Middeleeuwse kerken in Friesland

Friesland bezit een schat aan gebouwd erfgoed vanuit de Middeleeuwen. Het zijn de tientallen kerken en kloosterkapellen die verspreid staan over een aantal regio's in Friesland. Vooral Noordoost-Friesland en Noordwest-Friesland staan er bekend om. Daar staan deze stenen echo's uit een ver verleden vaak fier bovenop een terp te pronken.

De kerken en kloosterkapellen worden van binnen en buiten perfect onderhouden en gekoesterd. Ze zijn over het algemeen in uitmuntende staat. Niet in de laatste plaats vanwege het belangrijke werk van de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Deze stichting heeft veel van de gebouwen in eigendom en spant zich tot het uiterste in voor het behoud ervan.

Op deze pagina vindt een totaaloverzicht van al dit moois in samenwerking met cultuurhistoricus en auteur Peter Karstkarel. De middeleeuwse kerken in Jannum, Hegebeintum, Dokkum, Wetsens, Aalsum, Bolsward, Harlingen, ze worden allemaal tot in detail beschreven en van commentaar voorzien. Neem er eens uitgebreid de tijd voor om al dit fraais op u in te laten werken. En, kom dan eens langs bij een van deze monumentale parels, als u geluk heeft is de beheerder aanwezig en kunt u ook het interieur bewonderen.

Deel:


De Agneskerk staat op een hoge en vooral aan de west- en noordzijde scherp afgegraven terp en temidden van een kerkhof dat door een ijzeren hek en leilinden is omgeven. Van de tufstenen kerk uit de 11de of 12de eeuw zijn aan de noordzijde nog gedeelten te zien. Het muurwerk is verstoord door latere wijzigingen. Het is een boeiend historisch tapijt. Tufsteenblokken in grote formaten zijn tot decoratieve banden verwerkt, in de hoge zone staan dichtgemetselde rondboogvensters en rond de in de 19de eeuw aangebrachte neoclassicistische ingang zitten sporen van een vroegere, met baksteen dichtgezette ingang. De kerk is bij de vernieuwing en vergroting in de 15de eeuw met baksteen verhoogd.

Onder de geprofileerde daklijst zit een blokfriesje. In het oostelijke deel van deze muur staan drie jongere spitsboogvensters die later aan de onderzijde weer ingekort zijn. De vijfzijdige koorsluiting dateert uit de gotische tijd met tweemaal versneden steunberen en in twee zijden spitsboogvensters. Aan de zuidoostelijke zijde is geen spoor te zien van de grote, vrij gave piscinanis die bij de recente restauratie aan de binnenzijde is aangetroffen. In de zuidmuur staan vijf spitsboogvensters en bij de voorkerk staat een 19de-eeuwse neoclassicistische ingang. De kloeke zadeldaktoren heeft drie geledingen. De eerste is onversierd en bevat de korfbogige ingang en een diepe en hoge spitsboognis, waarin nog de kop van een venster zit. De tweede geleding heeft telkens twee spitsboognissen; de derde eveneens en daar met rondbogige galmgaten. De geveltoppen zijn verlevendigd met spitsboognissen met vorktraceringen.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf met trekstangen. Tijdens de recente restauratie is een fraaie collectie grafzerken aan het licht gekomen, waaronder een zerk van de meester Vincent Lucas. Daaroverheen is een glazen vloer gelegd. In de koorsluiting staat binnen het doophek de preekstoel; beide eenvoudige 19de-eeuwse elementen. De kerk bevat twee rouwkassen voor de familie Cammingha uit het midden van de 18de en 19de eeuw. Het orgel is in 1864 gebouwd door L. van Dam & Zn.

De Alexanderkerk kwam op de uitloper van een zandrug van Rinsumageest tot stand. De bouw van de grotendeels van tufsteen opgetrokken romaanse kerk is in de 11de eeuw begonnen. Toen is het koor gebouwd, in de 12de eeuw gevolgd door de bouw van het schip met twee smalle zijbeuken en de gelijktijdige verhoging van het koor. Het halfrond gesloten koor was aanvankelijk iets hoger dan de reeks rondboognissen, afwisselend gekoppeld en enkel, met één klein rondboogvenster. De driebeukige kerk die werd toegevoegd bestond uit een schip met lichtbeuk, voorzien van rondboogvensters die iets groter waren dan die in het koor en twee vrij lage, aangekapte zijbeuken die mogelijk langs de koortravee doorliepen. Het schip en de beuken waren van elkaar gescheiden door zware, rechthoekige pijlers met lijstkapitelen die ronde scheibogen in fraaie sikkelvorm dragen. Van de dichtgezette doorgangen zijn in de huidige noordmuur vier traveeën tussen koor en toegangspoort zichtbaar. In de koortravee van het oudste gedeelte van het noordelijke muurwerk zitten drie hoge nissen.

Bovenin staan twee kleine vensters waarvan het rechtse gaaf bewaard is gebleven. In dit muurwerk zijn bovendien een venstertriplet van rondbogen uit de 13de eeuw en een, later met rode baksteen dichtgezet, spitsboogvenster uit de 15de eeuw ingebroken. Beide muuropeningen waren waarschijnlijk hagioscopen, sacraments- of reliekvensters die van buiten zicht op het vereerde binnen boden. Naast deze vensters is in de muurdam tegen het schip een kleine rondbogige poort gemaakt die mogelijk de verbinding vormde naar het schip vanuit de langs deze gevel voortgezette zijbeuk.

Onder het verhoogde koor bevindt zich een crypte, de enige in het noorden van Nederland. Deze met ribloze kruisgewelven gedekte crypte is klein en neemt alleen de ruimte in van de apsis en een klein stuk van de koortravee. Dat gedeelte is omwille van de ingegraven ruimte zes treden verhoogd.

De vloer van de crypte ligt veel dieper dan de fundering van het koor en zij moet later zijn ingegraven. Er wordt aangenomen dat het pas in de 16de eeuw is gebeurd, maar dan is het wel uitgevoerd met oude materialen en in een voor die tijd ouderwetse stijl. De basementen en lijstkapitelen van de zes wandpilasters zijn van tufsteen. De twee vroeg 13de-eeuwse middenzuilen hebben schachten en dekstenen op de kapitelen van kalksinter, een soort ‘ketelsteen’, afkomstig uit een Romeinse waterleiding. De fraai gedecoreerde teerlingkapitelen zijn van Caensteen.

Omstreeks 1525 is de kerk sterk vergroot door de vervanging van de zuidelijke zijbeuk door een nieuwe, laatgotische en aan de oostzijde rechtgesloten beuk. Deze beuk is iets breder en werd aan de westzijde een travee langer dan het oorspronkelijke schip. De smalle noordelijke zijbeuk is toen gesloopt en de scheibogenmuur met tufsteen gesloten. De nieuwe beuk, eigenlijk een tweede schip, is uitwendig opgetrokken van hergebruikte tufsteen aangevuld met baksteen, waarin ook latere reparaties zijn uitgevoerd. In de zuidmuur staat in het westen een spoor van een dichtgezette spitsbogige ingang met daarboven een ingekort spitsboogvenster met vorktraceringen. De andere grote vensters hebben later een indeling van hout gekregen. Onder een diepe nis in de sluitmuur is een zandstenen epitaaf aangebracht voor Siids Thiarda en diens vrouw (overleden 1545 en 1557), bewoners van de nabijgelegen Tjaardastate. Het is het vroegste epitaaf in Friesland in klassieke renaissancevormen. De uit de 13de eeuw daterende zadeldaktoren is, getuige de met rolwerk versierde gevelsteen, in 1610 belangrijk vernieuwd en er is toen ook een traptoren bij geplaatst.

Inwendig zijn schip en zuidbeuk gescheiden door een colonnade van drie korte en zware bakstenen zuilen die vier spitsbogige scheibogen dragen. Daartussen overspannentwee houten tongewelven de ruimte. In de kerkvloer liggen gebeeldhouwde zerken, waaronder een laatgotische met evangelistensymbolen en een grote renaissancezerk met perspectivistische architectuur uit 1561. In de dooptuin tegen de zuidwand van de zuidbeuk staat de 19de-eeuwse preekstoel met klankbord. In deze beuk is tegen de oostelijke sluitgevel het door Bakker & Timmenga in 1892 gebouwde orgel op een galerij geplaatst.

De kerk met een vijfzijdig gesloten koor is laatgotisch van karakter en is in de 15de eeuw gebouwd. De kerk heeft nog twee beslissende bouwperioden gehad. De in 1684 ingestorte toren is herbouwd en in 1904 is de toren opnieuw herbouwd. Toen is de westelijke partij naar ontwerp van Jurjen Bruns met nieuw materiaal en in neogotische vorm opgetrokken. In 1931 is de kerk gerestaureerd onder leiding van Hendrik Kramer, die zeer eigenzinnig te werk is gegaan. De restauratie kwam neer op nieuwbouw. De kerk is bekleed met het oude bouwmateriaal, gemêleerd rode en gele kloostermoppen. Het schip is vijf traveeën diep met eenmaal versneden steunberen en brede spitsboogvensters met vorktraceringen. De koorsluiting kreeg gelijke vormen. De westelijke partij is van kleine bruine steen gemetseld. De toren wordt bekroond door een soort wimbergen en een ingesnoerde spits.

Het koor is van het schip afgescheiden en in gebruik als nevenruimten. In een van deze ruimten ligt een middeleeuws fragment vloer van kleine geglazuurde tegels. De kerkzaal wordt gedekt door een gedrukt houten tongewelf met trekbalken op korbelen en muurstijlen. De preekstoel staat binnen een ruime dooptuin met een deur met kuifstuk met bazuinengelen. Ze zijn vervaardigd door Arjen Lous uit Harlingen (1728). De kuip heeft getordeerde en omrankte hoekzuilen. De panelen zijn fraai gesneden met bijbelse taferelen: Abrahams offerande, Jacobs droom, de Geboorte, de Opstanding en het Laatste Oordeel. De wangen van de vrouwenbanken zijn gesneden met gevarieerde siermotieven uit de Lodewijk XIV-stijl. De lichtkronen in een art déco-achtige stijl zijn waarschijnlijk in 1931 door Hendrik Kramer ontworpen. Het orgel is in 1869 gebouwd door L. van Dam & Zn.

Anderhalve kilometer ten zuidwesten van Wijnaldum staat de kerk van Midlum, die zo vaak is verbouwd dat moeilijk te geloven is dat deze Sint-Nicolaaskerk al van 1200 kan dateren. De ongelede toren met ingesnoerde spits is jonger maar wel middeleeuws. Kerk en toren zijn in 1866 en nogmaals in 1906-’07 verbouwd. Zo is de zuidgevel van het schip bepleisterd en de toren ommetseld.

De Annakerk staat op de deels afgegraven dorpsterp. Zij is in de eerste helft van de 13de eeuw met rood gemêleerde baksteen in een kenmerkend romano-gotische gevel plastiek totstandgekomen achter een iets oudere toren. Het schip is met lisenen, begeleid door verticale rondstaven, in vier traveeën verdeeld. In de bovenzone staan kleine vensters of nissen gevuld met metselmozaïek met rondkralen in de dagkanten. In de tweede travee staan aan de noord- en zuidzijde dichtgemetselde ingangen onder segmentbogen binnen wijde, meervoudig geprofileerde rondboognissen – met liefst drie kraalprofielen – en met siermetselwerk in de boogtrommel. In de eerste travee van de zuidmuur staat een vroeg 16de-eeuwse ingang in een smalle spitsboognis. Aan de koorzijde zitten laag twee rondbogige hagioscopen, in de noordmuur een rechthoekig exemplaar.

De vijfzijdige koorsluiting is in de 18de eeuw toegevoegd en tijdens de ingrijpende restauratie in 1939-’42 in romano-gotische stijl gemodelleerd. De zadeldaktoren is ongeleed en deels ingebouwd. In de noordgevel staat een rondbogige ingang en in de westgevel boven elkaar drie kleine vensters. De galmgaten zijn rondbogig en in de oostelijke geveltop zit een gepaarde rondboognis. De begane grond is inwendig overwelfd.

Het schip is oorspronkelijk met twee gewelven overdekt geweest en deze overwelving is in het tweede kwart van de 14de eeuw vervangen door drie ribloze koepelgewelven. Deze steunen op spitsbogige gordel- en scheibogen die op zware pijlers rusten die zo dicht bij de muren staan dat het inwendig geplaatste steunberen zijn geworden. De gordelbogen en scheibogen kregen geschilderde decoratieve arceringen met aan de randen en op de gewelven, als een suggestie van ribben, fraaie biezen in gevarieerde vormen begeleid door rankmotieven. Tegen een van de pijlers is een epitaaf in vroege renaissancevormen geplaatst voor Pybo van Eminga (overleden 1571). Aan de zuidzijde staat de preekstoel met klankbord binnen een doophek met balusters. De kuip is rijk gesneden in rococovormen die worden toegeschreven aan een meester in deze stijl: Yge Rintjes. Het orgel is in 1907 gebouwd door de firma Bakker & Timmenga.

