff.

Op de terp van Britsum is de kerk, die waarschijnlijk aan Johannes was gewijd, vanaf het einde van de 12de eeuw totstandgekomen. Het exterieur verstopt een fascinerende middeleeuwse structuur en interieur. De oude kerk is in 1875 ommetseld, mogelijk naar ontwerp van E. Kuikstra. Het schip en de meerzijdige – inwendig ronde – koorsluiting is daarbij uiterst eenvoudig aangepakt maar het front met ingebouwde westtoren is opgesierd. De westelijke partij met toren is waarschijnlijk in 1896 aangepakt; er werd toen een aanzienlijk bedrag voor uitgetrokken. De toren met ingesnoerde spits is decoratief gestukadoord. Er hangen twee klokken in: die in 1507 door Johannes is gegoten, draagt reliëfs van Maria en Bartholomeus; de andere van Jurriën Balthasar uit 1664 draagt wapens van de schenkers. In de toren bevindt zich een 17de-eeuws torenuurwerk. Deze westelijke partij is achter de jonge bekleding het oudst. Het is een zogeheten gereduceerd westwerk dat tussen 1180 en 1200 is gebouwd. Zo’n gereduceerd westwerk bestaat uit een toren met aan weerszijden zowel op de begane grond als op de verdieping vierkante overwelfde ruimten die door middel van bogen met de torenruimte en met het schip in open verbinding staan. Het is een vereenvoudigde versie van robuuste, ingewikkelde westwerken die bij grote kerken in de Maasstreek en Westfalen zijn te vinden. Achter het westwerk van de Johanneskerk is tussen 1240 en 1260 een romano-gotisch schip met rondgesloten koor gebouwd. Het interieur is in vier vakken met gevarieerde, tufstenen koepelgewelven gedekt. De muurbogen en de met gearceerd schilderwerk versierde gordelbogen tussen de gewelfvakken zijn licht spitsbogig en steunen op pilasters. De westelijke gewelftravee – met orgelgalerij – heeft een verdeling in zessen, waarbij de ribben elkaar kruisen. De volgende travee heeft ook een verdeling in zessen, maar hier komen de ribben bijeen in de vorm van een zespuntige ster. Het derde vak is in vieren gedeeld met een vergaring van de ribben aan een ringvorm. Het gewelf van het koor bestaat uit zes schelpen waarbij de licht verdraaide ribben in een afhangende knoop bijeenkomen. De gewelfribben lopen als colonnetten door langs de muurpilasters; in het koor steunen ze halverwege op consoles. De ribben zijn evenals de gordelbogen met schilderwerk g edecoreerd in gevarieerde patronen en kleuren, waarbij de rode okers domineren. Er zijn ruitformaties, kepers, zaagtandvormen, enkele en dubbele spiralen en banden te zien.

Bij de recente restauratie (1993-’94) is een opmerkelijk programma van muurschilderingen uit de periode omstreeks 1270 onder de kalklagen aangetroffen en in 1997 aan het licht gebracht. Een Maria met Kind in een mandorla werd aangetroffen op het gewelf van het schip. De wanden en gedeelten van het gewelf van de koorsluiting laten een uitvoerige serie passietaferelen zien: het Laatste Avondmaal, de Gevangenneming, Ver oor deling, Geseling, Kruisdraging en Kruisiging. Van uit de boogzwikken kijken oudtestamentische persoonlijkheden op de lijdensgeschiedenis neer. Waarschijnlijk zijn het Abraham, Isaak, Jakob, Mozes, Aäron, David, Salomo, Jonathan, Absalom en Saul. Bij een nis die mogelijk de functie van sacramentnis heeft gehad, is een reliëf van roze zandsteen met een ram met vier horens in de muur verwerkt. Ooit in Britsum gevonden, is het er na museale omzwervingen teruggekeerd.

Het meubilair dateert uit de 17de eeuw. De eikenhouten vierzijdige preekstoel met gekorniste panelen tussen gecanneleerde hoekzuiltjes en het doophek dateren uit 1667. De doopbekkenstandaard is mogelijk 19deeeuws. De overhuifde herenbank van vermoedelijk de familie Burmania (midden 17de eeuw) heeft gewrongen, omrankte zuilen en een voorbank met balusterhek. De eveneens overhuifde bank met gecanneleerde zuilen en een gesneden kuifstuk, waarin het alliantiewapen Van Wyckel – Van Lyclama is opgenomen, kwam aan het einde van de 17de eeuw tot stand. De tekstborden met gouden biezen dateren uit 1725 en zijn in 1862 veranderd. In de vloer ligt een aantal interessante zerken: een priesterzerk voor Aggo Herama uit 1535 die mogelijk door Benedictus Gerbrandtz. is gehouwen, een zerk voor de in 1577 overleden Edzart van Douwema en enkele zerken voor de families Burmania, Schotanus en Douma. Het orgel is in 1861 gebouwd door Willem Hardorff uit Leeuwarden. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De kerk op de sterk afgegraven terp was oorspronkelijk gewijd aan Sint-Nicolaas, maar wordt nu Sint-Joriskerk genoemd. De zaalkerk met rondgesloten koor is in het midden van de 12de eeuw gebouwd van geel gemêleerde kloostermoppen. De toren verving in 1883 een middeleeuwse toren met zadeldak. Hij heeft drie geledingen en spaarvelden die zijn afgesloten door rondboogfriezen van gele steen. Boven een spitsbogig westelijk venster staan sierlijke galmgaten met traceringen en de torenromp wordt bekroond door een kroonlijst met consoles en een ingesnoerde spits.

In de noordmuur staan drie rondboogvensters uit de 18de eeuw en naast het westelijke venster zit een spoor van een dichtgemetselde ingang. De zuidmuur is geopend met drie spitsboogvensters van verschillende breedte die waarschijnlijk uit de 17de eeuw dateren. Nabij het koor is een kleine, dichtgemetselde ingang te zien. Aan de westzijde zit het spoor van een eveneens dichtgemetselde grotere ingang. Vlak achter de westgevel staat de huidige ingang, een door pilasters geflankeerde, door neggen en een sluitsteen omvatte en met een in zandsteen gehouwen kuifstuk bekroonde poort. Het opschrift vermeldt een vernieuwing van de kerk in 1753 onder verantwoordelijkheid van de grietman van Baarderadeel, jonker Ernst Frans van Aylva. Diens wapen, gehouden door steigerende eenhoorns, siert de steen. Het sterk naar het oosten overhellende muurwerk van het koor bevat een dichtgemetseld ovaal venster en heeft onder de dakvoet fragmenten van verschillende profiellijsten.

De kerkzaal wordt inwendig gedekt door een 15de-eeuws houten tongewelf en zware trekbalken op muurstijlen. De barokke preekstoel met fors klankbord heeft getordeerde zuiltjes op de hoeken van de kuip. In de kerkvloer ligt een mooie collectie grafzerken, waaronder een renaissancezerk door Pieter Claesz. voor Sijds van Aggema en Ath Oenema die resp. in 1588 en 1573 overleden en zerken voor de predikant Bernardus Schotanus (door Jelle Claesz. de jongere) en hoogleraar Christiaan Schotanus uit de 17de eeuw. Het orgel is in 1868 gebouwd door L. van Dam & Zn. in Leeuwarden. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De kerktoren is aanzienlijk ouder dan het kerkgebouw. De bakstenen toren van twee geledingen is omstreeks 1200 verrezen. Hij is in de 16de eeuw verhoogd. Na een eerste herstel in 1790 is hij in 1886 deels ommetseld. Aan de oostzijde zitten de sporen van de rondgesloten dubbele galmgaten van voor de verhoging. Na een brand in 1956 kreeg de toren het huidige tentdak. De laatgotische grote zaalkerk met vijfzijdig gesloten koor kwam aan het einde van de 15de eeuw tot stand. De votiefsteen ten westen van de huidige ingang geeft bij de naam Maria het jaartal 1491 te lezen; misschien de bouwdatum.

De kerk is in 1594 door brand getroffen en in 1611-’13 hersteld. Zij heeft vooral aan de zuidzijde en bij het koor de kenmerken van de late gotiek. De muren vertonen een metrum van steunberen en hoge, brede spitsboogvensters. Aan de westzijde staat een geprofileerde, segmentvormig gesloten toegang. In de noordmuur zijn de vensters op één na dichtgemetseld; boven de huidige ingang staat een ingekort venster. Bij herstelwerkzaamheden in het midden van de 19de eeuw is het schip bepleisterd, wat bij de restauratie van 1949-’50 weer ongedaan is gemaakt.

