Steun deze website met een kleine financiële bijdrage

Wij hopen dat u deze website positief waardeert en dat u geniet van de grote hoeveelheid informatie en foto's over en van Friesland. Maar wist u dat deze website geheel draait op enthousiaste vrijwilligers en onbetaalde historische commissies en dat deze website geen subsidies ontvangt? Om die reden willen wij u in overweging geven om een kleine donatie te doen ter instandhouding van deze website. U kunt al doneren vanaf € 1,--. Dit gaat heel eenvoudig via een iDeal transactie. Alle bijdragen worden zeer gewaardeerd en uitsluitend gebruikt voor de verdere op- en uitbouw van deze website!

Regio's

Webshop

Wie verder inzoomt op Fryslân onderscheidt vijftig regio's. Al deze regio's kennen een diverse oorsprong. Sommige regio's danken hun bestaan aan de historie waarin dorpen sociaal en economisch op elkaar of op een stad waren aangewezen. Andere regio's worden gekenmerkt door de nabijheid van een bepaald natuurgebied of een belangrijke waterpartij. Weer andere regio's zijn bijzonder vanwege hun unieke ligging en geologie.

Hieronder ziet u alle Friese regio's zoals door FrieslandWonderland onderscheiden.

Deel:


Tussen Leeuwarden en Drachten ligt een wel heel bijzonder stukje Friesland. Hier gaan de Friese Wouden over in het Lege Midden, het laaggelegen deel van de provincie waar de Friese Meren liggen. Die overgang levert een prachtige combinatie op van verschillende landschappen: het halfopen coulissenlandschap van de Wouden, een wijds en open veenweidelandschap, ingepolderde meren, een enkele terp, moeras- en rietlanden en water, heel veel water. Dat laatste maakt het gebied natuurlijk bij uitstek aantrekkelijk voor de watersporter. Maar ook voor landrotten heeft dit schitterende gebied zeer veel te bieden.

Het gebied wordt doorsneden door twee belangrijke verbindingen voor de beroepsvaart: het Prinses Margrietkanaal en de aftakking daarvan richting Leeuwarden en Harlingen, het Van Harinxmakanaal. Beide werden gerealiseerd tussen 1949 en 1952. Daarbij werden reeds bestaande vaarten uitgediept en gekanaliseerd. De plek waar het Prinses Margrietkanaal de vroeger druk bevaren route tussen Leeuwarden en Drachten kruist, heet heel toepasselijk ’Krúswetters’ (Kruiswaters). Ten zuiden daarvan ligt Nationaal Park De Alde Feanen, een 4000 hectare groot gebied dat bestaat uit open water, uitgestrekte rietvelden, bloemrijke graslanden en moerasbossen. Een groot deel is in beheer bij It Fryske Gea. Van oudsher wordt het gebied ook wel ’De Princenhof’ genoemd, naar het deel dat vroeger door het Huis van Oranje als jachtgebied werd gebruikt. Het werd begin twintigste eeuw al ontdekt als recreatiegebied en biedt de bezoeker van nu talloze mogelijkheden: varen, zeilen, wandelen, natuurexcursies, rondvaarten.

Earnewâld is onlosmakelijk verbonden met het verleden en heden van De Alde Feanen. Nadat de turfgravers het landschap een ander aanzien hadden gegeven, werd het een dorp van vissers, schippers en rietsnijders. Tegenwoordig is het een recreatie- en watersportdorp én het toeristische hart van het Nationaal park. Behalve het bezoekerscentrum van het Nationaal Park zijn ook ooievaarsstation It Eibertshiem, Museum Het Kokelhûs en het Skûtsjemuseum een bezoekje waard. Voor kunstliefhebbers is Galerie Koopmans een aanrader.

Maar de regio heeft meer te bieden dan Earnewâld en de Alde Feanen! Steek bijvoorbeeld eens het Prinses Margrietkanaal over naar Warten. Dit typische waterdorp aan de oude scheepvaartroute van Leeuwarden naar Drachten kreeg pas in 1865 een ontsluiting over land. In het dorp staat de enig overgebleven ’langhuisboerderij’ van Friesland die, net als het voormalig armenhuis, nu een museumfunctie heeft.

Wat verder naar het westen ligt Wergea, dat is ontstaan op een terp tussen drie meren die in de zeventiende en achttiende eeuw drooggelegd werden. Het dorp groeide flink dankzij de ligging aan de vroeger druk bevaren vrachtroute van Leeuwarden, via Grou naar Sneek. De inwoners stonden bekend als de ’Brêgebidlers’ (brug-bedelaars), vanwege de tol die de schippers moesten betalen bij het passeren van de brug in het dorp. In 1886 werd in Wergea de eerste coöperatieve zuivelfabriek van Nederland opgericht, die is uitgegroeid tot het huidige internationale zuivelconcern Friesland Foods. Het mooie dorp vormt ook het decor voor het beroemde boek van Nynke van Hichtum, ’Afkes Tiental’. Het oude slot dat daarin voorkomt, huisvestte tot 2019 het Museum Ald slot. Via de www.wergea.com kunt u een wandelroute en twee fietsroutes downloaden.

Oostelijk van de Alde Feanen ligt Oudega. Via de Oudegaster Zanding, een meer dat in 1922 werd drooggemalen, was dit dorp vroeger verbonden met de Wijde Ee. Aan de overkant van dat water ligt het gehucht Smalle Ee, dat vroeger een belangrijke handelsplaats was. Tegenwoordig is het meer te doen in De Veenhoop, dat vooral gericht is op de watersport. Rond de dag waarop hier de wedstrijd van het beroemde Skûtsjesilen gehouden wordt, vindt ook het meerdaagse Veenhoopfestival plaats.