Op de terp van Paesens is omstreeks 1200 de bakstenen kerk gebouwd. Een laat-romaans bouwwerk waar in later tijd verschillende keren een en ander aan is veranderd. Het schip is niet geheel rechthoekig. Aan de koorzijde is het iets smaller dan aan de westzijde. De iets inspringende koorsluiting is halfrond gesloten. In het muurwerk van rode kloostermoppen zijn niet veel sporen uit de romaanse periode te zien. In de noordelijke gevel staat in het midden een rondbogig spoor van een dichtgemetselde ingang en ook aan de zuidzijde is wat meer naar het westen zo’n spoor, maar dan spitsbogig, te zien. De twee boven elkaar staande rondboogvensters in het westelijke vak van de noordmuur lijken romaans, maar zijn zeker van later tijd. Verder zijn in deze muur merkwaardige rechthoekige, staande vensters ingebroken. In de westelijke partij die gelijk met de torenvernieuwing werd aangebouwd zit in de zuidgevel de met pilasters en kapitelen omlijste ingangspartij.

Aan weerszijden staan rondboogvensters die niet uit de romaanse tijd zijn. Even verderop zit wel een duidelijk spoor van een dichtgemetseld romaans venster. De andere vensters zijn weer van later datum. In de iets inspringende halfronde koorsluiting staan aan de zijkanten kleine, licht spitsbogige vensters die wel origineel zullen zijn. De oude zadeldaktoren werd in 1792 vervangen door een westelijke partij met in het midden een risaliet ter ondersteuning van de geveltoren. Op een klein rond venster na is deze gevel gesloten. De houten geveltoren is bekleed met leien en heeft een ingesnoerde spits.

Het interieur wordt gedekt door een tongewelf en daaronder staat meubilair dat in een lichte oker houtimitatie is geschilderd: lindehout. De preekstoel in de koorsluiting wordt geflankeerd door banken voor de kerkbestuurders. Aan het overigens eenvoudige 19de-eeuwse meubel hebben de kuip, het rugschot en het klankbord rijk bewerkte kroonlijsten gekregen. Het orgel is in 1908 overgenomen van de r.k. Sint-Laurenskerk in Haarlem. Het instrument is in 1758 gebouwd door J.Th. Gilman en heeft een kas in elegante rococostijl.

De op een verhoogd kerkhof staande kerk is in 1614 opgetrokken van bouwmateriaal van de voorgaande kerk. Het helderrode bakstenen muurwerk dateert nog uit deze tijd maar door wijzigingen in 1734 heeft het bouwwerk een 18de-eeuws karakter gekregen. Toen kwamen in de muren grote rondboogvensters met dagkanten van bruine baksteen. De driezijdige koorsluiting met slanke lisenen op de hoeken is eveneens in 1734 vernieuwd. Aan elke zijde kwam een rondboogvenster met een bakstenen vorktracering. De representatieve kooringang, gericht naar de hoofdweg van het dorp, is rondbogig en wordt geflankeerd door bakstenen pilasters met zandstenen bases en lijstkapitelen en een kroonlijst met opschrift over de eerste steenlegging door Eelko van Haersma, de zoon van de grietman. Daarboven vertoont het segmentvormige timpaan het Haersma-familiewapen tussen acanthusloof.

De toren heeft een fascinerend silhouet en is met geen andere kerktoren in het noorden te vergelijken. De hoge, ongelede torenromp kreeg aan elke zijde op de hoeken grote, zeven of acht keer versneden steunberen. Ze zijn zo fors en reiken zo hoog, dat zij geen toegevoegde elementen meer zijn maar de hoofdvorm bepalen. Bovenin zitten gepaarde rondbogige galmgaten in korfbogige nissen en dan volgen aan vier zijden wimbergen met klimmende friezen en de achtzijdige, van baksteen gemetselde spits. De toren is via een overkapte luchtbrug met de kerk verbonden.

De kerk is binnen gedekt door een houten tongewelf met trekbalken. De koorsluiting bezit drie gebrandschilderde ramen, in 1734 vervaardigd door de Sneker kunstenaar Ype Staak. De opdrachtgevers, Gedeputeerde Staten, het college van Rekenmeesters en grietman Arent van Haersma en diens vrouw, lieten als schenkers bij de vernieuwingen er hun wapens op achter. Het meubilair is eenvoudig. Binnen het doophek met balusters staat de preekstoel met klankbord die dateert uit het derde kwart van de 18de eeuw. Hij heeft getorste, omrankte zuilen aan de kuip en draagt de wapens van het echtpaar Haersma. Het eenvoudige orgel is omstreeks 1919 gebouwd door P. van Dam.

van de tweede naar de eerste travee. Het is een korfbogige poort waarboven het venster is ingekort. De oostelijke sluitmuur bezit ook een spitsboogvenster dat geflankeerd wordt door twee tot diepe nissen dichtgemetselde lagere rondboogvensters. De geveltop is versierd met klimmende blindnissen. Het schip is in vijf traveeën gedekt met kruisribgewelven die op T-vormige muurconsoles rusten. Tijdens de restauratie in de jaren 1950 zijn restanten van muur- en gewelfschilderingen gevonden. In het tweede gewelfvak twee engelenkopjes – één met een vleugel – en in dezelfde travee zit tegen de noordmuur een voorstelling van een heilige met wandelstaf, mogelijk Sint-Christoffel. De preekstoel van omstreeks 1650, zonder klankbord, heeft een kuip met getordeerde en omrankte hoekzuilen en wapens op het voorpaneel. De herenbank uit dezelfde tijd met balusterhekjes en knoppen heeft op het achterschot wapenpanelen tussen rolwerk. In de vloer liggen verschillende zerken van de families Harckema, Burmania, Hania en Haersma. Het orgel is in 1883 door E. Leichel vervaardigd.

De rechtgesloten bakstenen zaalkerk is in het midden van de 15de eeuw achter een oudere toren gebouwd op een verhoogd kerkhof. De toren uit de 13de eeuw heeft op een plint twee geledingen, waarvan de eerste hoog is. Bovenin staat aan elke zijde een rondbogig galmgat. Het gat aan de oostzijde is in de verdrukking gekomen door het later aangebrachte kerkdak. En aan drie zijden zitten uurwerkplaten. In de westelijke gevel staan bovendien midden in de eerste geleding een drievoudig geprofileerd romano-gotisch radvenster en in de tweede geleding een klein spitsboogvenster. De toren heeft in 1895 zijn zadeldak in moeten leveren voor een vrij gedrukte, ingesnoerde achtzijdige spits. Het schip is in zijn geleding en detaillering kenmerkend laatgotisch. De gevels zijn geleed door (vernieuwde) steunberen waartussen de grote spitsboogvensters met stenen traceringen in gaffelvorm staan. In de noordmuur staat in de tweede travee een (nu dichtgemetselde) ingangspartij van een gedrukt korfbogige poort in een hoge, spitsbogige nis. In de zuidmuur is vrij zeker de in gebruik zijnde ingang verplaatst.

De Bartholomeuskerk staat buitengewoon schilderachtig achter de Hemdijk op een bescheiden terp. De kerk is vernieuwd maar de toren is 13de-eeuws. Hij is ongeleed gebouwd van gemêleerd rode en gele kloostermoppen, waarbij nu eens de gele en dan weer de rode kleur domineert. In de westgevel staat een klein, licht spitsbogig venster met kraalprofiel in de dagkant. Hoger zit nog een klein rondboogvenster en bovenin telkens twee rondbogige galmgaten. De geveltoppen van het zadeldak kregen pinakels. In de benedenruimte zijn de restanten van een stenen overwelving te zien; de muren vertonen uitsparingen en ook hoger zitten smalle nissen. De eenvoudige deur naar die ruimte is 17de-eeuws en heeft aan de binnenzijde ingekerfde huismerken en jaartallen. De oudste luidklok dateert van 1353, de andere is in 1639 door Jacob Noteman gegoten.

De kerk is in 1708 gebouwd ter vervanging van een oudere. Het jaartal staat op de sluitsteen boven de rondbogige en van neggen voorziene ingang aan de noordzijde met een mooie, gegroefde deur. Het is een uiterst eenvoudig bouwwerk met ongeleed muurwerk van bruinrode baksteen in klein formaat. In de noord- en de zuidmuur staan twee grote rondbogige vensters en in de driezijdige sluiting kregen de zuidoostelijke en noordoostelijke muren liggende ovale vensters.

Ook de inrichting van het kerkzaaltje is eenvoudig. De ruimte wordt gedekt door een houten tongewelf. De kerkbanken, links de dichte voor de mannen met gedraaide knoppen, rechts de open banken voor de vrouwen met kleine siervazen, staan op het oosten gericht. Het pad is bevloerd met hardstenen tegels waartussen vier 18de-eeuwse gebeeldhouwde tegels van de familie Ykema liggen. Tegen de sluiting staat de preekstoel met klankbord. De kuip bezit op de hoeken gesneden festoenen. Mogelijk dateert het preekmeubel uit de bouwtijd; er is toen aan Gerben Ferdinants een bedrag betaald, maar dat kan ook voor de verplaatsing en opknapperij zijn geweest. Er zijn ook meningen die de preekstoel in de 17de eeuw plaatsen. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De eenbeukige tufstenen kerk kwam in de 12de eeuw tot stand en werd gewijd aan Benedictus. Het oudste muurwerk, kistwerk gevuld met granieten keien en bekleed met tufsteen, is te zien in de zuidelijke, tamelijk ingedeukte muur die bij de laatste restauratie weer ontdaan is van grote, ingebroken vensters. Het vertoont nu twee brede spaarvelden tussen lisenen die zijn gedekt met een keperfries. Daarnaast staat een dichtgemetselde ingang in een gotische spitsbogige nis. Bij het koor is een dichtgemetseld klein venster te zien, mogelijk een hagioscoop.

Het driezijdig gesloten koor is van 1775 en heeft aan de zuid- en noordzijde grote rondbogige vensters. Toen zijn ook de muurpartij bij de noordingang en de korfbogig gesloten ingang zelf vernieuwd. De rest van de noordmuur met grote rondboogvensters tussen steunberen is in de 16de eeuw met rode baksteen beklampt. In de 13de eeuw is het westwerk vervangen door een deels ingebouwde toren die later vrij kwam te staan toen het schip aan de westzijde werd ingekort. De dikwijls gerepareerde en veranderde toren bestaat nu beneden vooral uit rode en boven uit voornamelijk gele baksteen. Hij heeft een zadeldak met pinakels en de twee geveltoppen zijn versierd met twee diepe rondboognissen. Daaronder staat aan elke zijde een rondgesloten galmgat.

Het interieur is gedekt met een houten tongewelf. Op de wanden zijn in 1599 vier grote na-reformatorische cartouches geschilderd in de maniëristische stijl zoals in het modellenboek (1555) van Hans Vredeman de Vries. Deze cartouches met citaten uit de bijbel komen verder nergens voor. Ze zijn geschonken door predikant Thomas Joha nnes Jeverensis (afkomstig uit Jever). De preekstoel met dooptuin tegen de oostelijke sluitmuur van het koor is waarschijnlijk bij de vernieuwing van 1775 geplaatst. Het geheel is met elegant rococo snijwerk door Yge Rintjes gemaakt. Op de preekstoel staat een fraaie koperen lezenaar. Het orgel is in 1777 gebouwd door Albertus Antoni Hinsz., de befaamde leerling uit de Noord-Duitse orgelbouwschool van de niet minder bekende Arp Schnitger.

De hoog-romaanse kerk staat op een ruim, door een muur omgeven kerkhof bij de brinkachtige open ruimte midden in Oldeberkoop. Het van tufsteen gebouwde schip dateert uit het midden van de 12de eeuw. Aan noord- en zuidzijde zit in de bovenzone een prachtig schema van spaarnissen tussen lisenen, afwisselend gedekt met twee en drie rondbogen. Alleen in de driepasnissen staat in het midden een klein rondboogvenster. In de 14de eeuw is het schip van gemêleerd rode en gele baksteen op gotische wijze verlengd en in het begin van de 16de eeuw is het oorspronkelijk in steen overwelfde koor vervangen door het huidige met driezijdige sluiting. Aan de noordzijde staat in het oude schip een dichtgemetselde, geprofileerde rondbogige ingang.

In het verlengde schip is nogmaals zo’n dichtgezette ingang te zien en bovendien zitten er een lancetvenster en een breed rondboogvenster met vorktracering. Aan de zuidzijde staat in het oude gedeelte een dichtgemetselde ingang in een spitsboognis van gotisch model. In de verlenging staan een nog steeds bruikbare rondbogige ingang, een groot venster en een lancetvenster. Het koor van donkerrode steen en verlevendigd met ‘speklagen’ van gele en helderrode steen en een zandstenen waterlijst, wordt op de hoeken gesteund door eenmaal versneden beren. De toren, in het begin van de Tachtigjarige Oorlog vernield, is in 1608 herbouwd in kleine gele steen met sieraccenten van rode steen op de hoeken en rond de galmgaten en met een zadeldak.