Het interieur wordt gedekt door een vlak balkenplafond. De kerk bezit een laatgotische doopvont met opmerkelijke verbeeldingen in reliëf: de apostelen Petrus en Paulus, het Lam Gods met kruisvaan en een pelikaan (symbool voor Christus). Op de voet zien we personificaties van de levensfasen. De kerk bezit bijzonder rijk meubilair. De preekstoel met doophek is in 1769 door Egbert Hoef vervaardigd in ingetogen rococostijl. De vijf tegen de noordwand geplaatste herenbanken, waarvan twee overhuifd, stammen merendeels uit de 17de eeuw. In de kerkvloer ligt een keur aan gebeeldhouwde zerken en aan de wanden hangen ruitvormige rouwborden en grote rouwkassen, allemaal sporen van adellijke en patricische families die in Buitenpost hun domicilie hadden. Ze geven het kerkinterieur een deftig karakter. Het orgel met een klein rugpositief is in 1877 door L. van Dam & Zn. vervaardigd.

Kort na 1100 is de tufstenen parochiekerk, gewijd aan Sint-Martinus, gebouwd. Ruim een eeuw later werd het godshuis uitgebreid en weer een eeuw later is dit opnieuw gebeurd. Daardoor is het een even ingewikkeld als fascinerend bouwwerk geworden, waarvan de geschiedenis nog goed afleesbaar is. De geschiedenis van de kerk is sterk verweven met die van het klooster van de reguliere kanunniken van Sint-Augustinus dat in het begin van de 13de eeuw, in elk geval vóór 1240, ten noorden van Burgum werd gesticht. De bezittingen van dit Barraconvent, ook wel Berghklooster genoemd, grensden aan die van de parochie en er is vanuit het klooster stellig invloed uitgeoefend. De eenbeukige parochiekerk is nog te herkennen in de toren en de laagste, tufstenen gedeelten van de westelijke gevel aan weerszijden van de toren. Dit muurwerk is later met baksteen verhoogd. Aan het begin van de 13de eeuw is de kerk ingrijpend veranderd en uitgebreid. De kerk is ook verhoogd, er zijn zijbeuken aangebouwd en zij werd verlengd met een koor. De romano-gotische vernieuwing is het best te zien aan het koor.

Daar staan smalle, hoge en licht spitsbogige vensters met omlijstingen van rondstaafprofielen. Het muurwerk is verlevendigd met spaarvelden van metselmozaïek in kepervormen en vlechtwerk. Het tufsteenmateriaal van de toen naar de zijbeuken geopende muren is hergebruikt voor het bepleisteren van de binnenwanden en als muurvulsel. De nok van het flink verhoogde dak rees bijna boven de toren uit en deze is toen met baksteen verhoogd. Daarmee zijn verhoudingen uit balans geraakt: de toren is bij de forse kerk erg slank. Het fraaiste aspect ging aanvankelijk verloren; de rondbogige galmgaten met tufstenen zuiltjes werden dichtgezet, maar ze zijn bij de restauratie in de jaren 50 weer geopend, waardoor de toren twee stel galmgaten boven elkaar bezit. De vernieuwing tot driebeukige kerk vond ongetwijfeld plaats onder invloed van het klooster. Weer een eeuw later vond er een merkwaardige uitbreiding tot kruiskerk plaats: tussen koor en schip kwamen dwarspanden. Maar dit transept was niet breed en stak alleen in de hoogte boven de zijbeuken uit. De eindmuren van de zijbeuken werden daartoe deels benut. Ruimtewinst werd er niet mee bereikt; parochie en klooster zullen mogelijk representatie en decorum voor ogen hebben gehad. Tijdens de bouw is mogelijk nog besloten de dwarsarmen breder te maken. De vensters zitten namelijk asymmetrisch in de sluitwanden van het transept.

De kloostergebouwen zijn spoedig na de hervorming van 1580 gesloopt en de kerk onderging tussen 1610 en 1613 een bijna catastrofale verbouwing. De zijbeuken waren overbodig en werden gesloopt. Er werd kennelijk niet beseft dat dit gevolgen voor de stabiliteit van het in steen overwelfde gebouw kon hebben. De zijbeuken hadden niet alleen een liturgische functie, maar dienden tevens om de druk van kap en gewelf op te vangen en af te leiden. Het verval kon niet uitblijven. Pas in 1950 werd zij gesloten wegens instortingsgevaar. Een paar jaar later werd een vijf jaar durende restauratie uitgevoerd, waarbij de reconstructie van de zijbeuken om esthetische en constructieve redenen de belang-rijkste wijziging was. De namaakbeuken zijn in een kleinere baksteensoort uitgevoerd en inwendig met vlakke balkenplafonds gedekt, waardoor de vernieuwde gedeelten altijd herkend kunnen worden.

Het schip is in vijf traveeën overwelfd met kruisribgewelven in koepelvorm met hoge gordelbogen, waarbij de ribben in rondstaafvorm in de sluiting bijeenkomen in een ring of een rozet. Op sommige gewelfschelpen zitten restanten van schilderingen, meestal decoratieve plant- en diermotieven. Tussen schip en nieuwe zijbeuken staan zware geprofileerde kolommen met spitsbogige scheibogen. Bij de restauratie is de inrichting flink veranderd. De banken zijn door stoelen vervangen en het 17de-eeuwse meubilair is verplaatst. De kloeke preekstoel uit omstreeks 1685 met omrankte, gewrongen hoekzuiltjes en gekorniste panelen en fors klankbord kwam voor in de kerk (het doophek ging verloren) en herenbanken, samengesteld uit verschillende andere banken, zijn in de transeptarmen geplaatst. Het fraaie en welluidende orgel met rugpositief is in 1783-’88 gebouwd door L. van Dam & Zn. uit Leeuwarden.

De in eerste aanleg romano-gotische kerk uit het begin van de 13de eeuw was gewijd aan Johannes de Evangelist en staat bij een romaanse toren uit de 12de eeuw op een kerkhof dat grotendeels is omgeven door een ringgracht. Kerk en toren zijn ingrijpend gewijzigd, waardoor het middeleeuwse karakter nauwelijks is te ervaren. De kerk is in 1726 van binnen en waarschijnlijk ook van buiten vernieuwd onder leiding van Claes Bockes Balck, de stadsbouwmeester van Leeuwarden. De kerk is ommetseld met oud, gemêleerd geel baksteenmateriaal en de zuidzijde is voorzien van vijf grote, korfbogige vensters. De drie stevige, diagonaal gemetselde steunberen zijn uit de 19de eeuw. De muren van de vijfzijdige koorsluiting zijn gesloten; in de sluitmuur is wel een geprofileerd, dichtgemetseld rond venster te zien. De noordgevel is ook goeddeels gesloten. Nabij het koor staat een groot, korfbogig venster en boven de ingang aan de westzijde een klein lancetvenster. De toren is in 1816 aangepakt: bekapt en ommetseld met kleine gele baksteen en voorzien van een nieuwe achtzijdige spits. Erg stabiel is de toren kennelijk niet, want het muurwerk is doorregen met staaf- en kruisankers.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf. Op de grafkelder in het koor van de Ockinga’s ligt een grote zerk van Vincent Lucas (1550). In het koor hangen een Tiengebodenbord en een gedenkbord voor de vernieuwing van de kerk in 1726. Middelpunt is vanzelfsprekend de preekstoel met een koperen houder voor een zandloper, een doophek en een gesneden doopbekkenhouder. De preekstoel met klankbord is mogelijk het werk van de Leeuwarder kunstenaar Jaan Oenema die in elk geval betaald kreeg voor het vervaardigen van de pui met fraai snijwerk tussen voorkerk en schip. Op de panelen van de kuip staan de personificaties van geloof, hoop, liefde, gerechtigheid en een fraaie bloempot op een console. Hier tegenover staat een overhuifde herenbank. Het orgel is in 1735 gebouwd door Johan Michiel Schwartzburg en is in 1822 en in 1948 nog enigszins gewijzigd.