Een prachtige fietsroute door het overgangsgebied tussen de Friese Wouden en het Lege Midden is het Healânspad. De route voert onder meer langs Garyp. Dat dorp kent van oudsher een sterke binding met het aan de overkant van het Prinses Margrietkanaal gelegen Suwâld. Al in 1645 was er een ’overzet’, die in 1995 in ere hersteld werd met de ingebruikname van een (fiets)pontje dat vaart op zonne-energie. Ten zuiden van Suwâld staat nog het oude veerhuis uit 1727.

Nergens in Friesland zijn de verveningen zo duidelijk zichtbaar in het landschap als in het gebied tussen Heerenveen en Akkrum. Hier, in het zogenaamde Lage Midden van de provincie, ligt het natuurgebied De Deelen. In dit schitterende gebied overheersen rust, ruimte, en natuur. Dat was in de eerste helft van de twintigste eeuw heel anders. Rond 1920 werd in het gebied begonnen met het afgraven van het laagveen en was het er een drukte van belang. Door het afgraven ontstonden de zogenaamde ’petgaten’; daartussen bleven kleine stukken land gespaard waar het afgegraven veen te drogen werd gelegd: de ’legakkers’. De turf werd afgevoerd via de speciaal daarvoor gegraven ringvaart, die bij Ulesprong aansloot op de Nieuwe Vaart en bij Haskerdijken op de Heerensloot, die al in de zestiende eeuw gegraven was ten behoeve van de turfwinning.

Na het beëindigen van de turfwinning heeft zich een uniek natuurgebied ontwikkeld, waar vele soorten watervogels zich uitstekend thuis voelen. Mede door de aanwezigheid van zeldzame soorten als de zwarte stern, de purperreiger en de bruine kiekendief heeft het gebied de internationale status van ’Wetland’ gekregen. Staatsbosbeheer heeft door het 500 hectare grote natuurgebied twee wandelroutes uitgezet (1,5 respectievelijk 3,5 km). Via museum It Damshûs in Nij Beets zijn speciale vaarexcursies naar en door het gebied te maken. Een route die in het teken staat van de verveningsgeschiedenis van het gebied is "Domela’s Paad", genoemd naar Domela Nieuwenhuis, de bekende dominee en politicus die zich bijzonder heeft ingezet om de erbarmelijke leef- en arbeidsomstandigheden van de veenarbeiders in het gebied te verbeteren. De 25 kilometer lange route voert door het gebied tussen Tijnje en Nij Beets en is geschikt om te fietsen of te wandelen.

In en rond Tijnje is van alles te doen. Autoliefhebbers kunnen bijvoorbeeld terecht in het "1e Nederlandse Opelmuseum" in het dorp zelf. Liefhebbers van streekproducten komen aan hun trekken bij "Kaasboerderij-De Deelen" (aan de weg richting Aldeboarn) en "Kaasboerderij-De Gelder" aan de weg naar Luxwoude. Ulesprong, ten noordwesten van Tijnje, is een paradijs voor kunstliefhebbers: hier vindt u galerie en beeldentuin "La Lanka" en kunt u (op afspraak) werk bekijken van beeldhouwster Lia Versteege. En aan de overkant van de Nieuwe Vaart staat het in 1924 gebouwde Sudergemaal waar wisselende exposities worden gehouden van kunstenaars die betrokken zijn bij het Friese landschap. Ook het in 1876 aan de Ringvaart gebouwde Tripgemaal wordt voor dat doel gebruikt. Tevens is hier een klein museum gevestigd dat een beeld geeft van de vervening en de visserij in het gebied.

Het Tripgemaal was onderdeel van het stelsel van molens, gemalen, dijken en sluizen dat diende om het gebied ten zuiden van De Deelen droog te leggen en droog te houden teneinde het weer in cultuur te kunnen brengen. In dit gebied, de vroegere gemeente Aegwirden, was de afgraving van het veen al in 1800 begonnen. Door de rigoureuze manier waarop dit gebeurde, bestond Aegwirden 30 jaar later voor meer dan de helft uit water en was het resterende land grotendeels ongeschikt geworden voor verder gebruik. Teneinde het zogenaamde ’onland’ weer geschikt te maken voor de landbouw was in 1833 de "Polder van het Vierde en Vijfde Veendistrict" opgericht.

Ten noorden van De Deelen stroomt De Boorne, een afwateringsriviertje van het Drents Plateau dat in vroeger tijden uitmondde in de Middelzee, een zeearm die Friesland verdeelde in een westelijk deel (Westergo) en een oostelijk deel (Oostergo). Net als de Nieuwe Vaart en de Heerensloot is de Boorne onderdeel van de (grote) Turfroute, een 230 kilometer lange vaarroute door Friesland, Drenthe en Overijssel. Het aan de Boorne gelegen Aldeboarn staat bekend om de jaarlijkse Aldeboarnse-gondelvaart in augustus. Dit evenement bestaat al sinds 1946 en heeft zich ontwikkeld van een optocht op het water tot een spektakel met 15 drijvende objecten die in feite volledige theaterproducties vormen. Niet voor niks komen hier jaarlijks vele duizenden bezoekers op af. Inmiddels is het uitgegroeid tot een van de belangrijkste jaarlijkse evenementen in Friesland.

De Dokkumer Ee, die van Leeuwarden naar Dokkum loopt, bestond lang geleden uit twee aparte afwateringsstroompjes. De kunstmatige, gegraven verbinding tussen beide stroompjes is nog herkenbaar in het rechte stuk van de (voor het overige bochtige) Ee tussen Burdaard en Tergracht. De naam van laatstgenoemd buurtschap duidt ook op de kunstmatige oorsprong van dit deel van de Dokkumer Ee. Na het verbinden van beide delen werd de scheepvaartfunctie steeds belangrijker. Ten behoeve van die scheepvaart moest men de waterweg regelmatig "slatten" (baggeren, uitdiepen). Tot op de dag van vandaag vormt de Dokkumer Ee, als onderdeel van de staandemastroute tussen de Friese Meren en de Waddenzee, een belangrijke verbinding, met name voor de recreatievaart.