Het inwendige is door een gedrukt houten tongewelf, dat mogelijk al uit de 17de eeuw dateert, met trekbalken gedekt. In de wanden van het schip is het metrum van spaarvelden van de buitenkant herhaald. In de vloer lig-gen gebeeldhouwde zerken. De achtzijdige zandstenen doopvont op schacht en voetstuk dateert uit de 14de eeuw. De preekstoel met klankbord, hoekzuiltjes en gekorniste panelen op de kuip is 17de-eeuws, evenals de tegen de noordwand geplaatste herenbank. Het orgel heeft een kas uit 1858 en een instrument van Van Gruisen uit 1919 met ouder pijpwerk.

De romaanse kerk is omstreeks 1200 van warmrode baksteen gebouwd en behoort daarmee tot de oudste van dit materiaal gebouwde bedehuizen in Friesland. De kerk is gewijd aan Bonifatius, de missionaris die in 754 in deze contreien is vermoord. Het is een eenbeukig gebouw met een rechtgesloten koor dat bij de restauratie in 1962-’63 van zijn pleisterlaag is ontdaan. Daardoor is het romaanse karakter weliswaar weer zichtbaar, maar de muren zijn zo rigoureus aangepakt dat ze nog steeds nieuw lijken. Aan de noord- en zuidzijde zitten in het hoge register in het muurwerk nog de gaaf bewaard gebleven spaarnissen met drie en twee bogen met daartussen steeds een klein rondboog-venster. Beneden in de noordmuur is aan de westzijde de dichtgemetselde, segmentvormig gesloten ingang te zien en oostelijker een groter, opmerkelijk rondbogig spoor. Dit moet wijzen op een verloren gegane aanbouw omdat aan de zijkanten de keivulling van kistwerk zichtbaar is. De ronde koorsluiting is vermoedelijk in de vroege 16de eeuw vervangen door een rechte sluiting.

De zuidmuur heeft een groot gotisch venster met een stenen tracering en de sluitmuur heeft een dichtgezet venster van een kleiner formaat. De vleugelmuren aan weerszijden van de toren hebben op de hoeken overhoeks geplaatste steunberen. Tegen de noordzijde van het koor is in 1914 een dwarsbeuk aangebouwd. De toren heeft oorspronkelijk een helmdak op geveltoppen gehad. Nu ligt er een zadeldak tussen topgevels met boven de klokkenverdieping, met steeds twee rondbogige galmgaten, nog opmerkelijke verrijkingen van driepas- en trapvormige, klimmende blindnissen.

De kerk heeft een ingetogen interieur onder een vlak balkenplafond. De inventaris met eenvoudige kerkenraadbank, tribunes in schip en dwarsbeuk en preekstoel is wit geschilderd. De preekstoel met klankbord en de wapens van de familie Van Kleffens-Botnia is in 1818 vervaardigd en draagt tussen de pilasters met festoenen op de kuippanelen de personificaties van Geloof, Hoop en Liefde. Op de orgelgalerij staat een in 1895 door Bakker & Timmenga gebouwd orgel.

De laatgotische kerk van het streekdorp Ter Idzard is in een al vele jaren geleden begonnen restauratie gestold. De kerk is omstreeks 1500 gebouwd van gemêleerd rode steen en vertoont in haar gotische uitdrukking enige overeenkomst met de kerken uit dezelfde periode in de nabijgelegen dorpen Oldeholtpade en Nijeholtpade. Zij vormen met de veel oudere kerk van Oldeberkoop de kleine groep middeleeuwse kerken in de Stellingwerven. Al deze kerken bezitten karakteristieke torens. De kerk van Ter Idzard heeft lange tijd een toren moeten ontberen, maar bij de vernieuwing, die in 1903 deels op een vernieling neerkwam, kreeg de kerk een nieuwe westelijke gevel en een bijna voor de helft vernieuwde noordmuur, waarbij een ingebouwde toren werd gerealiseerd. De kerk is toen ook bepleisterd, maar deze cementpleisterlaag is aan de zuidzijde deels weer verwijderd tijdens de eerste fase van de restauratie. Daardoor is het bouwmateriaal zichtbaar geworden. Het schip is in traveeën geleed door eenmaal versneden steunberen.

In de muurvakken staan vrij brede, maar ook korte, licht spitsbogige vensters. Alleen in de meest westelijke travee, waar mogelijk een ingang heeft gestaan, is binnen een tot de grond toe lopende spitsboognis blind. In het vernieuwde deel van de noordgevel staan twee spitsboogvensters; in het gepleisterde gedeelte zijn twee diepe nissen in deze vorm te zien. De driezijdige koorsluiting heeft eenzelfde aanpak.

Het interieur van de kerk wordt gedekt door een houten tongewelf en de muren in de onderste zone zijn per travee voorzien van een diepe spaarnis onder elk venster. In het gestokte restauratieproces zijn de hoogtepunten van de kerk al aangepakt: een drietal zandstenen gepolychomeerde epitafen voor leden van de patricische familie Idzaerda. De oudste van deze rijkversierde maniëristische gedenktekens is uit het midden van de 16de eeuw voor Haiko Meines van Idzaerda en diens vrouw Imck Rommaerts (overleden 1531 en 1552), de andere voor Baerte van Idzaerda (overleden 1603) en Meinardus (overleden 1620). De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Catharinakerk van Leons, een van de kleinste dorpen van Friesland, zou in 1961 wegens bouwvalligheid worden afgebroken, maar dankzij particulier initiatief van een oud-inwoonster en luisterende oren van betrokkenen is de kerk gehandhaafd en in 1972 gerestaureerd. Het orgel was inmiddels overgebracht naar de nabijgelegen kerk van Húns.

Kerk en toren zijn sterk vernieuwd, maar aan de noord- en oostzijde is te ervaren dat het gebouw uit de middeleeuwen dateert. De oude gedeelten tonen duidelijke kenmerken van de romano-gotiek, wat aannemelijk maakt dat het gebouw uit de 13de eeuw dateert. De zuidmuur is geheel herbouwd, beneden met hergebruikte gele steen; daarboven in kleine gele drielingen en met grote rondboogvensters. Aan de westzijde staat de rondbogige ingang geflankeerd door gemetselde pilasters met lijstkapitelen. Het driezijdige koor van gele kloostermoppen springt iets in en heeft onder de dakvoet een uitgemetselde lijst en aan de zuidzijde staat een spits gesloten venster. In de sluitmuur zit een met rode baksteen dichtgezet romano-gotisch venster waarvan de diepe dagkant van een kraalprofiel is voorzien. In de derde koormuur staat een rondboogvenster. De noordelijke muur van gemêleerd gele moppen is nog oorspronkelijk en daarin zijn hooggeplaatste rondboogvensters met hoekige dagkanten te zien.

Beneden staan twee met rode baksteen dichtgemetselde ingangen; iets uit het midden een eenvoudig rondbogige en aan de westzijde een opening onder een segmentboog in een geprofileerde korfbogige nis. De toren is in 1878 ommetseld en heeft nu drie geledingen met door rondbogen gedekte spaarvelden, spitse galmgaten en een ingesnoerde spits.

Binnen is de kerkruimte gedekt met een vlak balkenplafond. Aan de sporen in de koorsluiting is te zien dat die ruimte overwelfd is geweest. Onder in de noordwand zijn diepe nissen uitgespaard, waarvan één dient als expositieruimte voor de vondsten die tijdens de ingrijpende restauratie in 1968-’70 zijn gedaan. De preekstoel met klankbord is vrij jong maar wel naar klassiek model vervaardigd, met kussenpanelen op de kuip. Ook de doopvont is van recente datum.

De kleine kerk, gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië, staat indrukwekkend op een hoog restant van de uitgestrekte dorpsterp waarvan de ringweg nog in wezen is.

Het schip is aan het einde van de 12de eeuw gebouwd. Het muurwerk van gemêleerd rode baksteen kreeg geen versieringen. Evenmin zijn er sporen te ontdekken van de oorspronkelijke vensters. Mogelijk zijn de uit 1829 daterende rondboogvensters precies op de plaats van de kleinere voorgangers in het muurwerk geplaatst. Ze zijn secundair en kregen gepleisterde randen. Aan de noordzijde is het westelijke venster in een dichtgemetselde, rondbogige ingang geplaatst. Aan de zuidzijde zit tussen het derde en vierde venster een spoor van een kleine opening. Het smallere, rijker versierde koor is in het midden van de 13de eeuw toegevoegd. Aan de westzijden zitten stukjes blokfriezen die snel overgaan in een rondgaand rondboogfries op kleine consoles. Boven de friezen loopt een geprofileerde daklijst. Aan de zuidzijde zit laag een fraai rondbogig spoor in het muurwerk: een dichtgezette hagioscoop of piscina. De opnieuw iets smallere, halfronde apsis bevatte oorspronkelijk vrij grote rondboogvensters.

Ze zijn dichtgemetseld of verplaatst. Aan twee zijden van de ronding staan slanke colonnetten. De westgevel is in 1843 vernieuwd en toen is ook de neoclassicistische houten geveltoren vervaardigd. Mogelijk is, gezien de overeenkomst met het torentje van Morra, ook hier Roelof Boorsma de ontwerper. Inwendig wordt de sfeervolle ruimte gedekt door een houten tongewelf in gedrukte vorm. Dat is er waarschijnlijk in 1822 gekomen ter vervanging van de stenen gewelven en trekbalken. Daarvan zijn de sporen nog aanwezig in de wanden. In beide koorwanden zijn hoge nissen te zien en in de apsis een reeks lagere.

In de zuidelijke koorwand is de nis van een hagioscoop of piscina ook inwendig te zien. In de noordelijke schipwand zit een nis op hoger niveau. Iets terzijde van de apsissluiting staat de eenvoudige preekstoel zonder klankbord. Het orgel op de westgalerij is in 1906 gebouwd door W. Vermeulen.

De kerk staat met het koor naar het dorpscentrum gericht op een ruim kerkhof. De toren, in de 13de eeuw gebouwd van gemêleerd rode kloostermoppen, is het oudst. De oversneden torenromp heeft door zaagtandlijsten een geleding gekregen. In het onderste gedeelte staan venstersleuven; boven zijn aan twee zijden dubbele galmgaten in een segmentnis opgenomen; aan de andere zijden staan de gepaarde galmgaten in een geprofileerde rondboognis. De geveltoppen van het zadeldak kregen rondbogige spaarnissen in twee zones. Het driezijdig gesloten koor is aan het einde van de 15de eeuw gebouwd. Het heeft slanke spitsboogvensters. Recent is in de sluitmuur een vluchtdeur aangebracht. Het koor wordt, net als het schip, geschoord door eenmaal versneden beren en onder de dorpels van de vensters loopt een bakstenen waterlijst rondom. Het schip is kort na de bouw van het koor totstandgekomen. Aan beide zijden is het geopend met spitsboogvensters, waarvan de zuidelijke spitser zijn dan die aan de noordzijde. Op enkele plaatsen zitten ook kleinere vensters. Alle vensters hebben gepleisterde dagkanten die steenrood zijn geschilderd. Ze zijn voorzien van voorzetramen, waardoor de raamplastiek is verminderd. De zuidelijke ingang is vervangen door een venster met een borstwering; die in de noordmuur staat onder een segmentboog en in een geprofileerde spitsboognis. De bakstenen van koor en schip zijn rijker gemêleerd dan die van de toren.

Het inwendige van schip en koor wordt gedekt door een tongewelf en trekbalken. Hieronder staat het meubilair dat grotendeels is geschilderd in grijze tonen met wit, in een traditionele protestantse opstelling. De preekstoel met klankbord en het doophek zijn in fraaie rococovormen waarschijnlijk in 1775 vervaardigd door Yge Rintjes, dé meester uit deze contreien. De panelen en hoekpenanten van de kuip kregen gesneden loofwerk met bessen. Het doophek bezit elegante balusters en siervazen. Tegenover de preekstoel staan twee herenbanken uit dezelfde tijd met rugkuiven met wapens. Het orgel is in 1814 gebouwd door J.A. Hillebrand en is in 1831 door Albertus van Gruisen uitgebreid.

De kerk midden in het vrij gave radiaalterpdorp Ee was gewijd aan de heilige Gangulfus of heilige abt Jarich. De kerk is in het tweede kwart van de 13de eeuw totstandgekomen in romano-gotische trant. Dat is het best te zien aan de noordmuur met grotendeels dichtgemetselde, middelgrote, gepaard geplaatste spitsboogvensters. Oorspronkelijk waren het vier paren die de gewelfvakken verlichtten. Het niet gedichte venster aan de oostzijde bezit nog de oorspronkelijke dagkanten met kraalprofiel. In het eerste kwart van de 16de eeuw zijn de gewelven verwijderd en is de kap verhoogd. Het oostelijkste vensterpaar is verdwenen toen in 1908 de rechte koorsluiting werd vervangen door een driezijdige.