De eenbeukige tufstenen kerk kwam in de 12de eeuw tot stand en werd gewijd aan Benedictus. Het oudste muurwerk, kistwerk gevuld met granieten keien en bekleed met tufsteen, is te zien in de zuidelijke, tamelijk ingedeukte muur die bij de laatste restauratie weer ontdaan is van grote, ingebroken vensters. Het vertoont nu twee brede spaarvelden tussen lisenen die zijn gedekt met een keperfries. Daarnaast staat een dichtgemetselde ingang in een gotische spitsbogige nis. Bij het koor is een dichtgemetseld klein venster te zien, mogelijk een hagioscoop.

Het driezijdig gesloten koor is van 1775 en heeft aan de zuid- en noordzijde grote rondbogige vensters. Toen zijn ook de muurpartij bij de noordingang en de korfbogig gesloten ingang zelf vernieuwd. De rest van de noordmuur met grote rondboogvensters tussen steunberen is in de 16de eeuw met rode baksteen beklampt. In de 13de eeuw is het westwerk vervangen door een deels ingebouwde toren die later vrij kwam te staan toen het schip aan de westzijde werd ingekort. De dikwijls gerepareerde en veranderde toren bestaat nu beneden vooral uit rode en boven uit voornamelijk gele baksteen. Hij heeft een zadeldak met pinakels en de twee geveltoppen zijn versierd met twee diepe rondboognissen. Daaronder staat aan elke zijde een rondgesloten galmgat.

Het interieur is gedekt met een houten tongewelf. Op de wanden zijn in 1599 vier grote na-reformatorische cartouches geschilderd in de maniëristische stijl zoals in het modellenboek (1555) van Hans Vredeman de Vries. Deze cartouches met citaten uit de bijbel komen verder nergens voor. Ze zijn geschonken door predikant Thomas Joha nnes Jeverensis (afkomstig uit Jever). De preekstoel met dooptuin tegen de oostelijke sluitmuur van het koor is waarschijnlijk bij de vernieuwing van 1775 geplaatst. Het geheel is met elegant rococo snijwerk door Yge Rintjes gemaakt. Op de preekstoel staat een fraaie koperen lezenaar. Het orgel is in 1777 gebouwd door Albertus Antoni Hinsz., de befaamde leerling uit de Noord-Duitse orgelbouwschool van de niet minder bekende Arp Schnitger.

De romaanse kerk is omstreeks 1200 van warmrode baksteen gebouwd en behoort daarmee tot de oudste van dit materiaal gebouwde bedehuizen in Friesland. De kerk is gewijd aan Bonifatius, de missionaris die in 754 in deze contreien is vermoord. Het is een eenbeukig gebouw met een rechtgesloten koor dat bij de restauratie in 1962-’63 van zijn pleisterlaag is ontdaan. Daardoor is het romaanse karakter weliswaar weer zichtbaar, maar de muren zijn zo rigoureus aangepakt dat ze nog steeds nieuw lijken. Aan de noord- en zuidzijde zitten in het hoge register in het muurwerk nog de gaaf bewaard gebleven spaarnissen met drie en twee bogen met daartussen steeds een klein rondboog-venster. Beneden in de noordmuur is aan de westzijde de dichtgemetselde, segmentvormig gesloten ingang te zien en oostelijker een groter, opmerkelijk rondbogig spoor. Dit moet wijzen op een verloren gegane aanbouw omdat aan de zijkanten de keivulling van kistwerk zichtbaar is. De ronde koorsluiting is vermoedelijk in de vroege 16de eeuw vervangen door een rechte sluiting.

De zuidmuur heeft een groot gotisch venster met een stenen tracering en de sluitmuur heeft een dichtgezet venster van een kleiner formaat. De vleugelmuren aan weerszijden van de toren hebben op de hoeken overhoeks geplaatste steunberen. Tegen de noordzijde van het koor is in 1914 een dwarsbeuk aangebouwd. De toren heeft oorspronkelijk een helmdak op geveltoppen gehad. Nu ligt er een zadeldak tussen topgevels met boven de klokkenverdieping, met steeds twee rondbogige galmgaten, nog opmerkelijke verrijkingen van driepas- en trapvormige, klimmende blindnissen.

De kerk heeft een ingetogen interieur onder een vlak balkenplafond. De inventaris met eenvoudige kerkenraadbank, tribunes in schip en dwarsbeuk en preekstoel is wit geschilderd. De preekstoel met klankbord en de wapens van de familie Van Kleffens-Botnia is in 1818 vervaardigd en draagt tussen de pilasters met festoenen op de kuippanelen de personificaties van Geloof, Hoop en Liefde. Op de orgelgalerij staat een in 1895 door Bakker & Timmenga gebouwd orgel.

De Nicolaaskerk staat midden in het compacte dorpsweefsel en vormt met haar door hagen omzoomde kerkhof een fraaie ruimte op een niet al te hoge terp. De van gemê-leerd rode baksteen gebouwde kerk vertoont enige romaanse trekken en zal omstreeks 1200 zijn gebouwd. De koorsluiting is halfrond, al is deze in de gotische tijd vijfzijdig verhoogd. Bovendien staan ten noorden van de toren een venstertje in rondboogvorm in de westgevel en in de noordmuur van het schip nogmaals een venster van dit model. In deze noordmuur is ook een dichtgemetselde ingang uit de gotische periode te zien; een korfbogig gesloten poort in een spitsbogige nis die uit de 15de eeuw dateert. In de 16de eeuw is de kerk vooral aan de zuidzijde vernieuwd. Daar kwamen vier grote vensters, één met een rondboog, de andere spitsbogig. Boven de rondbogige ingang zit een spoor van een rondboogvenster in het muurwerk. Aan de zuidzijde van het koor is toen ook een spitsboogvenster aangebracht. Al deze vensters kregen stenen traceringen. De slanke, ongelede toren is aan elke zijde voorzien van twee rondbogige galmgaten. Hij heeft een zadeldak tussen topgevels met pinakels.

Het interieur is gedekt door een ongeschilderd houten tongewelf met trekbalken, sleutelstukken met kraalmotief en schoren op muurstijlen die beneden, bij de borstwering, overgaan in stenen pilasters. Bij het orgel is de trekbalk verwijderd, maar de schoren met sleutelstukken steken de ruimte nog in. In de ronde koorsluiting zit aan de zuidzijde een diepe spitsboognis die als piscina in gebruik is geweest. De eenvoudige preekstoel met klankbord in de koorsluiting is 19deeeuws. De zeszijdige kuip heeft rondbogige panelen met sierwerk in de zwikken en een rugschot met vrij grove wangstukken. Het orgel is rijker van vorm. Het instrument is in 1875 gebouwd door de Gebroeders Adema. Het is in 1916 en opnieuw in 1989 gerestaureerd door de firma Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. De kas met midden- en zijtorens is versierd met sierwerk, wang- en kuifstukken.

De kerk staat op een opvallend hoog terprestant. Van deze aan Johannes de Doper gewijde kerk begint de bouwgeschiedenis in de 13de eeuw. Het oudste gedeelte is te vinden in de noordmuur. Nabij de toren staat de huidige ingang in een 18de–eeuwse muurpartij. Hiernaast is een oude, dichtgemetselde ingang te vinden: van gotisch model onder een segmentboog en in een geprofileerde spitsboognis. Meer naar het oosten is een flink stuk muurwerk in tufsteen uitgevoerd, materiaal dat in de eerste helft van de 13de eeuw moet zijn hergebruikt. Hoog in het muurwerk staan kleine rondboogvensters.

Het vijfzijdig gesloten koor van gemêleerde rode en gele baksteen met steunberen op de hoeken is vroeg 15de-eeuws. In de sluitmuur staat een smal, hoog rondboogvenster, in de naastgelegen muurvakken zitten diepe blindnissen van hetzelfde model. De zuidmuur is voorzien van grote, laatgotische vensters met rode dagkanten en traceringen. De muurpartij dichtbij de toren is 18de-eeuws; hierin staat een rondbogige ingang.

De rijk uitgedoste, drie geledingen hoge toren is van 1550-’67. De onderste geleding heeft in de westgevel een spitsboogvenster met diepe, rijk geprofileerde dagkanten en zandstenen traceringen. De andere geledingen zijn aan alle zijden versierd met ondiepe, hoge spitsboognissen, voorzien van fijne traceringen van zandsteen. Op deze fraaie torenromp zijn in 1589 een elegante ui-vormige spits en hoekpinakels als karakteristieke bekroning geplaatst.