Aan weerskanten van de Dokkumer Ee ligt het karakteristieke terpenlandschap: uitgestrekte weilanden, schijnbaar willekeurig neergezette molens, verspreide boerderijen, hier en daar wat bomen en natuurlijk de vele schilderachtige terpdorpjes. Een aantal daarvan ten westen van Dokkum staan bekend onder de naam ’Flieterpen’: Lichtaard, Reitsum, Ginnum en Jannum. In het dertiende eeuwse kerkje van laatstgenoemd dorp is het Kerkmuseum gevestigd. De collectie middeleeuwse sarcofagen is één van de grootste van Europa. Wat verder naar het noorden ligt de terp van Hegebeintum, de hoogste van Nederland (8.80m boven NAP). Bij de terp bevindt zich een informatiecentrum.

In het gebied lagen vroeger meerdere kloosters. Net ten westen van Sybrandahûs lag klooster Klaarkamp, het eerste cisterciënzer klooster in Noord Nederland, van waaruit tal van andere kloosters gesticht werden. Bij Bartlehiem, het roemruchte dorp aan de Elfstedenroute, stond het klooster Bethlehem, waar het dorp zijn naam aan ontleent. Van de kloosters zelf is niks overgebleven. Wel zijn de kloosterterreinen in sommige gevallen nog duidelijk herkenbaar in het landschap. Dat geldt bijvoorbeeld voor Klaarkamp en Foswert, een voormalig klooster ten zuiden van Ferwert.

Het gebied rond de Dokkumer Ee heeft veel te bieden voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van kerken en kloosters. Door de vele, kleine weggetjes is het bovendien een gebied dat prima fietsend verkend kan worden. Maar misschien ondergaat u het prachtige, weidse landschap met zijn terpen, molens en kerktorens nog wel het best te voet. Onder de naam Historische Wandelpaden zijn door Landschapsbeheer Friesland ook in dit gebied een aantal prachtige wandelroutes beschreven.

Het gebied rond de Fluessen wordt in de eerste plaats gekenmerkt door zijn enorme weidsheid: temidden van uitgestrekte, laaggelegen landerijen met hier en daar een zandrug die zorgt voor een glooiing in het landschap, ligt een groot, langgerekt meer. Vanwege zijn omvang en diepte is de Fluessen vooral bij zeilers zeer geliefd. Maar het gebied is niet alleen een walhalla voor de watersporter; ook op de wal heeft het zeer veel moois te bieden, zeker voor degenen die houden van rust en natuur.

Duizenden jaren geleden, tijdens de één na laatste ijstijd, werd door het schuivende landijs een dal uitgeslepen. Dat gletsjerdal liep later vol water en zo ontstonden het Heegermeer en de Fluessen. Doordat de ijsmassa de grond voor zich uit geduwd had, waren stuwwallen gevormd die tegenwoordig als zandruggen boven de rest van het landschap uitsteken. Hemelum ligt op zo’n zandrug. Hier stond sinds het midden van de dertiende eeuw een vrouwenklooster dat anderhalve eeuw later plaatsmaakte voor een mannenklooster. Ook dat is al lang verdwenen. Maar in 2001 vestigde zich opnieuw een klooster in het dorp: het Russisch Orthodox klooster van de Heilige Nikolaas van Myra. De ligging van Hemelum aan de Morra én vlakbij de bossen van Gaasterland maakt het tot een uitstekende uitvalsbasis voor vaar-, fiets- of wandeltochten. Kijk bijvoorbeeld eens op "Route Zuidwest Fryslân".

Ook Koudum is ontstaan op een hoger gelegen zandrug. In het dorp woonde vroeger een aantal voorname families. Eén daarvan was de familie Galama, die zich inzette voor de ontginning van de laaggelegen gronden. Als beloning daarvoor kregen de Galama’s in 1628 van de Friese Staten het recht om tol te heffen bij de smalle doorvaart tussen de Fluessen en de Morra. Toen in 1732 tussen Hindeloopen en Hemelum de Koudumer Slaperdijk aangelegd werd, kwam bij de ’Galama-dammen’ een sluis. Het tolrecht werd pas in 1942 afgekocht door de toenmalige gemeente Hemelumer Oldeferd. Sinds in 2007 het aquaduct in gebruik werd genomen, is het oponthoud voor de scheepvaart en het wegverkeer verleden tijd.

Vanwege de tuinbouw die zich bij Koudum ontwikkelde, kregen de inwoners de bijnaam ’Koudumer Beantsjes’ (boontjes). Sinds 2005 vindt jaarlijks de Koudumer Beantsjedei plaats ter ere van de pluk van de eerste boontjes (eind juni). Twee jaar later werd dat feest voor het eerst gecombineerd met een nostalgische race voor zeilpramen van Koudum naar Gaastmeer en terug. Opvallend is het aantal galeries en ateliers in het dorp: Singel 19, Beeldhouwcentrum Koudum, Galerie Hekker, Wigle Engelsma en Hanshan Roebers.

Eeuwenlang stonden de lager gelegen gebieden een groot deel van het jaar deels onder water. Dat gold bijvoorbeeld voor het gebied ten noordwesten van de Fluessen. Hier liggen buurtschappen met namen als It Heidenskip en De Hel, die verwijzen naar de voorheen slechte natuurlijke omstandigheden. Het droogmalen van het land betekende een grote verbetering. De naam ’Polder De Vooruitgang’ is wat dat betreft veelbetekenend. Tegenwoordig is het een prachtig, weids gebied met schitterende vergezichten en indrukwekkende wolkenpartijen.