In de noordmuur zitten de sporen van twee dichtgemetselde rondbogige ingangen. In de zuidmuur zitten ze ongeveer op gelijke plaatsen. De zuidelijke ingang is segmentvormig gesloten en staat in een geprofileerde spitsboognis. De zuidmuur heeft verder grote spitsboogvensters die er na het verwijderen van de gewelven zijn ingebroken. Beide muren worden bekroond door reeksen consoles in de vorm van lijstwerk dat op een voetje steunt. Veel van deze voetjes zijn gevormd tot mensenmaskers en dierenkoppen. De toren en westgevel zijn van 1869.

Het interieur wordt gedekt door een gedrukt tongewelf. In de vloer ligt een grote collectie gebeeldhouwde zerken, waarbij een sarcofaagdeksel, een gotische zerk van roze zandsteen en een renaissancezerk voor Frans Humalda die in 1627 overleed. Aan de wanden hangen negen ruitvormige rouwborden. In de noordwand is een rijk renaissance-epitaaf van albast en zwart marmer opgenomen ter herdenking van de in 1627 overleden Snelliger Meckema. De met eenvoudig lijstwerk versierde preekstoel met klankbord is in 1867 vervaardigd door K.F. Ozinga. Aan weerszijden van het rugschot is sierstucwerk aangebracht. In het doophek zitten sierlijke gietijzeren roosters. Tegen de noordwand staan drie dubbele herenbanken uit de 17de en 18de eeuw, waarvan die tegenover de preekstoel door zijn geslotenheid op een monumentaal ledikant lijkt. Het in 1957 gebouwde orgel is voorzien van panelen met voorstellingen van Paulus en Liudger, geschilderd door Dick Ozinga.

De toren is gebouwd in de 15de eeuw en gaat tot de gepaarde, korfbogige galmgaten onversneden op. Daar is een geringe verjonging. De geveltoppen aan weerszijden van het zadeldak zijn van een kleinere steen gemetseld en iets jonger. Een gedenksteen beneden in de toren vermeldt een vernieuwing in 1541. De oostelijke, naar het dorp gerichte top vertoont klimmende spitsbogige spaarnissen, de westelijke is vlak. In de westelijke gevel zit een klein spitsbogig venster. De windvaan toont het wapen van de vroegere grietenij Idaarderadeel. In de toren worden twee gevelversieringen van de in 1882 gesloopte Friesmastate bewaard. De kerk is in 1774 opnieuw opgetrokken; de gevelsteen boven de korfbogige ingang aan de noordzijde geeft aan dat het vierjarige zoontje van de grietman de eerste steen legde. Het is een ingetogen bouwwerk geworden met verdiepte muurvakken tussen lisenen en met korfbogige vensters, aan de noordzijde drie en aan de zuidzijde vier. Bij de blinde driezijdige sluiting staat een regenwaterbak.

Het interieur onder het houten tongewelf bevat nog een aantal elementen uit de vorige kerk. In de vloer liggen gebeeldhouwde zerken waaronder die voor grietman Carel Roorda (overleden 1670) en diens vrouw en dochtertje. Opmerkelijk is het fraaie geschilderde 17de-eeuwse kuifstuk, mogelijk van het rugschot van het vorige orgel, met voorstellingen van engelen rond de spreuk ‘Vrede zij God…’ en trompetstekende engeltjes met spreukbanden met ‘Halleluja’. Ook het schotwerk onder het orgel is 17de-eeuws. De door Dirk Embderveld vervaardigde herenbank van de familie Scheltinga is er tegenaan geplaatst. Het kuifstuk met wapens staat op een van de trekbalken. Friese bestuurscolleges maar ook de predikant en de schoolmeester-organist schonken de nieuwe kerk gebrandschilderde glazen. Ze zijn in 1774 vervaardigd door de Sneker glaskunstenaar Ype Staak. De preekstoel in de koorsluiting met eenvoudig gekorniste panelen is verschillende keren veranderd en van een nieuw klankbord voorzien.

Aan de wanden hangen (resten van) rouwkassen. Het orgel op de westgalerij is in 1806 gebouwd en is daarmee het eerste werkstuk van Luitje van Dam. Het is in 1886 aanzienlijk vergroot.

De Gertrudiskerk staat sinds 1557 als hoogtepunt in het midden van het schilderachtige terpdorp Lytsewierrum. In 1514 was door brand de van tufsteen gebouwde voorgangster verwoest. In de zuidelijke muur geeft de stichtingssteen te lezen dat de kerk op 31 maart 1557 is gebouwd, toen het brood twaalf stuivers kostte (vergelijk Visvliet in Groningen). Het extreem dure brood moet het gevolg van een epidemie of een andere crisis zijn geweest. De onderbouw van de kerk is van gele moppen. Dan volgt een rondgaande cordonlijst waarboven het muurwerk van kleine steen is. De kerk is aan de zuidzijde geleed geweest door grote spitsboogvensters met neggen in de dagkanten. Enkele vensters zijn later dichtgemetseld. De middelste nis met een vorktracering is waarschijnlijk oorspronkelijk. Even westelijker is in zo’n nis een fraaie ojiefvormige maar wel dichtgemetselde ingang te zien waarin de stichtingssteen is geplaatst. Aan de westelijke zijde van de noordmuur staat een vrij jonge ingang onder een segmentboog. Even oostelijker zit tussen de twee vensters een hoge, tot de grond toe doorlopende nis die waarschijnlijk een ingang heeft bevat en veel oostelijker is een rondboogspoor te zien dat ook wijst op een voormalige ingang. In de vijfzijdige koorsluiting staan twee vensters. De ongelede zadeldaktoren dateert waarschijnlijk uit de 15de eeuw en is in 1722 gedeeltelijk beklampt met kleine steen. Hij heeft rondbogige galmgaten en in de geveltoppen zitten spitsbogige, klimmende nissen. De windvaan heeft de vorm van een ruiter.

De kerkruimte wordt gedekt door een houten tongewelf dat in 1928 een beschildering ontving in art déco-vormen. Op het warmrode fond zijn golfrandjes langs de ribben en een brede band langs de voet geschilderd. Tussen visblaas-achtige ornamenten staan christelijke symbolen op helderblauwe medaillons. Binnen het doophek met balusters staat de preekstoel met klankbord tegen de oostelijke sluitmuur. Voor het koorhek staan twee overhuifde herenbanken tegenover elkaar. Het vormt een ingetogen 18de-eeuws geheel. L. van Dam & Zn. bouwden in 1870 het orgel. De kerk bezit nog haar mooie collectie petroleumlampen.

Er is met de 13de-eeuwse Gertrudiskerk nogal merkwaardig omgesprongen en toch heeft zij nog een middeleeuws karakter. Mogelijk dateert zij al uit de 12de eeuw en is zij omstreeks 1300 verbouwd. De kerk is opgetrokken in een levendige mengeling van gele en rode kloostermoppen. De noordmuur laat aan de westzijde een dichtgemetselde ingang zien van een afgeplatte korfboog met afwisselende rode en gele koppen die weer omvat is door een spitsboog. Schuin daarboven staat ter verlichting van de orgelgalerij een radvenster. In de zuidelijke muur heeft tegenover de vroegere noordingang een tweede ingang gestaan. Ook deze is gedrukt korfbogig, maar hier zit een rondboog boven. Ten westen van dit spoor staat een nog veel jongere ingangsrest. Het is een diepe segmentvormige nis met een tweelichtsvenster voor de voorkerk. Aan het bruinrode baksteenmateriaal te oordelen is deze ingreep van 1865. Toen is de kerk namelijk ingrijpend verbouwd en zijn in beide muren grote rondboogvensters gebroken met úitstekende dagkanten en ijzeren roeden.

In 1902 is de toren grotendeels gesloopt en de westgevel deels vernieuwd. Het restant toren risaleert uit de voorgevel en kreeg een ingang en een paar vensters waarvan de klimmende rondboogvensters in de top goed passen. Achter de geveltop is de houten geveltoren geplaatst met een gewelfd dak en een kleine, achtzijdige lantaarn met een spits. Deze toren is sinds een eeuw karakteristiek voor Peins geworden. In de zuidelijke gevelvleugel naast de toren is nog een spoor te zien van een klein spitsbogig venster. De driezijdige koorsluiting is geheel gesloten en aan die zijde is te zien dat het om een opmerkelijk brede kerk gaat.

Deze brede kerkzaal wordt gedekt door een houten tongewelf. In de koorsluiting is, vermoedelijk in 1865, het liturgisch centrum in één programma aangepakt met doophek, preekstoel met klankbord en de banken van de kerkbestuurders. Het orgel op de westgalerij is in 1867 gebouwd door L. van Dam & Zn. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De grote driebeukige laatgotische hallenkerk met transept kwam in de decenia rond 1500 tot stand maar bleef onvoltooid. In deze onafgemaakte staat is zij al indrukwekkend genoeg. In 1480 werd met het koor begonnen en het werk is aan het einde van die eeuw voortgezet met de bouw van het transept. Aan het driebeukige schip is omstreeks 1515 begonnen en is na enig oponthoud door krijgsgewoel is het in 1523 voortgezet door zijbeuken, transept en koor te verhogen en daarop nieuwe kappen aan te brengen. Toen omstreeks 1560 het schip tot drie traveeën van drie beuken was gevorderd, werd het werk gestaakt en werd het schip aan de westzijde voorlopig dichtgezet. Daar kwam een laag bakstenen gebouw en de rest van de hoogte werd met een houten schot gedicht.

Dat is bij de restauratie in 1951 pas vervangen door muurwerk. De laatste twee traveeën die de kerk met de toren hadden moeten verbinden zijn nooit gebouwd. De kerk heeft grote, licht spitsbogige vensters. Vooral die van de sluitgevels van de transeptarmen en die van de beuken zijn buitengewoon ruim. Het muurwerk wordt dan ook geschoord door hoge, driemaal versneden steunberen. Tegen de zuidoostelijke oksel van koor en transept is in het eerste kwart van de 16de eeuw een sacristie van twee verdiepingen gebouwd die in de 17de eeuw als Latijnse school in gebruik was en nog altijd zo wordt genoemd.

Aan de toren werd eind 15de eeuw begonnen, hij werd na 1524 verhoogd maar ook hiervan werd de bouw in de loop van de 16de eeuw gestaakt. Hij kreeg in 1613 de nog steeds bestaande bekroning. Het kloeke bouwwerk heeft twee geledingen. De eerste kreeg grote, met profielen en traceringen versierde nissen. De tweede geleding is nog plastischer door uitgemetselde steunberen tussen zeer diepe spitsboognissen waarvoor beneden een balustrade is gemetseld en waarin boven de galmgaten zitten. De bekroning bestaat uit een tentdak met een lantaarn – met een carillon uit 1980 – en een uivormige koepel. De toren wordt op de zuidoosthoek begeleid door een traptoren.

Het interieur van de kerk wordt gedekt door houten tongewelven met trekbalken die rusten op korbeelstellen en muurstijlen en op ronde van rode en gele baksteen gemetselde zuilen. In de vloer ligt een aantal oude grafzerken en aan de wanden hangen enkele rouwkassen. Tijdens de restauratie van 1939 tot 1951 is niet alleen de sacristie sterk gewijzigd, maar vooral de inrichting volledig veranderd, waarbij onder meer familiebanken uit de kerk verdwenen, delen van het koorhek en het doophek eveneens en de opstelling veranderde. Het van balusters, rozetten en portretmedaillons voorziene renaissance-koorhek is in 1569 door Claes Thiebbes gesneden. De excellente preekstoel is in 1718 in volle barokke vormen gesneden door Gerbrandus van der Haven. Op de hoeken van de kuip dragen kariatiden kransen en slingers en in de kuippanelen zijn levendige bijbelse voorstellingen gesneden: de opwekking van Lazarus, Petrus uit gevangenschap verlost en de genezingen van de blindgeborene, van de geraakte en van de zieken. De fraaie koperen lezenaar bevat het wapen van de schenker. De vroedschapsbank in het noordelijke transept (1716) is mogelijk ook het werk van Gerbrand van der Haven. De rechte overhuiving rust op elegante kandelabervormige zuilen. De koorruimte is ingericht voor het avondmaal en kleine vieringen. Het meubilair is versierd met mensjes en engelen gesneden door de uit Workum afkomstige beeldhouwer Tjipke Visser. Die vervaardigde ook de hardstenen doopvont met bijbelse voorstellingen. De gebrandschilderde voorstellingen van Maria en Martha in de koorvensters zijn het werk van Jentje Popma. Het orgel is oorspronkelijk in 1697 gebouwd door Jan Harmensz. Camp met snijwerk van Jan Freercks. Met behoud van oude onderdelen is het in 1980 vernieuwd door de firma Flentrop.

In de zijbeuken staat een grote reeks beschilderde doodsbaren van de Workumer gilden, waarbij twee kinderbaren. Deze gildebaren, waaronder één uit Hindeloopen, zijn uniek in Nederland. De schippers en grootschippers, de apothekers en chirurgijns, de landbouwers, zilversmeden en timmerlieden bieden een kleurig prentenboek van de activiteiten van de gilden en hun materieel en gereedschap.