Het ruime, sobere interieur is gedekt door een houten tongewelf. In het koor ligt een collectie renaissancezerken van grote hardsteenhouwers. Bijvoorbeeld die voor het geslacht Feitsma: voor Siuck Feytsma, in 1551 door Benedictus Gerbrandtsz. gehouwen en ook voor Rioerd Feitsma (overleden 1556), waarschijnlijk van dezelfde meester. Die voor Hessel van Feitsma werd gemaakt door Pieter Dircks in 1561 en die voor Ofko van Feytsma was in 1605 het werk van Claes Jelles. De preekstoel met klankbord en aan de kuip gecanneleerde zuiltjes is in 1696 door Jan Matheüs gemaakt. Het orgel is in 1865 gebouwd door Willem Hardorff uit Leeuwarden.

In de geschiedenis van het jonge christendom neemt Dokkum een dramatische plaats in. Missionaris Bonifatius is in 754 bij Dokkum door ‘heidense’ Friezen vermoord. De verering van de martelaar is later op gang gekomen. In de 12de eeuw werd er een premonstratenzer abdij gesticht. Naast de abdijkerk werd ook een parochiekerk gebouwd. De huidige Martinuskerk heeft twee voorgangsters gehad. Nadat de Bonifatiusabdij spoedig na de hervorming was afgebroken, werd de Martinuskerk de protestantse hoofdkerk van de stad. De bouw van deze kerk was in het begin van de 15de eeuw met het koor begonnen, waarna later het schip volgde. Het werd een laatgotische kerk met traveeën voorzien van brede spitsboogvensters met vorktraceringen en tweemaal versneden steunberen. De rondbogige ingang aan de zuidzijde van de westelijke travee, een rondboog in een geprofileerde spitse nis, behoort bij de bouwtijd. De vijfzijdige koorsluiting heeft ook steunberen en smallere vensters. De kerk moest worden uitgebreid, een proces dat duurde van 1588 tot 1593. De voornaamste veranderingen waren de toevoeging van een noordbeuk, het verhogen en vernieuwen van de kap en het aanpassen van de westgevel. De noordbeuk werd deels opgetrokken van afbraakmateriaal van de abdij. De nieuwe kap bleek niet goed te passen en in de zuidmuur zijn de verschillen opgevangen door uitgemetselde togen die de eerste twee venstervakken als het ware bekronen. De noordbeuk kreeg steunberen en de brede vensters ertussen kregen een rondbogige vorm met vorktracering. De westgevel, die aan de zijkanten met drie versnijdingen steunbeer-achtig is afgesloten, is aan de noordzijde met handhaving van deze versnijdingen voor de nieuwe beuk verbreed en van een klein radvenster voorzien. In de bouwnaad staat een ingang in een licht spitsbogige nis. Midden in de oorspronkelijke gevel is een tweede ingang met een classicistische omlijsting. Daarboven rijst een breed en hoog venster op dat korfbogig is gesloten.

De van gele steen gemetselde geveltop voor de nieuwe kap heeft een getrapte vorm en in het midden een dubbele, vleugelvormige uitkraging met kraagstenen in de vorm van leeuwenkoppen met ringen. Daarboven staat de met zink beklede houten toren met een spits.

Het interieur van het schip en het koor wordt gedekt door een vlak balkenplafond. Het koor heeft een stenen gewelf gehad dat bij de verbouwing onder leiding van Jacob Izaaks Douma in 1856-’57 is verwijderd. Toen is ook een galerij tussen schip en koor weggehaald. Deze rustte op twee ronde, baksteen kolommen die bij de restauratie in 1965-’69 weer tot een meter hoogte zijn opgemetseld. De koorwanden hebben beneden diepe spaarnissen die met geprofileerde baksteen zijn omlijst. Bij genoemde restauratie zijn ze met de onderste delen van de colonnetten die mede het gewelf vormden in het zicht gebracht. Schip en noordbeuk zijn met rijzige ronde kolommen en ronde scheibogen van elkaar gescheiden.

Aan het einde van de 18de eeuw is hoog in deze zijbeuk een zittribune met balustrade aangebracht. Ongeveer in het midden van de zuidwand is het liturgische centrum ingericht. Er is een fraai doophek met breed uitwaaierend kuifstuk in rococostijl. De preekstoel met klankbord is in dezelfde stijl, met snijwerk op de kuippanelen met rocailles en loofwerk waarin een bijbelboek, pelikaan, gekapte valk, leeuw, slang en andere voorstellingen zijn te herkennen. De festoenen op de hoekpenanten symboliseren met bloemen, korenaren, druiven en hulst de vier seizoenen. Er zijn twee bijpassende excellente koperen lezenaars. De preekstoel is in 1751 gemaakt naar ontwerp van de Leeuwarder architect Sjouke Nooteboom; het snijwerk is waarschijnlijk van Yge Rintjes.

In de koorsluiting staat een poortje, waarboven in de bekroning een schilderstuk te zien is van de Dokkumer kunstenaar Frans van der Elst met de voorstellingen Geloof, Hoop en Liefde en in het fronton het stadswapen van Dokkum. De orgelbalustrade met fraaie getorste zuiltjes voor de panelen is met het orgel in 1688 vervaardigd. Het instrument van de Groninger orgelbouwer Jan Helman is verloren gegaan. In de kas zit een instrument uit 1968 van de firma Flentrop uit Zaandam.

De dorpskerk van Drogeham staat met haar zadeldaktoren op een geest of gaast, een hoge zandrug. De middeleeuwse kerk was gewijd aan Sint-Nicolaas, had een romaans karakter en was net als de toren gebouwd in de 13de eeuw. De kerk raakte in de loop van de 19de eeuw bouwvallig en men wilde haar vervangen door nieuwbouw. Vanuit Den Haag kwam de opdracht om daarbij de bouworde, de stijl van de oude kerk, aan te houden. Bij het ministerie van Binnenlandse Zaken werd onder leiding van Victor de Stuers in de jaren 1870 een begin gemaakt met wat nu monumentenzorg heet. In Friesland kwamen enkele restauraties van de grond, maar er waren ook gebouwen die in oude stijl mochten worden herbouwd. De in 1876-’77 vernieuwde kerk van Drogeham is onder leiding van de gemeentearchitect van Achtkarspelen, Van der Werf, in neoromaanse stijl vernieuwd. Bij de inwijding van de kerk in januari 1877 meldde men dat het gebouw er goed afgewerkt uitzag, maar dat het jammer was dat de commissie van rijksadviseurs de bouworde der oude kerk had voorgeschreven. Daardoor kwam er te weinig licht in de kerk en was de ruimte somber.

Het nieuwe schip is gebouwd op de grondslag van de oude kerk en het laat het complete programma van een romaanse dorpskerk zien. Het muurwerk is door lisenen in vakken verdeeld. De hoge borstwering is gesloten, in het register daarboven staan rondboogvensters en de gevels worden afgesloten met een boogfries. De oostzijde heeft een weinig inspringende, halfronde sluiting met nog kleinere rondboogvensters. Alleen de ingangen zijn met consoles en lateien van kunststeen modern.

De oude toren bestaat uit twee geledingen, waarvan de onderste rechthoekige spaarvelden bezit, aan de zuidzijde afgedekt door lijstwerk van roze Bremer zandsteen, aan de andere zijden gedekt door keperfriezen. Boven staat in ankers het jaartal 1704 tegen de zuidgevel; het jaar van herstelwerkzaamheden en mogelijk het aanbrengen van het huidige zadeldak. De gepaarde galmgaten staan in rondboognissen en op de overgang naar de geveltoppen zitten tandlijsten.