Het bemalen van de polders gebeurt nog steeds voor een deel met molens. Een karakteristiek type is de zogenaamde Amerikaanse Windmotor, die wordt gekenmerkt door een lichte, ijzeren constructie, een windrad met ijzeren schoepen en één of twee ijzeren windvanen. Tussen Koudum en Molkwerum staat één van de grootste exemplaren van Friesland.

Aan de zuidoostkant van het meer ligt de streek Noordwolde. Na het bedijken van de Grote Noordwolder Veenpolder in 1835 werd hier turf gewonnen. Langs de weg door de hier gelegen dorpen staan verschillende monumentale boerderijen, met in veel gevallen onder het woonhuis een melkkelder, waar vroeger kaas en boter gemaakt werd. De thuisproductie verdween grotendeels toen in 1910 in Elahuizen een zuivelfabriek gebouwd werd. Tegenwoordig herbergt de fabriek een groepsaccommodatie. Het dorp kent daarnaast twee zeilscholen.

Ook Oudega had voorheen een eigen haventje aan de Fluessen. Het sluisje in de Grote Turfvaart, de verbinding tussen het meer en het dorp, bestaat nog steeds. In Kolderwolde staan langs de weg een aantal vrouwenbeelden, de Famkes van Kolderwolde.

Het best bewaarde geheim van Friesland ligt waarschijnlijk ten westen van Wolvega: een schitterend gebied dat bij het grote publiek nauwelijks bekend is en mede daardoor zijn authentieke karakter heeft weten te behouden. Uitgestrekte veenpolders, sloten, vaarten, riviertjes, petgaten, moerassen, oude dijken, sluizen, gemalen, molens: liefhebbers van rust, natuur en cultuurhistorie kunnen hier hun hart ophalen. Houdt u van wandelen? Of meer van fietsen? Varen? Paardrijden? Kanoën? Skeeleren? Het kan hier allemaal!

De Grote Veenpolder, zo staat het gebied ten zuidwesten van de Helomavaart bekend. Aan de andere kant van die vaart bestaat het landschap uit een aantal kleinere veenpolders, waarvan de namen in de meeste gevallen niet getuigen van erg veel fantasie: Polder De Ontginning, Hoekstra’s Polder, Polder Oldelamer

In laatstgenoemde polder ligt, tegen de Tsjonger aan, natuurgebied "Het Braandemeer", dat bestaat uit een meertje, graslandpercelen, moeras, petgaten en rietlanden. Iets naar het zuiden ligt nog zo’n schitterend natuurgebied: de Rottige Meenthe. Dit gebied beslaat de oostelijke helft van de Grote Veenpolder die, in tegenstelling tot het westelijk deel, na de afgraving van het veen niet drooggemalen en in cultuur gebracht is. Dat heeft ook hier geresulteerd in een afwisseling van petgaten, rietvelden en moerassen en een zeer bijzondere flora en fauna. Het gebied kan te voet, per fiets of per kano verkend worden. Wilt u een deskundige toelichting, dan bevelen wij de regelmatig door Staatsbosbeheer georganiseerde excursies aan.

Kunst en cultuur speelt een belangrijke rol in de Rottige Meenthe. Het gebied vormt onder meer het decor voor twee, jaarlijks georganiseerde opera’s: Opera-Nijetrijne en Opera-Spanga. In laatstgenoemd dorp bevindt zich ook het (op afspraak te bezoeken) atelier met galerie van keramiste en plateelschilderes Alie Jager en kunstnijverheidsatelier Zink en Zilver.

De Grote Veenpolder is ook in cultuurhistorisch opzicht een zeer interessant gebied. Eeuwen vóór de veenontginning werd hier (door monikken?) de Scheene al gegraven, die het gebied tussen de benedenloop van de Tsjonger en De Linde in tweeën verdeelde. Later werd deze grenssloot verbreed ten behoeve van de turfvaart. Tegenwoordig vormt De Scheene een idyllisch, schijnbaar natuurlijk landschapselement. Waar de Scheene uitmondt in de Helomavaart ligt de Scheenesluis. Vlak daarbij staan twee van de vele watermolens die het gebied van de Grote Veenpolder droogmaalden.

De al eerder genoemde Helomavaart verbindt De Tsjonger en De Linde met elkaar en werd in 1748 aangelegd om de turf per schip af te kunnen voeren. De vaart is genoemd naar de familie Van Heloma, die in 1704 in bezit kwam van de "Weststellingwerfsche geoctrooieerde Veencompagnie". Op de plaats waar de vaart in de Lende uit kwam, werd in 1927 de Driewegsluis gebouwd. Deze in Nederland unieke sluis was nodig vanwege de waterstaatkundige noodzaak om in de Helomavaart, de bovenloop van De Lende én de benedenloop drie verschillende waterstanden te realiseren. Het complex is in 1994 in oude staat gerestaureerd.

De Lende en de Tsjonger komen bij elkaar bij Slijkenburg. Van de oorsprong van dit dorp als verdedigingsschans tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog is niets meer te herkennen. Wel herinneren hier de oude dijken aan de tijd dat het dorp nog aan de kust van de Zuiderzee lag. Langs het dorp loopt de N351, die genoemd is naar Peter Stuyvesant, de directeur-generaal van de voormalige Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland, waarvan Nieuw-Amsterdam (het tegenwoordige New York) de hoofdstad was. Bij Scherpenzeel, het dorp waar hij opgroeide, staat aan de N351 een monument ter ere van deze belangrijke historische figuur. Een standbeeld van hem staat aan de Tjerk Hiddesweg in Wolvega. Die plaats is onder meer een bezoek waard vanwege Museum Het Kiekhuus en de in molen Windlust gevestigde Oudheidkamer. Nog meer informatie over de lokale geschiedenis wordt geboden door het in de Openbare Bibliotheek gevestigde Historisch Informatie Punt. En als u daar dan toch bent, neem dan ook eens een kijkje in de Kijkzaal, waar wisselende kunstexposities gehouden worden.