De tufstenen kerk is omstreeks 1100 op de vijf meter hoge terp gebouwd. De geleding van deze romaanse kerk kan het best van de noordelijke muur worden afgelezen. Deze muur toont een fragment van een rondboogfries en duidelijke sporen van drie dichtgemetselde rondboogvensters. Er is bovendien een grote dichtgemetselde rondboog te zien, ongetwijfeld het spoor van een aanbouw. Daar is een 14de-eeuws reliëf van roze Bremer zandsteen ingemetseld: een onthoofde heilige. Naast de huidige ingang zien we een dichtgezette gotische ingang met een verdiepte spitsboognis. Boven het tufsteen zit een verhoging van gele baksteen uit de 15de eeuw, toen ook de kap werd vernieuwd, een driezijdig gesloten koor toegevoegd en grote spitsboogvensters werden ingebroken.

De zuidelijke muur is gotisch van karakter, maar draagt wel romaanse sporen: in tufsteendammen zitten rondbogen en een kepervormig fries. In de westelijke partij zit een herinneringssteen voor Ulbe Piers Draisma, een van de helden uit de geschiedenis van Achlum. De 15de-eeuwse koorsluiting wordt geschoord door tweemaal versneden steunberen. Het zadeldak van de 15de-eeuwse toren is in 1790 vervangen door de huidige houten opbouw met ingesnoerde spits met leien. Het kerkdak is gedekt met gesmoorde gegolfde Friese pannen die mogelijk in het eigen panwerk bij Achlum zijn vervaardigd.

De kerkruimte heeft een houten tongewelf met trekbalken, korbelen en muurstijlen uit de 15de eeuw. Twee van die stijlen hebben consoles met kopjes. Het meubilair vormt een opmerkelijke eenheid uit het midden van de 17de eeuw. De mannenbanken tegen de noordwand zijn gesloten; de vrouwenbanken dwars op de zuidelijke wand zijn open en hebben gesneden wangen met bloemen uit 1653. Eenvoudige, overhuifde herenbanken plooien zich tegen de drie koorwanden. De preekstoel met schroefvormige trappaal, hoekzuilen en klankbord en het doophek met balusters zijn uit dezelfde tijd. De aan de kanselkuip verbonden spil met een tulpvormig ornament van de koperen doopbekkenhouder rust op de vloer en de consolevormige en met lovertjes versierde houder kan hieraan draaien. Op de orgelgalerij staat een in 1854 door L. van Dam & Zn. gebouwd orgel.

De Gertrudiskerk staat op een opmerkelijk hoog terprestant. De huidige kerk is in het midden van de 16de eeuw opgetrokken van bouwmateriaal van een voorgangster en heeft een eeuw later (1642) een omklamping gekregen. In de zuidmuur staat een reeks segmentvormig gesloten vensters in geprofileerde dagkanten; bij de voorkerk zien we ze in een kleiner formaat. Aan de westzijde staat bovendien de korfbogig gesloten ingang in een spitsboognis. Onder de dakvoet zit een reeks houweelvormige muurankers. De vijfzijdige sluiting heeft, op de noordelijkste wand na, geen vensters. In de noordmuur staan twee vensters van hetzelfde type als die aan de andere zijde en er zijn sporen te zien van twee soortgelijke, dichtgemetselde vensters. Aan de westzijde staat in deze muur bovendien een spitsbogige nis die ongetwijfeld de noordelijke ingang heeft bevat. Hier zien we opnieuw houweelvormige ankers. De westelijke gevel is, op de plint en de hoeken met oude baksteen na, met de westgevel van de ingebouwde toren in kleine, bruine steen vernieuwd. Er staat een grote, rondbogige ingang in en hoog, asymmetrisch geplaatst rondboogvenstertje.

De toren met zadeldak is in 1851 grotendeels vernieuwd of beklampt; aan de oostzijde zijn boven het kerkdak gedeelten van oud muurwerk te zien. De zuidelijke en noordelijke torengevels zijn met houten delen en latwerk bekleed. In deze bruingeschilderde huid zitten kleine vierkante kijkuits. Op een van de topografische tekeningen uit de 18de eeuw is te zien dat deze wanden waren versierd met diepe nissen. Wellicht hebben die problemen gegeven en is de houten beklamping er tegenaan gezet.

Het interieur wordt gedekt door een gedrukt houten tongewelf met trekbalken op laatgotische, gesneden sleutelstukken. Tegen de oostelijke sluitmuur staat de preekstoel met klankbord binnen een doophek met balusters. Het uit 1642 daterende preekmeubel heeft gegroefde hoekzuilen en fraai getoogde panelen met middenornament. Op de westgalerij met een balustrade met opengewerkte ijzeren roosters staat geen orgel meer. Daar is de gevel beschilderd alsof het gewelf er koorvormig sluit. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De midden in het terpdorp gelegen kerk, gewijd aan Godehardus, heeft geen aantrekkelijk westelijk front. De muren van schip en koor hebben evenwel veel interessants te vertellen. De kerk is goeddeels in de eerste helft van de 13de eeuw gebouwd, zij kan als romano-gotisch bouwwerk worden gekarakteriseerd. Dat beeld wordt door veel sporen van eerder en later verstoord en verrijkt. Zo is in beide muren tufsteen verwerkt van de vorige kerk uit de 11de eeuw. In de noordmuur zit vrij veel grijze tufsteen tussen de rode baksteen verwerkt. Laag staat een rondboogvenster van de voorkerk. Dan volgt een dichtgemetselde, rondbogige ingang met een ovaal venstertje. Verder oostwaarts staan drie flinke rondboogvensters uit 1802, soms met sporen van gotische vensters erbij. Rond het middelste zijn bovendien sporen van een verdwenen aanbouw te vinden. Het vijfzijdig gesloten koor heeft op de hoeken vrij complete, van baksteen gemetselde rondstaven.

De koormuren laten sporen van middelgrote rondboogvensters zien, alleen aan de zuidzijde zit een grote spitsbogige nis van een voormalig gotisch venster. Ook de zuidelijke muur heeft drie rondboogvensters uit 1802 en sporen van gotische vensters, tufsteenvelden, sporen van een verdwenen aanbouw en aan de westzijde een dichtgemetselde rondbogige ingang met ovaal venstertje. De westelijke gevel heeft met lisenen een driedeling. In het torenelement staat de omlijste ingang met halfrond bovenlicht, een gedenksteen en hoog een roosvenster. In de vleugelmuren staan grote rondboognissen. In de toren met ingesnoerde spits zitten gemetselde rondbooglijsten en dubbele galmgaten.

De kerkruimte wordt gedekt door een tongewelf met trekbalken. De in 1658 door Dirk Sydtses vervaardigde preekstoel met klankbord heeft een kuip die versierd is met gegroefde hoekzuilen en gecorniste panelen. De ertegenover staande overhuifde herenbank is in 1723 gesneden door Jacob Sydses Bruinsma voor Dieuke Wielinga-Westerhuis. Hij heeft getordeerde en omrankte zuilen en een opengewerkte kuif met wapens. Het orgel is oorspronkelijk van J.A. Hillebrand (1831); de kas is nog origineel maar het instrument is al in 1833 en daarna ook nog een paar keer verbeterd.

De laatmiddeleeuwse Hippolytuskerk is on gewoon gesitueerd tussen de bossen van Olter terp. Zij was sinds de 18de eeuw min of meer een privékapel voor de patricische familie Van Boelens, die hier een buiten had, en de aan hen geparenteerden. De kerk is omstreeks 1500 gebouwd van gemêleerd gele en rode baksteen van groot formaat. Mogelijk is de kerk kort na de bouw naar het oosten uitgebreid, want in de noordmuur is een duidelijke bouwnaad zichtbaar. Rondom heeft het muurwerk een samengestelde tandlijst, die op enkele plaatsen is doorbroken door sluitingen van de vensters. Waarschijnlijk is de kerk eens verlaagd. De kerk wordt verlicht door smalle spitsboogvensters, aan de noord- en zuidzijde drie en in de rechte koorsluiting een klimmend stel van drie. In het midden van het schip staat aan beide zijden bovendien een breed spitsboogvenster met een bakstenen vorktracering. Alle vensters zijn voorzien van glas-in-lood. De sluitgevel wordt beëindigd met een traptop waarbij de trappen van ezelsruggen zijn voorzien. Ook de westelijke muur heeft een trapbeëindiging. De kerk is in 1912-’13 in opdracht van mevrouw B.W.T. Sandberg van Boelens op een vrijmoedige, romantische wijze gerestaureerd. In 1744 heeft de kerk een toren gekregen, ongeleed en met een ingesnoerde spits.

Boven de rondbogige ingang zit een stichtingssteen van de schenkers van 500 gulden – toen een fiks bedrag – voor de torenbouw: Ayzo van Boelens en Rinske Lycklama à Nijeholt. Zij overleden in 1782 en 1750. Hun rouwborden hangen tegen de westelijke wand in de kerk.

Inwendig wordt de kerk gedekt door een tongewelf met trekbalken en volledige gebintstellen. De preekstoel uit 1780 met klankbord staat tegen de noordwand. Hij heeft gesneden evangelisten op de kuippanelen en de kuip rust op een grote adelaar. Het doophek staat bij de koorsluiting; het bezit balusters in laat 18de-eeuwse Lodewijk XVI stijl. Tegenover de preekstoel staat een eenvoudige overhuifde herenbank en tegen de sluitmuur van het koor hangen ook nog twee grote rouwkassen. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Jacobuskerk staat op een hoog kerkhof. Na een brand aan het einde van de 15de eeuw is de kerk uit de 13de eeuw omstreeks 1508 herbouwd in laatgotische vormen. Schip en koor zijn gemetseld van gemêleerd gele steen. Het lange schip met koortravee bezit grote spitsboogvensters met vorktracering. In de westelijke travee, geschoord door twee tweemaal versneden steunberen, staat de 19de-eeuwse rondbogige ingang met een klein spitsboogvenster erboven. In de tweede travee staat de oude ingang, een rondboog die in rood en wit is gekleurd. Hij wordt omkaderd door de verder over schip en koor doorlopende waterlijst. De vijfzijdige koorsluiting met tweemaal versneden steunberen heeft aan vier zijden spitsboogvensters gehad, waarvan drie met kleine gele steen tot diepe nissen zijn dichtgezet en waarbij de traceringen zichtbaar zijn gebleven. In de oostelijke sluitmuur zit een kleine diepe (beeld?) nis onder een ojiefboog. Eronder staat een later ingebroken ingang.

De noordmuur bezit drie spitsboogvensters, aan de oostkant een dichtgezette vlakke rond-bogige ingang en westelijk nog een geprofileerd exemplaar. Boven de laatste zit een gedenksteen uit 1591 met in dichtvorm een boodschap over de gelijkheid van de doden op het kerkhof. De in 1862 voor de kerk opgetrokken toren met mogelijk in de onderste geleding nog een kern van de oude toren is in drie geledingen met spaarvelden en –nissen opgetrokken en heeft een ingesnoerde spits.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf met trekbalken op korbeelstellen en muurstijlen. De preekstoel uit 1661 heeft gekorniste kuippanelen. Bijzonder zijn het zware, koperen balustradehek, de koperen lezenaar en het koperen haantje op een van de scharnieren van de deur. Het doophek is voorzien van balusters. Er staan drie 17de-eeuwse, drievoudige en dubbele overhuifde herenbanken met balusterhekken, waarvan een uit 1623 met een uitbundig kuifstuk waarin familiewapens, waaronder die van Jongema, zijn verwerkt. Aan de wanden hangt een groot aantal rouwkassen en –borden, vooral voor leden van de familie Sminia. Het orgel is in 1847 gebouwd door P.J. Radersma.

Kerk en toren, in de middeleeuwen gewijd aan Johannes de Doper zijn als vroeg-gotisch ensemble in de 13de eeuw op een terpachtig kerkhof totstandgekomen. Bij de ingang van het kerkhof staat een gietijzeren hek met de vermaning ‘Gedenk te sterven’, geflankeerd door penanten met doodssymboliek: een schedel met knekels, een gevleugelde zandloper, gekruiste seizen, de slang die zichzelf in de staart bijt en gekruiste neerwaarts gerichte fakkels. De kloeke toren is een baken voor de wijde omgeving. De kerk is van gele kloostermoppen gebouwd, de toren van rode. De noordmuur van het schip met vier rondboog-vensters laat dit bouwmateriaal nog in grote mate zien, al zitten boven in de muur wel reparaties met kleine gele steen. De zuidelijke muur is sterker gerepareerd; de muurdammen tussen de vier rondboogvensters zijn nog velden moppen blijven zitten, maar verder is vrij veel kleine gele steen te zien. Aan de westzijde staat de ingang, een dubbele deur in een rechthoekig kozijn, waarboven een klein rondboogvenster zit. Naast de deur is een zonnewijzer aangebracht. Het vijfzijdig gesloten koor heeft flinke rondboog-vensters en op de hoeken staan eenmaal versneden steunberen.