De kerkhofterp van de Sint-Salviuskerk is door een keermuur met een ijzeren hek omgeven. Van de 12de-eeuwse romaanse kerk resteren flinke stukken muurwerk aan de noordzijde. Daar schemeren door het pleisterwerk twee zones van spaarnissen die beëindigd worden door rondboogfriezen. De zuidmuur heeft een duidelijk gotisch karakter. De kerk is in de 14de eeuw namelijk verlengd en in 1504 verhoogd en van een vijfzijdig gesloten koor voorzien. Tegen de muur staan tweemaal versneden steunberen en er zijn zeven grote spitsboogvensters en een kleine boven de westelijke ingang. Aan de zuidzijde zit een hagioscoop die is gevuld met een mozaiek van glasscherven die bij de recente restauratie zijn gevonden. In het koor staat een zandstenen poort met ionische pilasters en een segmentvormig timpaan met symbolen en personificaties van deugden. De poort in de westelijke travee aan de zuidzijde (1650) is van baksteen met banden natuursteen gevormd. De pilasters dragen een doorbroken fronton met een gelauwerde schedel geflankeerd door obelisken.

De vierkante, door een ranke, achtzijdige traptoren begeleide torenromp is twee geledingen hoog. Aan de westzijde zit een zandstenen, rijk geprofileerde nis met de ingang en een groot spitsboogvenster met levendige tracering. De tweede geleding is aan elke zijde versierd met twee ranke spitsboognissen met traceringen. Hiermee houdt de overeenkomst met de vier jaar later gebouwde toren van Tzum op. Hierop volgt een omgang en een achtzijdige bakstenen lantaarn voorzien van een fantasievolle spits. In de 19de eeuw is aan de noordzijde een twee lagen hoge consistoriekamer aangebouwd; de verdieping is voorzien van spitsboogvensters.

Onder het houten tongewelf is de ruime kerkzaal, met een fraaie collectie renaissancezerken in de vloer, voorzien van lichtoker gehout meubilair uit de 17de eeuw. Het koor is met een getimmerde wand afgesloten, tegen de zuidwand staat de preekstoel met een klankbord in de dooptuin en tegen de noordwand is een fraaie reeks herenbanken geplaatst. Het orgel is in 1653 gebouwd door de gebroeders Bader. De kas is gebleven; het instrument is enkele malen gerepareerd en in 1918 gewijzigd.

De in de middeleeuwen aan Sint-Martinus gewijde kerk rijst op uit de fascinerend gave dorpsstructuur van Easterein. Zij staat op een vrijwel compleet omgrachte kerkterp. De forse kerk is in de tweede helft van de 14de eeuw gebouwd met gebruikmaking van ouder muurwerk van een eerdere tufstenen kerk. Schip en koor zijn in 1862 ommetseld met kleine gele steen. De noordmuur is ongeleed en voorzien van twee grote spitsboogvensters met bakstenen traceringen. Boven de rondbogige noordelijke ingang zit een cirkelvormig venster. Aan de westzijde van de zuidmuur is hetzelfde te zien. Het vijfzijdig gesloten koor kreeg op de hoeken tweemaal versneden steunberen en in het zuidoostelijke muurvak staat een groot gotisch venster. Ook de zuidmuur heeft dit model vensters, alle met bakstenen traceringen. Ze staan tussen de zware, diagonaal gemetselde steunberen.

De toren met stompe, ingesnoerde spits is in 1688 hersteld of opgetrokken. Hij is in 1862 voor het grootste deel omklampt met kleine gele steen. Het grote aantal staafankers is een aanwijzing dat de toren inwendig nog van middeleeuwse oorsprong kan zijn. Er hangen klokken van Steven Butendiic uit 1468 en Jacob Noteman uit 1645. De neoclassicistische ingangspartij is vermoedelijk bij de verbouwingen in 1862 aangebracht. Tegen de noordzijde van het koor staat een uit het begin van de 14de eeuw daterende sacristie. Deze heeft kleine rechthoekige vensters en boven een tandlijst een traptop waarin klimmende, samengestelde diepe blindnissen die tezamen een levendige plastiek opleveren.

Het interieur heeft een 16de-eeuws tongewelf dat, buiten het koor, in 1862 een blanketbeurt heeft gekregen. Een tweede witgeschilderd tongewelf werd toen aangebracht, de trekbalken en muurstijlen zijn gestukadoord en de korbelen decoratief omtimmerd. In de kerkvloer ligt een groot aantal gebeeldhouwde zerken uit de 16de en vroege 17de eeuw. De wit geschilderde preekstoel uit de 19de eeuw draagt op de kuip personificaties van de christelijke deugden. Ertegenover staan vier 17de-eeuwse overhuifde herenbanken. Het orgel is in 1870 vervaardigd door Willem Hardorff uit Leeuwarden.

De kerk bewaart een grote schat uit de vroege renaissance. Hein H., een kistenmaker uit de buurt, maakte in 1554 een kraak of oksaal in de kerk; hij liet er zijn merkteken op achter. Hij is ongetwijfeld identiek aan Heino, de maker van de opmer kelijke renaissancegrafzerk uit 1556 voor Sibble Sipkis en Mary Sybesdr. Meylama in de zelfde kerk waarop staat te lezen: ‘Heino est huius operis autor’: van dit werk is Heino de maker of de ontwerper. Er bestaat ook de veronderstelling dat Hein Hagart, de uitvoerder van het praalgraf voor Edo Wiemken in Jever, de vervaardiger van de kraak is. De kraak of galerij is twee verdiepingen hoog en drie vakken breed. Tussen vier zuilen met voorgeplaatste ge groefde zuilen zitten drie rondbogige openingen. De zuilen kregen composiete kapitelen waarin de voluutkrullen van de ionische en de acanthusbladeren van de korintische orde gecom bineerd zijn. Zij dragen een kroonlijst met daarin friesvak ken.

Deze vakken dragen achttien bijzonder aardige voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament met David en Christus als hoofdpersonen in een, als daar aanleiding toe was, prachtige perspecti vische setting. Onder de voorstellingen zijn in rolwerkcartou ches bijschriften aange bracht. De segmenten tussen de rondbogen en de horizontale kroonlijst, de zwikken, zijn op een zeer decoratieve wijze ingevuld met maskarons en mensfi-guren die verstrikt zijn in rolwerk. Ook de verdieping met fraaie balus ters met Latijnse tekst tussen de bases van de vakken, bestaat uit drie rondbogen. Hier rusten ze op fraai gedecoreerde vierkante pijlertjes en vanaf de geboorte der bogen nemen draagfiguren de functie over. Blijkens de opschriften op de basis zijn dat aan de oostzijde Perzen en aan de westzijde kariatiden. Zij dragen een kroon lijst met een brede tekstband, deze keer in het Nederlands. Be ne den wordt de binnenruimte door ster- en boven met netgewelven overhuifd. In de ver diept liggende cassetten zijn gevarieerde, gesneden maskers aangebracht. Zo ademt het meubel aan alle kanten de decoratie zin en eruditie van de renaissance uit. In de Latijnse teksten voert een antiek zelfbewustzijn de boventoon.

De aan Sint-Margareta gewijde kerk staat op een grotendeels afgegraven terp en dateert oorspronkelijk uit de 12de eeuw. Zij kreeg in de 13de eeuw een rondgesloten koor en is in de 15de eeuw vernieuwd. De enigszins ingedeukte zuidelijke muur bestaat uit gele kloostermoppen en reparaties van kleine gele baksteen, maar in enkele velden zit ook nog tufsteen. In deze muur staan grote spitsbogige vensters en een sierlijke poort uit 1655. De koorsluiting vertoont eenzelfde menging van gele baksteen in verschillende formaten.

Aan de zuidzijde zit een dun spoor van een rondboogvenster en aan de noordzijde een dichtgemetseld geprofileerd venster van dit model. De noordelijke muur buikt wat uit en bevat allerlei bouwmaterialen en kleuren; ook aanzienlijke stukken met tufsteen. Er zijn sporen van kleine, dichtgezette rondboogvensters van verschillende formaten en aan de westzijde van een fraaie, dichtgemetselde ingang, een poort onder een gedrukte segmentboog geplaatst in een geprofileerde spitsboognis die weer is omvat door een rechthoekig rondstaafkader.

De toren is in de kern mogelijk nog romaans. In 1854 is naar ontwerp van Frederik Stoett het zadeldak vervangen door een ingesnoerde spits en de romp ommetseld. Deze laat nu drie geledingen zien met door ondiepe rondboognissen verlevendigde gevelvakken. Op de naald van het kerkdak staat op de overgang van schip naar koor een dakruiter met angelusklokje. Aan de noordzijde is bij de overgang van schip en koor in de 15de eeuw een sacristie aangebouwd die in de 19de eeuw sterk is verbouwd.