Het gebied rond de Langweerder Wielen is een uniek stukje Friesland. Nergens in de provincie tref je in zo`n klein gebied zo`n groot landschappelijk contrast: de weidsheid en openheid van het veenweidegebied met de Wielen en het Koevordermeer, tegenover de intimiteit en beslotenheid van de bossen bij Sint Nicolaasga. Het verleden is hier nog duidelijk voelbaar en zichtbaar en het gebied ademt onmiskenbaar de nodige 'grandeur': het schilderachtige, enigszins chique Langweer; de bossen met hun statige lanen en monumentale landhuizen; het deftige Joure; maar óók de vele monumentale boerderijen in het buitengebied.

Zijn allure heeft het gebied te danken aan het verleden. Dankzij de gunstige ligging aan het water ontwikkelde Langweer zich rond 1600 tot markt- en havenplaats met een waag, een 'regtshuys' en verschillende luxe woonhuizen voor de gegoede burgerij, waaronder Osingastate. Een vergelijking tussen de prachtige oude foto's uit het boek 'Trije Swannen yn folle Flecht' en de huidige situatie leert dat het dorp zijn historische karakter grotendeels behouden heeft. Volgens velen is De Buorren de mooiste dorpsstraat van Friesland. Door zijn charme, in combinatie met de prachtige omgeving en de watersportmogelijkheden, mag het dorp ook tegenwoordig nog verscheidene notabelen en bekende Nederlanders tot zijn inwoners dan wel regelmatige gasten rekenen.

Het is tegenwoordig nog maar moeilijk voor te stellen, maar ook Joure was in het verleden een belangrijke havenplaats, van waaruit zelfs op Engeland en Scandinavië gevaren werd. Naast de handel ontstond ook de nodige nijverheid en industrie, zoals scheepswerven, meubelmakerijen, kopergieterijen, klokkenmakerijen en natuurlijk de koffiebranderij van Douwe Egberts. Het dorp ontwikkelde zich tot een zogenaamde 'vlecke', een plaats die het midden houdt tussen een dorp en een stad. De stedelijke trekjes en het rijke verleden verschaffen Joure een heel eigen gezicht.

Ook in het lommerrijke bosgebied bij Sint Nicolaasga staan verschillende statige woonhuizen. De Vegelinbossen zijn genoemd naar de man die ze in de achttiende eeuw aan liet planten, Johan Vegelin van Claerbergen. Deze man, wiens nazaten de bossen nog steeds in bezit hebben en beheren, was ook de drijvende kracht achter de inpoldering van de laaggelegen delen in het gebied. Het wandelbos Wilhelminaoord werd halverwege de negentiende eeuw aangelegd. De bossen werden vormden en (vormen nog steeds) een attractie voor dagjesmensen uit de wijde omgeving. Bij herberg 'Huis ter Heide' werd een kolfbaan aangelegd. Beide zijn inmiddels verdwenen. Veel later kwam even verderop de huidige 18-holes golfbaan.

Het gebied is natuurlijk in de eerste plaats een walhalla voor de watersporter. Langweer is een watersportdorp met stijl en traditie. De plaatselijke zeilclub werd al in 1859 opgericht en is daarmee één van de oudste van Nederland. De Langweerder Wielen staan in directe verbinding met de rest van het uitgestrekte Friese Merengebied. Ze vormen ieder jaar het decor voor verschillende zeilwedstrijden, waaronder het beroemde skûtsjesilen. Wilt u zélf leren zeilen dan kunt u terecht bij zeilschool Neptunus in Idskenhuizen, de geboorteplaats van Egbert Douwes, grondlegger van Douwe Egberts. Blijft u toch maar liever op de wal? Geen probleem: ook per fiets, op de motor, te voet of op skeelers laat het gebied zich prima ontdekken. Neem bijvoorbeeld eens de 'pontjesroute' (zie op Route Zuidwest Friesland.nl bij Langweer). Of stippel op die site een eigen route uit met behulp van het uitgekiende systeem van (fiets)knooppunten.

In Joure is zoveel te zien en te doen dat u er gemakkelijk een hele dag voor uit kunt trekken. Combineer bijvoorbeeld een ochtendje winkelen met een bezoek aan Museum Joure, dat gevestigd is in een prachtig industrieel complex uit het eind van de negentiende eeuw. Ook het in 2008 geopende, unieke Puzzelmuseum is een bezoekje meer dan waard. Of doe het Jouster Kuierke, een cultuurhistorische wandeling door het dorp, onder leiding van een gids. Kunstliefhebbers hebben de keus uit meerdere galerieën.

Een paar keer per jaar, tijdens een aantal grote, spectaculaire evenementen, is het in het dorp extra gezellig: de Boerebrulloft, de Ballonfeesten (beide eind juli) en de Jouster Merke (eind september). Vooral in de zomermaanden worden ook nog tal van andere, kleinere activiteiten georganiseerd. Wilt u zélf een zeer bijzondere activiteit doen, dan bevelen wij een cursus fierljeppen bij de plaatselijke fierljepvereniging van harte aan.

Lang geleden drong de zee via de Lauwers ver het land in. Tegenwoordig resteert van die inham van de zee nog slechts een riviertje, dat een deel van de grens tussen Friesland en Groningen vormt. Monniken van Gerkesklooster legden in de vijftiende eeuw een dijk in de monding van de Lauwers. Bij de afwateringssluis in die dijk, die in de loop van de eeuwen meerdere keren werd verlegd en vernieuwd, ontstond het dorp Munnekezijl (munneke = monniken; zijl = sluis). Ook aan de ’Groninger kant’ van de Lauwers liggen twee dorpjes die hun naam ontlenen aan de aanwezigheid van een sluis: Lauwerzijl en Pieterzijl. Laatstgenoemd dorp hoorde, net als Visvliet, tot 1637 bij Friesland.