De zware zadeldaktoren heeft geen westingang, maar aan die zijde is een spitsboogvenster achter de dagkanten met contrastrijke gele steentjes tot een nis dichtgemetseld. Ongeveer in het midden is wel weer een klein spitsboogvenster aangebracht en hoger staat nog zo’n venster zelfstandig in deze gevel. De toren bezit nog een paar openingen en op de zuidwestelijke hoek zijn tussen de rode baksteen op zeker vier plaatsen nauwelijks opvallende platen roze Bremer zandsteen verwerkt. West en oost hebben twee en noord en zuid drie rondbogige galmgaten. Er hangt een luidklok die in 1402 door Hermanus is gegoten.

Het inwendige van de zaalkerk wordt gedekt door een houten tongewelf met trekstangen. De niet zeer oude preekstoel met klankbord heeft gewelfde hoekpilasters op de kuip die door een kandelabervormige voet wordt gedragen. Het orgel op de westgalerij is in 1907 gebouwd door Mart Vermeulen uit Woerden.

De Sint-Janskerk is in de 12de eeuw op een hoge terp gebouwd. De noordelijke muur laat nog gedeelten van romaans tufsteen zien. Er zit een fragment van een rondboogfries op kraagsteentjes en er zijn sporen van kleine rondboogvensters. Aan de westzijde is bovendien een vaag spoor van een dichtgemetselde ingang te zien en oostelijker een rechthoekig ingangsspoor. In de 14de eeuw is het schip in gemêleerd rode baksteen verlengd en is het koor met een vijfzijdige sluiting van gemêleerd gele steen gebouwd. De kerk is in 1881 flink aangepakt. De noordmuur is redelijk met rust gelaten maar wel verhoogd met een blokfries en een tandlijst.

Het koor is voorzien van eenmaal versneden steunberen. In 1881 is het zuidelijke muurwerk beklampt en deze kreeg ook een fries en een lijst. Het lange schip met koor is in traveeën geleed door uitgemetselde lisenen. De spitsboogvensters hebben geprofileerde, gepleisterde dagkanten en wenkbrauwen van pleister. De forse toren van drie geledingen, de hoogste toren van een dorpskerk in Friesland, is in laatgotische vormen in 1548-’49 onder leiding van ‘torenbouwer’ Cornelis Claesz. verrezen. Hij heeft aan de westzijde een zand-stenen, meervoudig geprofileerde nis met de ingang en een groot spitsboogvenster met vorktracering. Er is een frappante overeenkomst met die van Dronrijp van een paar jaar eerder. De tweede geleding is aan elke zijde versierd met drie ranke spitsboognissen met traceringen en de derde met twee korfboognissen waarin de galmgaten staan. Op de 31 meter hoge romp is een omgang gezet, waarbij op de hoeken gebeeldhouwde waterspuwers zitten. Daarna rijst de achtzijdige spits nog 41 meter op.

Het ruime interieur is in 1881 sterk verbouwd. Het wordt gedekt door een houten gewelf met trekstangen. De barokke preekstoel, in 1699 door Agge Monsma gesneden, heeft kuippanelen met loofwerk met bloemen en festoenen op de penanten. Het doophek met gietijzeren balusters is van 1881. Het orgel heeft een kas uit 1760 door Gerard Stevens met een instrument van A.A. Hinsz uit 1764. De twee bazuinstekende engelen op de koof zijn van de hand van Johann Georg Hempel.

De kerk staat op een opvallend hoog terprestant. Van deze aan Johannes de Doper gewijde kerk begint de bouwgeschiedenis in de 13de eeuw. Het oudste gedeelte is te vinden in de noordmuur. Nabij de toren staat de huidige ingang in een 18de–eeuwse muurpartij. Hiernaast is een oude, dichtgemetselde ingang te vinden: van gotisch model onder een segmentboog en in een geprofileerde spitsboognis. Meer naar het oosten is een flink stuk muurwerk in tufsteen uitgevoerd, materiaal dat in de eerste helft van de 13de eeuw moet zijn hergebruikt. Hoog in het muurwerk staan kleine rondboogvensters.

Het vijfzijdig gesloten koor van gemêleerde rode en gele baksteen met steunberen op de hoeken is vroeg 15de-eeuws. In de sluitmuur staat een smal, hoog rondboogvenster, in de naastgelegen muurvakken zitten diepe blindnissen van hetzelfde model. De zuidmuur is voorzien van grote, laatgotische vensters met rode dagkanten en traceringen. De muurpartij dichtbij de toren is 18de-eeuws; hierin staat een rondbogige ingang.

De rijk uitgedoste, drie geledingen hoge toren is van 1550-’67. De onderste geleding heeft in de westgevel een spitsboogvenster met diepe, rijk geprofileerde dagkanten en zandstenen traceringen. De andere geledingen zijn aan alle zijden versierd met ondiepe, hoge spitsboognissen, voorzien van fijne traceringen van zandsteen. Op deze fraaie torenromp zijn in 1589 een elegante ui-vormige spits en hoekpinakels als karakteristieke bekroning geplaatst.

Het ruime, sobere interieur is gedekt door een houten tongewelf. In het koor ligt een collectie renaissancezerken van grote hardsteenhouwers. Bijvoorbeeld die voor het geslacht Feitsma: voor Siuck Feytsma, in 1551 door Benedictus Gerbrandtsz. gehouwen en ook voor Rioerd Feitsma (overleden 1556), waarschijnlijk van dezelfde meester. Die voor Hessel van Feitsma werd gemaakt door Pieter Dircks in 1561 en die voor Ofko van Feytsma was in 1605 het werk van Claes Jelles. De preekstoel met klankbord en aan de kuip gecanneleerde zuiltjes is in 1696 door Jan Matheüs gemaakt. Het orgel is in 1865 gebouwd door Willem Hardorff uit Leeuwarden.

Op de redelijk complete radiale terp van Raard staat de vrij kleine Johannes de Doperkerk met een kloeke toren. Vanuit het noorden, waar de terp diep is afgegraven, kan de hoogte van de terp het best worden beleefd. Het kerkschip van gemêleerd rode kloostermoppen dateert uit het begin van de 13de eeuw; het koor met driezijdige sluiting is iets ouder, van omstreeks 1200. In de zuidelijke muur staat een nogal seculiere ingang: een dubbele deur met bovenlicht in een rechthoekig kozijn. Ernaast is een dichtgemetselde, segmentvormig gedekte opening te zien. Aan deze zuidzijde wordt de kerkruimte verlicht door drie 18de-eeuwse rondboogvensters, waarvan de sluitingen tegen de goot uitkomen. Het muurwerk is in 1807 dan ook iets verlaagd. Op de overgang van schip en koor zit een restant van een penant.

De driezijdige koorsluiting heeft op de hoeken gemetselde ronde colonnetten. Aan de zuidoostzijde is een groot spitsboogvenster dichtgemetseld, de oostzijde heeft een rondboogvenster in een spitsbogige dagkant. De noordmuur vertoont oudere sporen. In het koor staat een groot rondboogvenster met daarbij een spoor van een klein romaans venster. Na een penant dat de overgang naar het schip markeert, staat in de schipmuur een compleet romaans rondboogvenster dat achter de diepe dagkanten is dichtgezet. Dat geldt ook voor een rechthoekige hagioscoop daar vlakbij. Verder naar het westen zitten twee sporen van dichtgemetselde ingangen, de ene rondbogig, de andere met een segmentboog. De toren is in 1807 – de gedenksteen zit in de zuidgevel – gemetseld van kleine bruine baksteen. Hij heeft enkele rondbogige galmgaten voor een in 1523 door Wolter Schonenborch gegoten klok en een exemplaar dat Hans Falck in 1620 goot. De toren wordt bekroond door een ingesnoerde spits.

Het inwendige is met een tongewelf gedekt en bezit een preekstoel uit het midden van de 17de eeuw met gegroefde pilasters op de hoeken en in de vloer liggen enkele 17deeeuwse grafzerken. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken en is in gebruik als museum van een kunstenares.

De kerk, gewijd aan Johannes de Evangelist, staat midden in het kleine, gave terpdorp. De kerk is met koor in de tweede helft van de 13de eeuw gebouwd. Het muurwerk is rondom bekroond door een zaagtandlijst. De muren hebben steunberen in verschillende vormen. Het eerste vak van de noordmuur is blind. Het volgende heeft een groot spitsboogvenster en een klein exemplaar met een kraalprofiel in de dagkant. Daaronder zit laag een spoor van een dichtgezette ingang. Weer oostelijker staat bij een groot rondboogvenster een fraaie dichtgemetselde ingang: sleutelgatvormig en met rondstaven versierd binnen een spitse nis. Boven in het daaropvolgende vak zit een stukje rondboogfries en onder het rondbogige venster zit een rondbogig spoor, wellicht een vroegere hagioscoop. Daarna volgt het vijfzijdig gesloten koor met enkele rondboogvensters met kraalprofielen. In de zuidmuur staan spitse vensters. In het westelijke vak staan bovendien een smal rondboogvenster en daaronder sporen van twee toegemetselde ingangen. De westelijke gevel is met de toren in 1843 vernieuwd. De elegante, neoclassicistische houten torenopbouw, waarschijnlijk ontworpen door Roelof Boorsma, heeft twee geledingen met pilasters, segmentpassen, lijstwerk met consoles en andere sier.

De sfeervolle kerkruimte wordt gedekt door een gedrukt houten tongewelf. De kerkbanken hebben gedraaide knoppen. De uit 1849 daterende onversierde preekstoel met klankbord staat binnen een doophek met balusters. Ertegenover staat een 18de-eeuwse herenbank met boven het rugschot een wapen met korenaren, mogelijk van de familie Sluijterman. Ten oosten van de preekstoel staat een herenbank uit 1622 met in het timpaan het alliantiewapen van de familie Botma. Boven de herenbank in de sluitwand zit een zandstenen, in marmerimitatie beschilderd maniëristisch epitaaf voor Wopke van Scheltema en Frouck Roorda uit 1625. Tegen de noordwand bij het orgel staat de renaissancegrafzerk uit 1627 van hun zoon Scipio van Scheltema en ook de barokke zerk uit 1755 voor Gerrit Botma en Jantje Nannes. De laatste dame was in 1740 de schenkster van het door Johan Michaël Schwartsburg gebouwde orgel.

De Johanneskerk staat ruim in het centrum van het dorp. De toren is aan het einde van de 12de eeuw gebouwd, waarna de bouw van het schip spoedig volgde. En in en bij die toren vinden we nog oudere herinneringen. De zadeldaktoren heeft pinakels op de toppen, schouders en een rondbogig galmgat aan elke zijde. In de romp zitten wat rondbogige lichtsleuven. De toren wordt op de hoeken gesteund door beren. De westelijke ingang is met een klein venster geplaatst in een hoge rondboognis. In de gevels aan weerszijden van de toren zitten liseen-achtige vermetselingen die met die in de oostelijke gevel van de toren erop zouden kunnen wijzen dat er een midden 12de-eeuws gereduceerd westwerk zou hebben gezeten. Tegen dit muurwerk zijn steunberen geplaatst. In de noordmuur staan twee spitsboogvensters uit de 16de eeuw maar ook sporen van twee dichtgemetselde romaanse venstertjes met opvallende rondboogjes van gele steen in verder rood muurwerk. Er zit bovendien een rondbogige, dichtgemetselde ingang. Even verderop zien we een hoog, smal rondboogvenster, eveneens dichtgezet. Dichtbij het koor zijn laag een rondboogje en een rechthoekige nis te zien, mogelijk herinneringen aan een hagioscoop en een piscina. In de zuidmuur staan vier 16de-eeuwse spitsboogvensters en een ingang binnen een jonge spitsboognis. Iets ten oosten van het midden zitten de moeten van een vrij hoog rondboogvenster. Het vierzijdig gesloten koor dateert uit het midden van de 13de eeuw. Het is later verhoogd en het bezit op de hoeken lisenen en een bekroning van een rondboogfries met een zaagtandlijst.

Binnen is de kerkruimte gedekt met een houten tongewelf uit 1604. De preekstoel met klankbord binnen het eenvoudige doophek, mogelijk het werk van Yge Rintjes, dateert van 1775 en laat snijwerk in rococovormen zien. Op de panelen zien we rocaille-lofwerk en op de hoekpilasters vruchtenfestoenen. De herenbank, voorzien van een kuifstuk met familiewapen, dateert ook van 1775. Het orgel is in 1906 gebouwd door Mart Vermeulen uit Woerden.