De inventaris onder een spitsbogig houten tongewelf dateert voornamelijk uit de 18de eeuw: de lambriseringen, de rijk gesneden preekstoel (1755) met klankbord en de personificaties van de deugden, het doophek met fraaie balusters, de mannen- en vrouwenbanken en de tekstborden. De overhuifde herenbank in ingetogen fraaie renaissancevormen tegenover de preekstoel is al van 1604. De twee rouwborden (1664 en 1695) gedenken leden van de familie Hettinga. Willem Hardorff uit Leeuwarden bouwde in 1867 het orgel dat plaats kreeg op een tribune boven een fraaie scheidingswand uit de 18de eeuw.

De kerk midden in het vrij gave radiaalterpdorp Ee was gewijd aan de heilige Gangulfus of heilige abt Jarich. De kerk is in het tweede kwart van de 13de eeuw totstandgekomen in romano-gotische trant. Dat is het best te zien aan de noordmuur met grotendeels dichtgemetselde, middelgrote, gepaard geplaatste spitsboogvensters. Oorspronkelijk waren het vier paren die de gewelfvakken verlichtten. Het niet gedichte venster aan de oostzijde bezit nog de oorspronkelijke dagkanten met kraalprofiel. In het eerste kwart van de 16de eeuw zijn de gewelven verwijderd en is de kap verhoogd. Het oostelijkste vensterpaar is verdwenen toen in 1908 de rechte koorsluiting werd vervangen door een driezijdige.

In de noordmuur zitten de sporen van twee dichtgemetselde rondbogige ingangen. In de zuidmuur zitten ze ongeveer op gelijke plaatsen. De zuidelijke ingang is segmentvormig gesloten en staat in een geprofileerde spitsboognis. De zuidmuur heeft verder grote spitsboogvensters die er na het verwijderen van de gewelven zijn ingebroken. Beide muren worden bekroond door reeksen consoles in de vorm van lijstwerk dat op een voetje steunt. Veel van deze voetjes zijn gevormd tot mensenmaskers en dierenkoppen. De toren en westgevel zijn van 1869.

Het interieur wordt gedekt door een gedrukt tongewelf. In de vloer ligt een grote collectie gebeeldhouwde zerken, waarbij een sarcofaagdeksel, een gotische zerk van roze zandsteen en een renaissancezerk voor Frans Humalda die in 1627 overleed. Aan de wanden hangen negen ruitvormige rouwborden. In de noordwand is een rijk renaissance-epitaaf van albast en zwart marmer opgenomen ter herdenking van de in 1627 overleden Snelliger Meckema. De met eenvoudig lijstwerk versierde preekstoel met klankbord is in 1867 vervaardigd door K.F. Ozinga. Aan weerszijden van het rugschot is sierstucwerk aangebracht. In het doophek zitten sierlijke gietijzeren roosters. Tegen de noordwand staan drie dubbele herenbanken uit de 17de en 18de eeuw, waarvan die tegenover de preekstoel door zijn geslotenheid op een monumentaal ledikant lijkt. Het in 1957 gebouwde orgel is voorzien van panelen met voorstellingen van Paulus en Liudger, geschilderd door Dick Ozinga.

De Johannes de Doperkerk staat op het restant van de grotendeels afgegraven dorpsterp. Zij is in de 13de eeuw gebouwd van gele en rode kloostermoppen als een zaalkerk met een rondgesloten koor. Dit koor is omstreeks 1300 verhoogd en toen is het schip aan de westzijde verlengd. Daar kwam ook een toren te staan. Het oudste, oostelijke gedeelte van het schip wordt door lisenen en een uitgemetselde daklijst geaccentueerd; het iets jongere westelijke gedeelte bezit kwartronde lijsten onder de dakvoet. Het romaanse karakter van de kerk is het beste aan de noordzijde te herkennen. Daar zijn bij de restauratie van 1963-’66 in het oudste, ingedeukte en van sierranden voorziene muurgedeelte drie romaanse vensters hersteld naar gevonden sporen. Er is een dichtgezette, romano-gotische ingang met een rondstaafprofiel tussen een dubbele rondboog. In de zuidelijke muur staat een poortje (met een asymmetrisch geplaatste deur) van iets ander model: door rondboog- en segmentvormen lijkt deze sikkelvormig gesloten. In deze muur zijn in later tijd drie flinke rondboogvensters geplaatst. Tussen die in het oudste gedeelte is een dichtgemetseld klein spitsboogvenster als spoor bewaard gebleven. In de ronde koorsluiting staan kleine spitsboogvensters.

Door een windhoos is de toren in 1836 ingestort. De in de kerk ingebouwde onderbouw is gehandhaafd en hersteld, maar het gedeelte dat boven het dak uitstak is niet opnieuw opgetrokken. Er kwam een houten torenbekroning met een flink geprofileerde daklijst en een ingesnoerde spits voor in de plaats.

Het interieur wordt gedekt door een 1 7deeeuws tongewelf met trekbalken, korbelen en muurstijlen. In het koor laat het muurwerk duidelijk het verschil in dikte van het oorspronkelijke werk en de verhoging zien. Daarin zit een aantal nissen, waarvan één de piscina is geweest. In het westelijke gedeelte van het schip zit aan elke zijde een ondiepe spitsboognis in de wanden. Ze bevatten laatgotische muurschilderingen met levendige voorstellingen van de Geseling en de Doornenkroning. Het orgel is in 1895 gebouwd door L. van Dam & Zn.

De toren en kerk, gewijd aan Sint-Martinus, zijn te bereiken over het pleintje het Vrijhof en bevinden zich achter een 17de-eeuwse poort naast het voormalige prebendarishuis. Kerk en toren zijn in de 15de eeuw gebouwd. Eerst de eerste twee geledingen van de toren en meteen daarna het schip van de kerk. Omstreeks 1525 is de toren verhoogd en het vijfzijdig gesloten koor werd in 1525 voltooid tot een vrij compleet laatgotisch totaalbeeld. Restauraties waren er in 1926-’27 en 1934-’35, waarbij aan de toren en in vensters traceringen zijn ‘hersteld’. De ingangspoorten aan de zuidzijde en in het koor in Lodewijk XVI-stijl dateren uit 1792. De noordmuur is gesloten en daarin is nog tufsteen te vinden.

De zeven traveeën worden geschoord door steunberen. Aan de noordoostzijde van het koor zitten twee dichtgemetselde vensters. In en tegen de andere vakken van de koorsluiting staan gotische spitsboogvensters en beren. De zuidmuur bezit zeer grote spitsboogvensters en steunberen. De toren bestaat uit drie licht versneden geledingen. De onderste geleding is onversierd; in de zuidmuur zit een uit 1640 daterende en in 1704 vernieuwde zandstenen zonnewijzer. De tweede geleding heeft ondiepe, korfbogige nissen met traceringen en in de derde geleding zitten hoge, korfbogige nissen met bovenin telkens drie, spitsbogige galmgaten. Bij genoemde restauraties is het zadeldak niet tussen maar op de geveltoppen gelegd.

Het inwendige van de brede en vooral lange kerk wordt gedekt door een houten tongewelf. De preekstoel met klankbord (mid den 17de eeuw) staat in een dooptuin. Er tegenover staat een van de herenbanken, een overhuifde met gecanneleerde zuiltjes. Het koor is afgesloten met banken aan weerszijden van een glazen pui. In het koor staan een aantal eenvoudige doodsbaren en tegen de sluitgevel een door Dirk Embderveld vervaardigd portaal. Sinds 1682 hangt er in de kerk een koperen lichtkroon uit de 16de eeuw, versierd met een dubbele adelaar. Het orgel uit het atelier van de Adema’s heeft een kas uit 1866 en een instrument met onderdelen uit 1873 en is vele malen gewijzigd.