Het gebied rond de Lauwers kent een prachtig, afwisselend landschap, dat zich uitstekend leent om te fietsen, te wandelen en/of te varen. Ten noorden van het Prinses Margrietkanaal ligt een typisch zeekleilandschap: prachtige vergezichten, oude dijken, slingerende watertjes en verspreid liggende dorpjes met altijd een kerktoren en vaak een molen. Bij Burum is in de jaren ’60 van de vorige eeuw een grondstation voor satellietcommunicatie gerealiseerd, in de volksmond ’It grutte ear’ genoemd (het grote oor). De locatie werd gekozen vanwege het feit dat het ontvangen en verzenden van radiosignalen in dit open en lege landschap niet of nauwelijks gestoord wordt. Over rust gesproken...

Even ten zuiden van Burum heeft vroeger het vrouwenklooster Galilea gestaan, dat hoorde bij het klooster in Gerkesklooster. Dat dorp ontleent zijn naam aan de stichter van het klooster, een zekere Gerke Harkema uit Augustinusga. De kerk, die tegenwoordig een beetje afzijdig staat van het dorp, is ontstaan uit een verbouwing van het brouwhuis van het klooster. Het dorp is in de loop van de eeuwen versmolten met Stroobos, dat tot 1993 bij de provincie Groningen hoorde. Het tweelingdorp wordt gedomineerd door de scheepswerf van Barkmeijer, die in 1850 aan het toenmalige Kolonelsdiep gevestigd werd.

In Stroobos kan men via een brug het kanaal oversteken. Daar, aan de overkant van het water, liggen de Surhuizumer Mieden. Deze ’mieden’, die ook voorkomen ten zuiden van Buitenpost, vormen een zeer specifiek landschap op de overgang van klei, zand en veen. Wie deze drassige gebieden te voet of per fiets verkent, ziet een zeer interessant cultuurhistorisch landschap (strookvormige veenverkaveling, petgaten, elzensingels, houtwallen) met een grote natuurlijke rijkdom (hooilanden, moerassen, weidevogels).

Het gedeelte van de Lauwers ten zuiden van het Prinses Margrietkanaal is niet bevaarbaar maar en in feite alleen nog herkenbaar als een slingerende ’verdieping’ in het landschap, die tot bij Surhuisterveen de provinciegrens vormt.

Friesland op zijn mooist: dat vinden veel mensen van het gebied rond het Bergumermeer. En hoewel natuurlijk subjectief, voor die kwalificatie valt veel te zeggen. Het gebied ten oosten en noordoosten van het Bergumermeer vormt het kerngebied van het Nationaal Landschap De Noordelijke Friese Wouden. Lang geleden werden hier vanaf de noordwestelijke helling van het Drents Plateau de heide en het lager gelegen veengebied in langgerekte stroken ontgonnen. Rond de percelen werden "dykswallen" aangelegd, aarden dijkjes waarop bomen geplant werden. Zo ontstond een karakteristiek heide- en veenontginningslandschap, dat nergens in Nederland zo mooi bewaard gebleven is als hier. En nergens in Fríesland tref je binnen zo’n kleine afstand de combinatie van een dergelijk kleinschalig, halfgesloten coulissenlandschap met de wijdsheid van twee meren, het Bergumermeer en De Leijen.

Het Bergumermeer is een natuurlijk meer dat in de ijstijd ontstaan is. Het leent zich uitstekend voor verschillende vormen van watersport. Het meer wordt gekruist door het Prinses Margrietkanaal. Dit Friese deel van de belangrijke scheepvaartverbinding van Lemmer naar Delfzijl werd gegraven tussen 1949 en 1952. De Kuikhornstervaart, de Petsloot en de Nieuwe Zwemmer vormen voor de pleziervaart een belangrijke verbinding met het Lauwersmeer.

De Leijen is een veenafgraving uit de zeventiende eeuw. Vanwege de geringe diepte was het meer lange tijd alleen van betekenis voor de kleine watersport. In het kader van het grootscheepse Friese Merenproject is het meer volledig heringericht. Daarbij zijn zowel de recreatiemogelijkheden als de natuurwaarden vergroot. Er zijn geulen gegraven naar Rottevalle en tussen Opeinde en Eastermar. De veenafgraving maakt nu onderdeel uit van de Lits-Lauwersmeerroute, een aantrekkelijke alternatieve vaarroute van de Friese Meren naar het Lauwersmeer, die geschikt is voor grote motorboten.

Ook voor de niet-watersporter en de watersporter die ook wel eens de wal op wil heeft het gebied zeer veel te bieden. De vele kleine, rustige weggetjes en onverharde paden door het schitterende coulissenlandschap maken het gebied tot een paradijs voor wandelaars, hardlopers, fietsers, ruiters, mountainbikers en skeeleraars. De cultuurhistorie is zichtbaar en voelbaar in het ongerepte landschap en de authentieke dorpjes. En wie meer te weten wil komen over de vroegere heideontginningen en leefomstandigheden in het gebied, kan terecht in themapark De Spitkeet bij Harkema.

Het Bergumermeer en zijn omgeving heeft kortom alles te bieden voor een aangenaam verblijf; zowel aan natuurliefhebbers en rustzoekers als aan degenen die op zoek zijn naar wat meer actie.