Van de Sint-Janskerk werd in de 18de eeuw geschreven dat zij in een zeer grote uitgestrektheid van woeste, venige heidevelden was gelegen. De kerk staat nog steeds afgelegen. Bij de restauratie in 1990 is het gebouw bevrijd van de pleisterlaag die er in 1885 op was aangebracht, waardoor de geschiedenis weer kan worden afgelezen. De kerk is in de 15de eeuw in laatgotische stijl gebouwd van oudere kloostermoppen. Er moet dus al eerder een kerk hebben gestaan. Het schip van rode moppen is aan beide zijden geopend met vier vrij korte vensters die aan de buitenzijde spitsbogig en aan de binnenzijde rondbogig zijn. In de tweede travee aan de zuidzijde staat een door de gemetselde waterlijst rechthoekig omkaderde, met gele steen dichtgemetselde ingang. De traveeën zijn op een sprekende wijze geaccentueerd door de in de late 18de eeuw van kleine gele steen gemetselde steunberen. De noordzijde heeft eenzelfde geleding en daar is een gelijkvormige ingang te zien, maar deze is dichtgemetseld met rode moppen. Aan deze zijden zijn enkele muurvakken in kleine gele steen gerepareerd. De driezijdige koorsluiting heeft een venster aan de zuidzijde en een spoor van een dichtgezet rondboogvenster in de sluitmuur.

De toren op de van een rondbogige ingang voorziene westgevel is van hout getimmerd en voorzien van enkele galmgaten en een ingesnoerde spits met een springend paard als windwijzer.

Inwendig wordt de kerkruimte gedekt door een houten tongewelf met trekbalken, korbelen en sleutelstukken. De preekstoel met klankbord dateert uit het eind van de 18de eeuw. Hij is geplaatst in een dooptuin met banken voor de kerkbestuurders en een doophek met platte, decoratieve balusters, waarop een fraai gesneden 18de-eeuwse lezenaar staat. Het orgel is na wijzigingen in 1917 op de westgalerij met balustrade geplaatst. Het instrument is in 1723 door Frans Caspar en Johan Georg Schnitger gebouwd voor de evangelisch-lutherse kerk van Zwolle. Op het kerkhof staat ten noorden van de kerk een hoogst zeldzame predikantswoning uit 1759, een eenkamerwoning.

Op de terp van Britsum is de kerk, die waarschijnlijk aan Johannes was gewijd, vanaf het einde van de 12de eeuw totstandgekomen. Het exterieur verstopt een fascinerende middeleeuwse structuur en interieur. De oude kerk is in 1875 ommetseld, mogelijk naar ontwerp van E. Kuikstra. Het schip en de meerzijdige – inwendig ronde – koorsluiting is daarbij uiterst eenvoudig aangepakt maar het front met ingebouwde westtoren is opgesierd. De westelijke partij met toren is waarschijnlijk in 1896 aangepakt; er werd toen een aanzienlijk bedrag voor uitgetrokken. De toren met ingesnoerde spits is decoratief gestukadoord. Er hangen twee klokken in: die in 1507 door Johannes is gegoten, draagt reliëfs van Maria en Bartholomeus; de andere van Jurriën Balthasar uit 1664 draagt wapens van de schenkers. In de toren bevindt zich een 17de-eeuws torenuurwerk. Deze westelijke partij is achter de jonge bekleding het oudst. Het is een zogeheten gereduceerd westwerk dat tussen 1180 en 1200 is gebouwd. Zo’n gereduceerd westwerk bestaat uit een toren met aan weerszijden zowel op de begane grond als op de verdieping vierkante overwelfde ruimten die door middel van bogen met de torenruimte en met het schip in open verbinding staan. Het is een vereenvoudigde versie van robuuste, ingewikkelde westwerken die bij grote kerken in de Maasstreek en Westfalen zijn te vinden. Achter het westwerk van de Johanneskerk is tussen 1240 en 1260 een romano-gotisch schip met rondgesloten koor gebouwd. Het interieur is in vier vakken met gevarieerde, tufstenen koepelgewelven gedekt. De muurbogen en de met gearceerd schilderwerk versierde gordelbogen tussen de gewelfvakken zijn licht spitsbogig en steunen op pilasters. De westelijke gewelftravee – met orgelgalerij – heeft een verdeling in zessen, waarbij de ribben elkaar kruisen. De volgende travee heeft ook een verdeling in zessen, maar hier komen de ribben bijeen in de vorm van een zespuntige ster. Het derde vak is in vieren gedeeld met een vergaring van de ribben aan een ringvorm. Het gewelf van het koor bestaat uit zes schelpen waarbij de licht verdraaide ribben in een afhangende knoop bijeenkomen. De gewelfribben lopen als colonnetten door langs de muurpilasters; in het koor steunen ze halverwege op consoles. De ribben zijn evenals de gordelbogen met schilderwerk g edecoreerd in gevarieerde patronen en kleuren, waarbij de rode okers domineren. Er zijn ruitformaties, kepers, zaagtandvormen, enkele en dubbele spiralen en banden te zien.

Bij de recente restauratie (1993-’94) is een opmerkelijk programma van muurschilderingen uit de periode omstreeks 1270 onder de kalklagen aangetroffen en in 1997 aan het licht gebracht. Een Maria met Kind in een mandorla werd aangetroffen op het gewelf van het schip. De wanden en gedeelten van het gewelf van de koorsluiting laten een uitvoerige serie passietaferelen zien: het Laatste Avondmaal, de Gevangenneming, Ver oor deling, Geseling, Kruisdraging en Kruisiging. Van uit de boogzwikken kijken oudtestamentische persoonlijkheden op de lijdensgeschiedenis neer. Waarschijnlijk zijn het Abraham, Isaak, Jakob, Mozes, Aäron, David, Salomo, Jonathan, Absalom en Saul. Bij een nis die mogelijk de functie van sacramentnis heeft gehad, is een reliëf van roze zandsteen met een ram met vier horens in de muur verwerkt. Ooit in Britsum gevonden, is het er na museale omzwervingen teruggekeerd.

Het meubilair dateert uit de 17de eeuw. De eikenhouten vierzijdige preekstoel met gekorniste panelen tussen gecanneleerde hoekzuiltjes en het doophek dateren uit 1667. De doopbekkenstandaard is mogelijk 19deeeuws. De overhuifde herenbank van vermoedelijk de familie Burmania (midden 17de eeuw) heeft gewrongen, omrankte zuilen en een voorbank met balusterhek. De eveneens overhuifde bank met gecanneleerde zuilen en een gesneden kuifstuk, waarin het alliantiewapen Van Wyckel – Van Lyclama is opgenomen, kwam aan het einde van de 17de eeuw tot stand. De tekstborden met gouden biezen dateren uit 1725 en zijn in 1862 veranderd. In de vloer ligt een aantal interessante zerken: een priesterzerk voor Aggo Herama uit 1535 die mogelijk door Benedictus Gerbrandtz. is gehouwen, een zerk voor de in 1577 overleden Edzart van Douwema en enkele zerken voor de families Burmania, Schotanus en Douma. Het orgel is in 1861 gebouwd door Willem Hardorff uit Leeuwarden. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De in eerste aanleg romano-gotische kerk uit het begin van de 13de eeuw was gewijd aan Johannes de Evangelist en staat bij een romaanse toren uit de 12de eeuw op een kerkhof dat grotendeels is omgeven door een ringgracht. Kerk en toren zijn ingrijpend gewijzigd, waardoor het middeleeuwse karakter nauwelijks is te ervaren. De kerk is in 1726 van binnen en waarschijnlijk ook van buiten vernieuwd onder leiding van Claes Bockes Balck, de stadsbouwmeester van Leeuwarden. De kerk is ommetseld met oud, gemêleerd geel baksteenmateriaal en de zuidzijde is voorzien van vijf grote, korfbogige vensters. De drie stevige, diagonaal gemetselde steunberen zijn uit de 19de eeuw. De muren van de vijfzijdige koorsluiting zijn gesloten; in de sluitmuur is wel een geprofileerd, dichtgemetseld rond venster te zien. De noordgevel is ook goeddeels gesloten. Nabij het koor staat een groot, korfbogig venster en boven de ingang aan de westzijde een klein lancetvenster. De toren is in 1816 aangepakt: bekapt en ommetseld met kleine gele baksteen en voorzien van een nieuwe achtzijdige spits. Erg stabiel is de toren kennelijk niet, want het muurwerk is doorregen met staaf- en kruisankers.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf. Op de grafkelder in het koor van de Ockinga’s ligt een grote zerk van Vincent Lucas (1550). In het koor hangen een Tiengebodenbord en een gedenkbord voor de vernieuwing van de kerk in 1726. Middelpunt is vanzelfsprekend de preekstoel met een koperen houder voor een zandloper, een doophek en een gesneden doopbekkenhouder. De preekstoel met klankbord is mogelijk het werk van de Leeuwarder kunstenaar Jaan Oenema die in elk geval betaald kreeg voor het vervaardigen van de pui met fraai snijwerk tussen voorkerk en schip. Op de panelen van de kuip staan de personificaties van geloof, hoop, liefde, gerechtigheid en een fraaie bloempot op een console. Hier tegenover staat een overhuifde herenbank. Het orgel is in 1735 gebouwd door Johan Michiel Schwartzburg en is in 1822 en in 1948 nog enigszins gewijzigd.

De laatgotische kerk, in de middeleeuwen gewijd aan Johannes de Doper, staat op een terprestant aan de noordelijke rand van het dorp. De kerk is omstreeks 1450 gebouwd van kloostermoppen waarin geel domineert maar rode steen voor verlevendiging zorgt. Zij vormt met de toren, in de 13de eeuw van hetzelfde bouwmateriaal opgetrokken, een harmonieuze eenheid. In de zuidelijke gevel staan vijf grote gotische spitsboogvensters, waarvan de dorpels op de cordonlijst uitkomen die boven de borstwering grotendeels rond de kerk doorloopt. In de westelijke travee staat de ingang met spitsbogig bovenlicht in geprofileerde dagkanten. Deze travee is omvat door een rechthoekig over deze partij doorgetrokken cordonlijst. De koorpartij is vijfzijdig gesloten en heeft in twee zijden spitsboogvensters. In de noordelijke muur staan twee van deze vensters met ernaast tweemaal versneden steunberen. Er is een licht spitsbogige, dichtgemetselde ingang te zien. De toren is in de 13de eeuw in één keer opgetrokken, al suggereren niet geheel complete cordonbanden dat de toren drie geledingen heeft. Bovenin staan telkens twee rondbogige galmgaten. De zadeldakbeëindiging heeft aan de oostzijde een gebruikelijke geveltop met schouders en een pinakel; aan de westzijde is in de 18de eeuw een ojiefgevel, een in- en uitgezwenkte geveltop aangebracht van fraai metselwerk en met voluten en bollen op de schouders.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf. De begane grond van de toren heeft een ribloos kruisgewelf. Het kerkinterieur is in 1865 aangepakt en waarschijnlijk dateren preekstoel en herenbanken uit deze tijd. De bankenblokken zijn bij een latere restauratie vervangen door stoelen. De eenvoudige preekstoel met klankbord is in de koorsluiting geplaatst. De twee herenbanken met overhuivingen op korintische zuilen staan tegenover elkaar. Tegen de noordwand hangt een opmerkelijke, zandstenen epitaaf uit 1656 voor Hobbe en Frouck van Aylva die op Tjessinga- of Aylvastate ten noorden van de kerk resideerden. Het is een driedelige, door pilasters omvatte plaat met opschriften, wapens en enige doodssymboliek. Het orgel, gebouwd in 1873 door L. van Dam & Zn., staat onder geschilderde draperieën.

Omstreeks 1170 is in Hoorn een kapel gebouwd door de norbertijnen van het klooster Mariëndal in Lidlum bij Tzummarum. Nadat de kapel de status van kerk had gekregen, is zij een eeuw later verlengd en van een vijfzijdige sluiting voorzien. Iets later in de 13de eeuw is de kapel vervangen door het huidige romaanse schip dat in steen werd overwelfd. De bouw van de toren is daarna gevolgd (die in 1848 sterk is verlaagd). Aan het begin van de 15de eeuw is de kerk verhoogd, waarbij de stenen gewelven zijn verwijderd. Een eeuw later zijn in de zuidmuur gotische spitsboog-vensters met vorktracering aangebracht en voor de stabiliteit kwamen er steunberen (bij de restauratie van 1961-’69 verwijderd). De ingang is toen ook in gotische trant verrijkt: geplaatst in een geprofileerd kader met een reeks van vier rechthoekige nissen erboven.

In het koor staan rondbogige vensters in romano-gotisch geprofileerde diepe dagkanten. De sluiting heeft op de hoeken slanke steunberen met ezelsruggen. In de noordmuur is de bouwnaad tussen schip en koor scherp zichtbaar. Daar staan in de bovenzone van het schip de in de jaren zestig heropende romaanse rondboogvensters en in de tweede travee is de noordingang onder een rondboog aanwezig. De toren in drie, licht versneden geledingen heeft aan de westzijde een spitsboogvenster, galmgaten, een geblokte bekroning en een ingesnoerde spits.