De Sint-Vituskerk staat op een terp uit het begin van de jaartelling. Zij is in de eerste helft van de 13de eeuw van gemêleerd kleurige baksteen gebouwd in romaanse stijl. Het oorspronkelijke koor is omstreeks 1500 vervangen door een koor in gotische stijl dat in de 17de eeuw een rechte, blinde sluiting kreeg. In de noordmuur zijn twee kleine rondbogige vensters uit de romaanse periode te zien en ongeveer in het midden een zwaar geprofileerde rondboog, die aangeeft waar een aanbouw heeft gezeten. Het koor heeft aan deze zijde één klein, gotisch spitsboogvenster. De korfbogige en in een spitsboognis opgenomen ingang dateert ook uit de gotische periode. Het muurwerk aan de zuidzijde wordt afgesloten door een tandlijst. In het koor staan twee lancetvensters en een breder spitsboogvenster met een bakstenen vorktracering in de muur. Het gedeelte van het schip is geopend door een lancetvenster en twee spitsboogvensters van jonge leeftijd. De laatgotische, dichtgemetselde ingang aan deze zijde is korfbogig en wordt omvat door een rechthoekige nis waarin aan de bovenzijde een reeks van drie diepe nissen is uitgespaard. De slanke, ongelede toren verrees aan het einde van de 13de eeuw; de gepaarde galmgaten staan in ondiepe rondboognissen.

Het interieur is gedekt door een houten tongewelf met zware strekbalken. Het is al in de 16de eeuw aangebracht ter vervanging van een stenen gewelf waarvan de sporen nog in de noordwand zijn te herkennen. In de sluitmuur van het koor zitten nissen die in de middeleeuwen liturgische doelen hebben gediend. De preekstoel met klankbord, sierlijke, gegroefde zuiltjes en gekorniste panelen dateert uit de 17de eeuw. Ook de overhuifde herenbank met omrankte zuilen is uit deze tijd, maar afkomstig uit de kerk van Hurdegaryp. Onder het koor zit een grafkelder voor de families Grovestins en Holdinga en in de vloer van koor en schip liggen veel gebeeldhouwde zerken uit de 17de en 18de eeuw. Het orgel is gebouwd in 1913 door de firma Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Mariakerk staat op een terprestant. Van de oorspronkelijke kerk bestaan alleen de omstreeks 1200 gebouwde delen van de toren nog. Deze toren maakte deel uit van een gereduceerd westwerk. De restanten van de boogvormige doorgangen naar de zijruimten zijn als sporen in de noordelijke en zuidelijke muur te zien. Deze bogen hangen opvallend scheef. Dat is het gevolg van de verzakking van de toren in westelijke richting waardoor in de 15de eeuw correcties noodzakelijk waren. De toren is toen bovendien verhoogd.

De westelijke vleugelmuren en aansluitende gedeelten aan de noord- en zuidzijde zijn vernieuwd of ommetseld. In 1753 is de toren nogmaals hersteld; zie het anker in de geveltop. De toren staat met een steviger fundament sindsdien loodrecht, de oostgevel hangt nog steeds scheef. In het begin van de 19de eeuw bleek de stabiliteit nog goed, maar de kerk was zo bouwvallig dat besloten werd om een nieuwe kerk te bouwen, waarvoor in 1808 de eerste steen werd gelegd. Het schip is vier traveeën diep en de sluiting is driezijdig met lisenen op de hoeken. De dubbele deur heeft daar een halfrond bovenlicht. Aan de zuidzijde heeft eenzelfde toegang gezeten, maar die is dichtgezet met behoud van het bovenlicht ter verlichting van de voorkerk. De rondgesloten vensters bezitten ijzeren roeden.

Inwendig is de ruimte gedekt door een gedrukt houten tongewelf. Het middenpad tussen de eenvoudige bankenrijen leidt naar het liturgisch centrum dat is afgesloten door een koorhek met balusters. Daarin staat tegen de oostelijke sluitwand de preekstoel met klankbord. De kanselkuip met ranke, gecanneleerde hoekzuiltjes dateert uit het begin van de 17de eeuw, maar er zijn latere wijzigingen zoals de steun in de vorm van een korte ionische zuil. Het kabinetorgel op de westelijke galerij dateert uit 1775 en is in 1924 overgenomen uit een andere kerk.

Ten noorden van de kerk staat de interessante voormalige pastorie, waar van 1859 tot 1862 dominee François HaverSchmidt woonde, die met melancholieke gedichten onder het pseudoniem Piet Paaltjens naam maakte.

De Martinikerk is gedurende de 15de eeuw totstandgekomen als een kerk die in zijn ruimtelijke dispositie in Friesland geen gelijke kent. Zij is toen in de plaats gekomen van een tufstenen voorgangster, waarvan materiaal is hergebruikt. De kerk is voornamelijk opgetrokken van gemêleerde baksteen waarin geel domineert. Het is een ruime pseudobasiliek waarbij de zijbeuken als omgang om het koor worden voortgezet. Aan de westzijde bezit zij een flinke toren met een hoge spits.

In het begin van de 15de eeuw is eerst het koor met de omgang gebouwd, daarna is in het midden van die eeuw het schip met de zijbeuken opgetrokken en is aan het einde van de eeuw de toren verrezen. Er is een grote eenduidigheid in de laatgotische architectuur die aan de buitenkant in de lange zijmuren een ritme heeft opgeleverd van een grote reeks van veertien tweemaal versneden steunberen en dertien venstertraveeën. Aan beide zijden staan ingangen in de tweede travee, waarvan de zuidelijke in gebruik is en in de vijfde travee zijn de ingangen, eveneens van geprofileerde, korfbogige vorm, dichtgemetseld. De vensters hebben alle een dubbele bakstenen vorktracering en onder de dorpels loopt rond de hele kerk een waterlijst door, ook over de beren en rond de sacristie. Deze sacristie is in dezelfde bouwstroom aan de noordzijde van het koor dwars tegen de kerk gebouwd en is op de hoeken eveneens van steunberen voorzien. Het enige element dat na de 15de-eeuwse bouwerij nog is toegevoegd is een poort in de koorsluiting, een renaissancepoort met zandstenen neggen, lijstkapitelen, een sluitsteen met een kop en een bekroning met het stadswapen, geflankeerd door voluten. De toren is aan het einde van de 15de eeuw tot de nok van het dak ongeleed opgemetseld en daarboven kwam een iets verjongde geleding. Daarin zijn aan alle zijden drie galmgaten en uurwerkplaten opgenomen. Binnen een omgang rijst de hoge, ingesnoerde spits op.

Inwendig is het schip overdekt door een tongewelf met trekbalken, korbelen en muurstijlen die tot de kapitelen van de kolommen doorlopen. De zijbeuken zijn met halve houten tongewelven gedekt. Schip en zijbeuken zijn van elkaar gescheiden door dertig verhoudingsgewijs slanke, ronde, bakstenen kolommen met lijstkapitelen en door spitsbogige scheibogen. Om de suggestie van een lichtbeuk te wekken zijn hoog in de schipmuren boven de scheibogen, spitsboognissen met vorktraceringen aangebracht. Tussen het verhoogde koor en de kooromgang is een gepleisterd bakstenen hekwerk geplaatst, transparant met gotische traceringen en fleurons ter bekroning. In het koor staan vier laatgotische koorbanken en tegen de noorderkolom op de overgang van schip en koor is de preekstoel geplaatst, een eiken en met ebbenhout ingelegd meubel dat in 1622 door Syuert Hiëroniemus is vervaardigd en voorzien van een klankbord waarin oudere elementen zijn verwerkt. De koorafscheiding met fraaie balusters is het verplaatste en hergebruikte 17de-eeuwse doophek. Het orgel is met gebruikmaking van oudere onderdelen in 1848 door L. van Dam & Zn. gebouwd.

Opvallend is het grote aantal op de kolommen geschilderde heiligen die uit de tweede helft van de 15de eeuw dateren en bij restauratie voor de zichtbaarheid nogal zijn aangezet. Aan de zuidzijde zijn het achtereenvolgens de heiligen Clothilde, Rochus, Hubertus, Adrianus, Lucas, Jacobus en Sebastiaan en aan de noordzijde op de derde kolom de verzameling van Dominicus, Franciscus, Katharina en Margareta en twee kolommen verder Apollonia. Naast deze heiligenparade is de collectie grafzerken in de vloer en langs de wanden, vooral die uit de renaissancetijd van uitzonderlijke betekenis. Van vrijwel alle in Friesland werkzame meesters is werk te vin-den, vooral van hen die vanuit een Franeker atelier werkten, zoals Vincent Lucas en Claes Jelles. Er zijn ook enkele zerken van de grondlegger van de renaissance in Friesland, de monogrammist B.G., van wie inmiddels bekend is dat hij Benedictus Gerbrandtsz. heette. Tegen de wand aan de noordzijde van de kooromgang staan twee zerken van deze meester uit de jaren 30 van de zestiende eeuw. Daarop zijn in de traditionele dekkleden rond de helm en wapens blote renaissance-mensjes in extatische houdingen verstrikt. De mani-eristische ‘figura serpentinata’ is hier en daar verbazingwekkend vroeg verbeeld.