Het gebied ten oosten van Dokkum is in landschappelijk en cultuurhistorisch opzicht één van de meest interessante stukjes Friesland. Het zeekleigebied wordt gekenmerkt door weidse vergezichten, schijnbaar willekeurig gelegen terpdorpjes, achter oude dijken verscholen boerderijen en een aantal natuurlijke en gegraven waterwegen.

Centraal in het gebied ligt het Dokkumer Grootdiep, het restant van een zeearm die tot in Dokkum reikte en de stad eeuwenlang een directe verbinding met open zee bood. Aanvankelijk konden de grootste zeeschepen Dokkum bereiken. Maar de zeearm slibde in de loop van de eeuwen steeds verder dicht. Uiteindelijk bleef alleen een sterk meanderende geul over. In 1729 werd de zeearm bij het huidige Dokkumer Nieuwe Zijlen afgesloten. In de dijk werd een sluis met drie spuikanalen gebouwd. Het complex wordt tot op de dag van vandaag gebruikt voor de afwatering van het Friese boezemwater. In 1969, toen de Lauwerszee werd afgesloten, werd iets ten zuiden van de oude sluis voor de scheepvaart een afzonderlijke schutsluis gebouwd.

Het Dokkumer Grootdiep is tegenwoordig onderdeel van de staandemastroute van de Friese meren naar de Waddenzee. Ten behoeve van de scheepvaart werden in de loop van de eeuwen de meeste bochten afgesneden, maar de oorspronkelijke loop van de geul is nog grotendeels aanwezig en voor een deel ook nog bevaarbaar. Ook de dijken die aan weerskanten van de zeearm lagen, zijn nog grotendeels intact. Ze vormen de stille en indrukwekkende getuigen van het verleden. Net buiten Dokkum bevindt zich de ’Schreiershoek’. Hier stonden vroeger vrouwen en kinderen te ’schreien’ als hun mannen en vaders weer voor lange tijd de zee op gingen.

Wat verder naar het noorden loopt de Súd Ie, die bij Ezumazijl in het Lauwersmeer uitkomt. Dit water heeft vooral een functie voor de afwatering van het gebied, maar leent zich ook prima voor een tocht per kano. Rijdend over de weg van Dokkum naar Lauwersoog zijn aan weerskanten duidelijk de afgesneden bochten van het van oorsprong sterk slingerende riviertje te zien. Zuidelijk van het Dokkumer Grootdiep ligt de Strobossertrekvaart. Deze vaart werd halverwege de zeventiende eeuw gegraven in opdracht en op kosten van de stad Dokkum, die graag een vaarverbinding met Groningen wilde. De kosten bleken echter veel hoger dan de opbrengsten en de stad dreigde failliet te gaan. Het eigendom van de vaart kwam toen in handen van een groep schuldeisers. Die liet langs het traject een aantal tolhuizen bouwen die er voor moesten zorgen dat de vaart zijn geld opbracht. Langs de vaart liep een jaagpad waarop de paarden konden lopen die de trekschuit moesten voortbewegen. Langs de huidige weg staan op verschillende plaatsen nog de zogenaamde ’rolpalen’, die bij bochten zorgden voor geleiding van de jaaglijn.

Om de afwatering te verbeteren werd eind negentiende eeuw tussen de Strobossertrekvaart en het Dokkumer Grootdiep de Nieuwe Zwemmer gegraven. De Oude Zwemmer ligt iets ten noorden daarvan.

Met al dat water is het een prachtig vaargebied voor met name de ’kleinere’ watersport. Maar ook voor grotere boten zijn er vele mogelijkheden. En voor de grootste schepen loopt dwars door het prachtige gebied de staandemastroute. van de Friese meren naar de Waddenzee. Die zeer druk bevaren route voert door Dokkum, één van de Friese elf steden en centrum van Noordoost Friesland. Dit prachtig bewaard gebleven vestingstadje móet u gezien hebben!

Ook ’op de wal’ laat het gebied zich overigens uitstekend verkennen. De vele kleine en rustige weggetjes zijn ideaal voor kortere en langere fietstochten. Daarnaast lopen door het gebied verschillende wandelroutes.

Nederland polderland: als die uitdrukking érgens letterlijk van toepassing is, dan is het wel in het gebied ten zuiden en westen van het Tjeukemeer. De Lemster Polders, de Veenpolder van Echten, de Veenpolder van Delfstrahuizen: het is allemaal heel praktisch en overzichtelijk. Overal in dit gebied is het land, nadat het veen was afgegraven, droog gemalen en netjes in cultuur gebracht. Wie daaruit de conclusie trekt dat er dan wel sprake zal zijn van een saai, weinig tot de verbeelding sprekend landschap, heeft het mis! Het grootste meer van Friesland en het vlakke en lege land, met hier en daar een boomsingel, een molen, een kerktoren, een boerderij of een oude dijk: die combinatie resulteert in een landschap met een monumentale allure. Hier wordt in het groot aangetoond: ’less is more’!

Over het ontstaan van het Tjeukemeer bestaat een mooie legende. Aan de zuidoever van het meer, bij Echten, staat een beeld van de hoofdrolspeelsters, Tsjûke en March. Hier staat ook het voormalige stoomgemaal uit 1913, dat de Polder van Echten droog moest houden.

Het meer is via de Pier Christiaansloot verbonden met de rivieren en vaarten in Zuidoost Friesland en de plassen in Noordwest Overijssel. En via de Follegasloot is zowel de rest van het Friese Merengebied als het IJsselmeer gemakkelijk en snel bereikbaar. Het Tjeukemeer zelf biedt uitstekende mogelijkheden om te zeilen, te surfen, te zwemmen en te vissen. Langs de oevers liggen jachthavens, trailerhellingen, strandjes, campings, hotels en groepsaccomodaties. De watersporter die op zoek is naar (meer) rust, kan aanmeren bij de ligplaatsen die recreatieschap De Marrekrite gerealiseerd heeft aan de oevers van de eilandjes in het meer.