Inwendig is de kerkruimte gedekt door een tongewelf met trekbalken. In de wanden zijn de spaarnissen en hoger ook rondbogige sporen van de vroegere stenen overwelving zichtbaar. Basesresten van de gordelbogen en colonnetten zijn bij de restauratie iets aangevuld. In het muurwerk zitten allerlei nissen, waaronder een vrij grote piscina en de sporen van een sacramentshuis. De eenvoudige preekstoel is van omstreeks 1660. De unieke, beschilderde en van spreuken voorziene renaissance-avondmaaltafel dateert uit het begin van de 17de eeuw. Het orgel is in 1894 door J.F. Kruse gebouwd. In de tot consistorie ingerichte torenruimte zijn vitrines opgesteld met de vroegste fragmenten gebrandschilderd glas van Nederland.

De Sint-Joriskerk lijkt weerbarstig; binnen heeft zij een verrassend warme inventaris. De bouw van de kerk is omstreeks 1200 begonnen met het westelijke gedeelte van het schip en in de 14de eeuw voortgezet met een vergroting naar het oosten. Daarna is het geheel in de 16de eeuw verhoogd en zijn de grote spitsboogvensters aangebracht. Het muurwerk, vooral van de noordzijde, heeft veel te vertellen. Tegen het oude gedeelte hebben steunberen of lisenen gezeten en er zijn vensters in verschillende formaten geweest die zijn dichtgemetseld. De ingangspartij is in 1860 in neogotische vormen aangebracht. Verder naar het oosten staan twee grote spitsboogvensters en beneden een rechthoekig spoor dat op een verdwenen kleine ingang kan wijzen. Van de koorvensters is één exemplaar vlak en zijn twee achter de dagkanten dichtgemetseld. Twee vensters verschaffen licht in het koor. Op de overgang van schip en koor is in 1709 (jaarankers) een consistorie aangebouwd. In de zuidelijke schipmuur verlichten zes grote spitsboogvensters het schip. Onder het tweede staat een gepleisterde en oker geschilderde laatgotische ingang in een geprofileerde spitsboognis. In het timpaan zit een zespuntige ster met een bloem. De in de 16de eeuw gebouwde toren heeft drie onversneden geledingen. De spits verving in 1766 een stenen exemplaar.

De overwelving van het schip is verschillende keren gewijzigd; nu is er een houten tongewelf met trekstangen. Hieronder is in protestantse opstelling een fraaie, vroeg 18de-eeuwse inventaris opgesteld: lambrisering, omlijste tekstborden, de tweevoudige herenbank Idsinga waarvan de overhuivingen rusten op gewrongen omrankte zuilen, de herenbank in de koorsluiting met een door rijk ornament omgeven Tiengebodenbord en een bazuinengel ter bekroning, de gesloten mannenbanken met ionische pilasters in het achterschot en open vrouwenbanken met gesneden wangen. Het is allemaal gegroepeerd rond de in 1713 door Jaan Oenema gesneden preekstoel met getordeerde zuilen en balusters, ook bij trappaal en –hek. Tijdens recente restauratie is een belangwekkende middeleeuwse tegelvloer in de kerk aangetroffen. Het orgel is in 1868 gebouwd door L. van Dam & Zn.

De kerk op de sterk afgegraven terp was oorspronkelijk gewijd aan Sint-Nicolaas, maar wordt nu Sint-Joriskerk genoemd. De zaalkerk met rondgesloten koor is in het midden van de 12de eeuw gebouwd van geel gemêleerde kloostermoppen. De toren verving in 1883 een middeleeuwse toren met zadeldak. Hij heeft drie geledingen en spaarvelden die zijn afgesloten door rondboogfriezen van gele steen. Boven een spitsbogig westelijk venster staan sierlijke galmgaten met traceringen en de torenromp wordt bekroond door een kroonlijst met consoles en een ingesnoerde spits.

In de noordmuur staan drie rondboogvensters uit de 18de eeuw en naast het westelijke venster zit een spoor van een dichtgemetselde ingang. De zuidmuur is geopend met drie spitsboogvensters van verschillende breedte die waarschijnlijk uit de 17de eeuw dateren. Nabij het koor is een kleine, dichtgemetselde ingang te zien. Aan de westzijde zit het spoor van een eveneens dichtgemetselde grotere ingang. Vlak achter de westgevel staat de huidige ingang, een door pilasters geflankeerde, door neggen en een sluitsteen omvatte en met een in zandsteen gehouwen kuifstuk bekroonde poort. Het opschrift vermeldt een vernieuwing van de kerk in 1753 onder verantwoordelijkheid van de grietman van Baarderadeel, jonker Ernst Frans van Aylva. Diens wapen, gehouden door steigerende eenhoorns, siert de steen. Het sterk naar het oosten overhellende muurwerk van het koor bevat een dichtgemetseld ovaal venster en heeft onder de dakvoet fragmenten van verschillende profiellijsten.

De kerkzaal wordt inwendig gedekt door een 15de-eeuws houten tongewelf en zware trekbalken op muurstijlen. De barokke preekstoel met fors klankbord heeft getordeerde zuiltjes op de hoeken van de kuip. In de kerkvloer ligt een mooie collectie grafzerken, waaronder een renaissancezerk door Pieter Claesz. voor Sijds van Aggema en Ath Oenema die resp. in 1588 en 1573 overleden en zerken voor de predikant Bernardus Schotanus (door Jelle Claesz. de jongere) en hoogleraar Christiaan Schotanus uit de 17de eeuw. Het orgel is in 1868 gebouwd door L. van Dam & Zn. in Leeuwarden. De kerk is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken.

De Laurentiuskerk is in de 11de eeuw van tufsteen gebouwd, het stollingsgesteente dat voor de herontdekking van het bakken van steen uit klei uit het Eifelgebergte naar stapelmarkten in Deventer en Utrecht werd gebracht en vanuit de kustgebieden daar werd opgehaald. Boven de met kleine gele steen vernieuwde noordelijke ingangspartij is een raadselachtig timpaan opgenomen. Het is vervaardigd van roze Bremer zandsteen en draagt in reliëf de voorstelling van ranken die uit de mond van een masker ontspruiten.

Over de betekenis is veel gespeculeerd en ook de ouderdom is niet zeker: 11de tot 13de eeuw. De kern van de kerk dateert als een van de weinige gebouwen in Friesland uit de terpentijd, de tijd dat er nog geen dijken waren aangelegd. Die kern is het beste aan de noordelijke muur af te lezen. Daar zijn grote spaarbogen in het metselwerk aangebracht. Vijf bogen zijn compleet en één is doorbroken door de nieuwe ingang met het oeroude timpaan. In drie bogen zijn kleine rondboogvensters met gele kloostermoppen dichtgemetseld. Ten oosten van deze vakken met spaarnissen is het tufsteen muurwerk vlak verwerkt maar wel afgesloten met een rondboogfries van in reliëf gehakte steen.

Mogelijk is dit een 11de-eeuws koorgedeelte, maar het kan ook een verlenging van het schip zijn. De zuidelijke muur, grotendeels vernieuwd en beklampt met kleine gele steen, bevat in de muurdammen tussen de rondboogvensters flinke velden tufsteen. In het tweede veld zit een klein fragment van een grote rondboog; in het derde een compleet, klein, romaans venster dat is dichtgemetseld. De kerk is vrij spoedig na de bouw verhoogd met geel moppenmateriaal en mogelijk ook verlengd. Het huidige koor met een vijfzijdige sluiting met onversneden slanke steunberen met ezelsruggen kwam in de 13de eeuw tot stand. Er zitten sporen van brede, licht spitsbogige vensters, vrij jonge rondboogvensters en in de nu blinde sluiting hebben ook openingen gezeten. Buiten en binnen zijn er bewijzen voor.

De kerkruimte wordt overdekt door een houten tongewelf met trekbalken op muurstijlen en in plaats van korbelen zijn er grote consoles met een versiering van rolwerk. Op de keerzijde van een bord met de twaalf Artikelen des Geloofs staat vermeld dat het interieur en inventaris in 1695 in opdracht van Tjaerd van Aylva zijn vernieuwd. Daarmee is een van de rijkste kerken met een protestantse inrichting van Friesland totstandgekomen. Het middelpunt is de preekstoel met schroefvormige trappaal en klankbord binnen het doophek met getordeerde balusters. De kuip heeft gewrongen en omrankte hoekzuilen en op de panelen fijn gesneden voorstellingen van Adam en Eva verleid door de slang, de offerande van Abraham, de droom van Jacob, de oprichting van de slang door Mozes en de genezing van de kreupelgeborenen door Petrus en Paulus. De herenbank tegenover de preekstoel heeft getordeerde balusters in de voorbank en de overhuiving rust op gewrongen en omrankte zuilen en heeft een bekroning met rolwerk aan weerszijden van de wapens Tiara en Heemstra. De koorafscheiding met balus-ters kreeg eenzelfde bekroning maar dan met een Tiengebodenbord.

De mannenbanken parallel aan de noordgevel zijn gesloten en hebben gedraaide knoppen. De open vrouwenbanken dwars op de zuidwand hebben ook knoppen en de wangen zijn fraai gesneden in renaissancevormen: boven gegroefde bases zitten toogpanelen met schelpen, waaronder verschillende bloemenvazen zijn verbeeld. Ze zijn ongetwijfeld gesneden door eenzelfde meester als die in het nabijgelegen Achlum die de datering van 1653 dragen. In Kimswerd hebben sommige banken initialen, onder meer F.W., A.E., R.L., V.D.M. en P.W. zijn mogelijk van de eigenaars van de banken en van de opdrachtgever van de vernieuwing: T.V.A, Tjaerd van Aylva.

Het orgel is in 1858 gebouwd door Willem Hardorff; de kas heeft twee bazuinstekende engelen en ter bekroning de personificaties van Geloof, Hoop en Liefde. In het koor liggen enkele gebeeldhouwde grafzerken waaronder twee voor de familie van Heemstra door de Harlinger meester Jacob Lous. Van een excellente originaliteit is die met een afbeelding van een door colonnades omvatte paleistuin in perspectief, in de trant van de voorbeeldboeken van Hans Vredeman de Vries.

De in de middeleeuwen aan Sint-Magnus gewijde forse kerk is omstreeks 1400 gebouwd van hergebruikte, gemêleerd rode kloostermoppen. Tijdens een aanval van Water geuzen in 1580 is de kerk vooral aan de zuidzijde zwaar beschadigd geraakt. Pas een eeuw later in 1678 is zij ingrijpend hersteld. Daardoor heeft de kerk een laatgotisch karakter en laat zij een opmerkelijke kleurwisseling zien. De noordzijde en de koorsluiting bestaan uit vooral rood baksteenmateriaal en de zuidzijde is geheel opgetrokken van gele baksteen van klein formaat. De muren worden in traveeën verdeeld door tweemaal versneden steunberen en in de muurvakken staan grote spitsboogvensters met rijke traceringen die ze bij de restauratie van 1970-’72 ontvingen. Aan de noordzijde staat een rondbogige geprofileerde ingang van omstreeks 1400, aan de zuidzijde een exemplaar in laatgotische vormen, in een spitsboognis en gepleisterd bij een opknapbeurt in 1879. Deze ingang zit in het muurvak van de voorkerk dat een aantal kleine vensters bevat.

De kloeke toren kwam aan het einde van deze 15de eeuw tot stand waarbij kennelijk de forse zadeldaktorens van Bolsward en Stiens tot voorbeeld hebben gestrekt. Deze toren heeft vier, telkens in hoogte afnemende geledingen. In de onderste staat een korfbogige ingang en daarboven een flink spitsboogvenster. De volgende twee geledingen zijn blind, maar de derde is versierd met aan elke zijde twee spitsboognissen. In de hoogste zitten de galmgaten. De geveltoppen zijn met kleine gele steen vernieuwd.

Het interieur wordt gedekt door een houten tongewelf uit 1678. In het oudste gedeelte van de noordwand zitten spaarnissen onder de vensters. Drie koorvensters bevatten 17de-eeuwse gebrandschilderde wapens. De forse preekstoel met gewrongen hoekzuilen en bloemenguirlandes op de panelen dateert uit de 18de eeuw. Het doophek met getoogde balustrade staat in twee gedeelten achter in de kerk. Het orgel is in 1894 gebouwd door de firma Bakker & Timmenga.

Op het kerkhof staan schipperszerken en opmerkelijke zerkparen waarvan die voor de man een schip en die voor de vrouw een huis vertonen.


0 | 1 | 2 | 3 |
Nieuwe encyclopedie van Fryslân voor slechts € 29,90 incl. verzenden!

Bijna 8 kilogram aan kennis over Friesland! Wees er snel bij want op is op.

De Nieuwe Encyclopedie van Fryslân is een onmisbare aanvulling in de boekenkast voor iedereen die gek is van Fryslân en meer wil weten van deze provincie. Op 15 september 2016 verscheen de vierdelige encyclopedie die rond de 3000 pagina’s telt, 11.000 trefwoorden bevat en ruim 8 kilo weegt. De encyclopedie staat bomvol actuele kennis over Fryslân en is een echte pageturner geworden.

Voor al diegenen die dit standaardwerk over Fryslân altijd al hadden willen hebben! Nu voor een wel heel speciaal prijsje! Maar let op! Op = Op!