De hervormde kerk van Gerkesklooster heeft wellicht de merkwaardigste geschiedenis van alle oude kerken in Friesland. Het gebouw is in de 15de eeuw gesticht als brouwhuis van het premonstratenzerklooster Jeruzalem, ook Gerkesklooster genaamd naar zijn stichter Gerke Harkema (1240). Het aan grondbezittingen rijke klooster dat vrij spoedig was overgegaan tot de cisterciënzer orde, werd na de Hervorming door de Staten van Friesland genaast en goeddeels gesloopt. Het dorp dat bij het klooster tot ontwikkeling was gekomen en daarnaar Gerkesklooster werd genoemd, kreeg in 1629 toestemming en een bijdrage van de Staten om het gehandhaafde brouwhuis van het klooster te verbouwen tot kerk. In de westelijke muur staan aan weerszijden van de slanke, in 1854 toegevoeg-de toren afgeplatte korfbogige vensters en in de geveltop nissen van dezelfde vorm.

In de zuidelijke muur zijn sporen te zien van dichtgemetselde korf-, flauwe spits- en rondbogige vensters. Hier zit bovendien een fraaie dichtgemetselde ingang; korfbogig in een geprofileerde kielboognis. De oostelijke gevel vertoont ook middeleeuwse vormen: diepliggende venstertjes en een ingang, alles in korfbogige vorm. Blijkens restanten van een zandstenen cordonband is het bouwwerk oorspronkelijk hoger geweest. In het westelijke gedeelte van het rechthoekige gebouw zijn aan beide zijden rondbogige kerkvensters aangebracht. In 1786 kreeg het gebouw een nieuwe kap en is in het oostelijke gedeelte de pastorie van twee verdiepingen ingericht, later (1874) kosterswoning en recent aula en bovenzaal. Dat gedeelte kreeg aan de zuid- en noordzijde woonhuisvensters en een omlijste ingangspartij.

De vrij kleine kerkzaal heeft een vlak balkenplafond. In de wanden zijn allerlei bouwsporen zichtbaar, nissen en in de westelijke wand is de plaats van de schoorsteen van de brouwerij herkenbaar. De kerk heeft een ingetogen inrichting met tegen de oostelijke wand en binnen het doophek de preekstoel met klankbord. De kuip heeft kussenpanelen en enige versiering. Binnen het doophek is ook het kleine, door de firma Flentrop gebouwde orgel geplaatst. De banken zijn afkomstig uit de kerk van Britswert.

De kleine kerk is gelegen op een deels afgegraven terp die al dateert van enkele eeuwen voor het begin van de jaartelling en er is van afstand niet te zien dat zij zoveel wijzigingen heeft ondergaan. Het gedeelte van de in de 12de eeuw gestichte kerk is aan de noordzijde te zien. Daar is tufsteen op een fraaie kenmerkend romaanse wijze verwerkt met spaarnissen tussen lisenen en afgedekt met rondbogen. In twee van die nissenreeksen zitten de moeten van dichtgezette rondboogvensters en daar tussendoor is een grote boog te herkennen die duidt op een verdwenen aanbouw aan die zijde. In de 13de eeuw is de kleine kerk in westelijke richting in baksteen verlengd en werd de kerkruimte gedekt met romano-gotische koepelgewelven. In de noordmuur kwam een ingang die weer is dichtgemetseld, wat een rechthoekig spoor achterliet. Later is ernaast een kleine ingang gekomen. De overwelving is vermoedelijk in de 17de eeuw vervangen door het vlakke houten balkenplafond van tegenwoordig. De kerk is daarbij enigszins verhoogd met een klein formaat baksteen. Alleen in de 15deeeuwse toren is een koepelgewelf behouden.

De driezijdige koorsluiting is in de 15de eeuw aangebracht. In de sluitmuur staat een venster en aan de zuidoostzijde een tweede venster met diepe, geprofileerde dagkanten. De zuidelijke muur is in baksteen vernieuwd en voorzien van vier spitsboogvensters, waarvan drie met geprofileerde dagkanten. Ook aan deze zijde zit een kleine ingang onder een segmentboog. De toren gaat ongeleed op en boven de naald van het kerkdak zitten aan alle zijden gepaarde galmgaten in seg-mentvormig gesloten nissen. Op de toppen en schouders van de gevels van het zadeldak staan kleine pinakels.

Het interieur onder het vlakke balkenplafond bevat geen oorspronkelijk meubilair of liturgische voorwerpen meer, maar beeldend kunstenaar Gerrit Terpstra heeft er een Sanctum Corpus, enkele retabels en andere naar rituelen en contemplatie verwijzende kunstwerken opgesteld die harmoniëren én contrasteren met de middeleeuwse ruimte. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Agneskerk staat op een hoge en vooral aan de west- en noordzijde scherp afgegraven terp en temidden van een kerkhof dat door een ijzeren hek en leilinden is omgeven. Van de tufstenen kerk uit de 11de of 12de eeuw zijn aan de noordzijde nog gedeelten te zien. Het muurwerk is verstoord door latere wijzigingen. Het is een boeiend historisch tapijt. Tufsteenblokken in grote formaten zijn tot decoratieve banden verwerkt, in de hoge zone staan dichtgemetselde rondboogvensters en rond de in de 19de eeuw aangebrachte neoclassicistische ingang zitten sporen van een vroegere, met baksteen dichtgezette ingang. De kerk is bij de vernieuwing en vergroting in de 15de eeuw met baksteen verhoogd.

Onder de geprofileerde daklijst zit een blokfriesje. In het oostelijke deel van deze muur staan drie jongere spitsboogvensters die later aan de onderzijde weer ingekort zijn. De vijfzijdige koorsluiting dateert uit de gotische tijd met tweemaal versneden steunberen en in twee zijden spitsboogvensters. Aan de zuidoostelijke zijde is geen spoor te zien van de grote, vrij gave piscinanis die bij de recente restauratie aan de binnenzijde is aangetroffen. In de zuidmuur staan vijf spitsboogvensters en bij de voorkerk staat een 19de-eeuwse neoclassicistische ingang. De kloeke zadeldaktoren heeft drie geledingen. De eerste is onversierd en bevat de korfbogige ingang en een diepe en hoge spitsboognis, waarin nog de kop van een venster zit. De tweede geleding heeft telkens twee spitsboognissen; de derde eveneens en daar met rondbogige galmgaten. De geveltoppen zijn verlevendigd met spitsboognissen met vorktraceringen.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf met trekstangen. Tijdens de recente restauratie is een fraaie collectie grafzerken aan het licht gekomen, waaronder een zerk van de meester Vincent Lucas. Daaroverheen is een glazen vloer gelegd. In de koorsluiting staat binnen het doophek de preekstoel; beide eenvoudige 19de-eeuwse elementen. De kerk bevat twee rouwkassen voor de familie Cammingha uit het midden van de 18de en 19de eeuw. Het orgel is in 1864 gebouwd door L. van Dam & Zn.


0 | 1 | 2 | 3 |
Nieuwe encyclopedie van Fryslân voor slechts € 29,90 incl. verzenden!

Bijna 8 kilogram aan kennis over Friesland! Wees er snel bij want op is op.

De Nieuwe Encyclopedie van Fryslân is een onmisbare aanvulling in de boekenkast voor iedereen die gek is van Fryslân en meer wil weten van deze provincie. Op 15 september 2016 verscheen de vierdelige encyclopedie die rond de 3000 pagina’s telt, 11.000 trefwoorden bevat en ruim 8 kilo weegt. De encyclopedie staat bomvol actuele kennis over Fryslân en is een echte pageturner geworden.

Voor al diegenen die dit standaardwerk over Fryslân altijd al hadden willen hebben! Nu voor een wel heel speciaal prijsje! Maar let op! Op = Op!