Wie wat meer leven in de brouwerij wil, kan terecht in het bruisende toeristische centrum Lemmer. De stedelijke allure van dit grote dorp is het gevolg van de belangrijke handels- en havenfunctie die het in de zestiende en zeventiende eeuw had. Later ontwikkelde zich in het dorp, als alternatief voor de afnemende turfgraverij in de omgeving, een bloeiende visserij. Visrokerijen produceerden onder meer de beroemde ’Lemster Bokking’. Dat is tegenwoordig ook de naam van een prijs die eens in de twee jaar wordt uitgereikt aan een persoon of instelling die zich op bijzondere wijze heeft ingezet voor karakteristiek of historisch dorpsbehoud. En jaarlijks wordt de ’Lemster Bokking Race’ gehouden, een zeilwedstrijd voor verschillende typen boten. Een ander, zeer spectaculair zeilevenement is natuurlijk het beroemde Skûtsjesilen. Jaarlijks organiseren de SKS en de IFKS eind juli, begin augustus op het IJsselmeer en het Tjeukemeer meerdere races.

Maar Lemmer en Lemsterland is méér dan alleen watersport: ook echte landrotten komen in dit gebied prima aan hun trekken. Zo kunt u in Lemmer bijvoorbeeld een zeer interessante dorpswandeling maken. Ook een bezoekje aan het Duikmuseum is de moeite waard. De geschiedenis van Lemmer en omgeving wordt verbeeld in Streekmuseum/Oudheidkamer ’Lemster Fiifgea’.

Natuurlijk mag in de beschrijving van Lemmer het "Ir. D.F. Woudagemaal" niet ontbreken. Het grootste nog werkende stoomgemaal van de wereld bekroond met de status van UNESCO werelderfgoed. Niet te missen als u in het gebied bent!

Fietsers kunnen in het gebied hun hart ophalen dankzij het Fietsroutenetwerk Zuidwest Friesland. Dat wordt gevormd door een systeem van knooppunten, op basis waarvan u uw eigen route kunt samenstellen. Veel van de verbindingen waaruit het netwerk bestaat, zijn overigens ook toegankelijk voor motoren. Bent u niet alleen liefhebber van motorrijden, maar ook van oude motoren, dan is het Indian Motor Museum in Lemmer een must.

Op welke manier u zich ook verplaatst, dit gebied zal u aangenaam verrassen. Het weidse landschap, de prachtige vergezichten, de indrukwekkende wolkenluchten; de vele monumentale boerderijen, de molens, de kerkjes en de klokkenstoelen; en niet te vergeten de natuur: het Tjeukemeer en de landerijen er omheen vormen een paradijs voor vele soorten water- en weidevogels. Daarnaast is in een aantal verspreide percelen rietland in de in de Ychtenerfeanpolder sprake van een zeldzame flora en fauna.

Dat alles bij elkaar vormt het schitterende decor voor een verblijf zoals ú dat wenst.

Een uurtje met de boot, en je bent in een heel andere wereld. Dat is Schiermonnikoog. Het meest oostelijk gelegen (bewoonde) Nederlandse waddeneiland heeft sinds 1989 in zijn geheel de status van Nationaal Park. Een walhalla voor de natuurliefhebber dus. Maar ook voor de rustzoeker: auto's zijn niet toegestaan op het eiland, behalve voor de eilanders zelf. En kun je in het hoogseizoen bij het vertrek van Lauwersoog nog wel eens het idee hebben dat het druk wordt op het eiland, een half uurtje na aankomst heeft iedereen zich over het eiland verspreid.

Behalve de prachtige natuur en het afwisselende landschap heeft het eiland ook in cultuurhistorisch opzicht het nodige te bieden. In de Middeleeuwen was het eiland eigendom van de 'schiere' (grijze) monniken van het klooster Claercamp bij Dokkum. In de zestiende eeuw werd de provincie Friesland eigenaar van alle kloostergoederen en dus ook van het eiland. Vanwege geldgebrek verkocht de provincie het eiland in 1638. Niet veel later kwam Schiermonnikoog in handen van de familie Stachouwer, die zo'n 200 jaar eigenaar bleef.

De laatste privé-eigenaar was de adellijke Duitse familie Bernstorff, die het eiland in 1893 kocht. In 1945 werd het eiland als vijandelijk vermogen in beslag genomen en kwam het in handen van de Nederlandse Staat.

Met de bouw van het huidige dorp Schiermonnikoog, ook wel Oosterburen genoemd (en in het Schiermonnikoger dialect 'Aisterbun'), werd rond 1720 begonnen. Het dorp diende ter vervanging van het verder naar het westen gelegen dorp Westerburen (Wasterbun). Doordat het eiland langzaam maar zeker in oostelijke richting 'wandelt' verdween dat dorp langzamerhand in zee. Door toedoen van de familie Stachouwer kreeg het nieuwe dorp een zeer regelmatige opzet.

Eeuwenlang waren de zeevaart en visserij de belangrijkste bestaansmiddelen op Schiermonnikoog. Van 1872 tot 1934 was er op het eiland een zeevaartschool. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen veel eilanders terecht in de walvisvaart. De walviskaken in het dorp herinneren aan die periode. Tegenwoordig is het toerisme de belangrijkste inkomstenbron. De ongeveer 1000 inwoners verwelkomen ieder jaar zo'n 300.000 toeristen op het eiland, dat ze zelf liefkozend ook wel 'Lytje Pole' noemen (klein stukje grond, polletje).

Meer informatie over Schiermonnikoog vindt u op www.schierweb.nl

De naam van deze regio is ontleend aan de gelijknamige, voormalige gemeente, waarvan dit gebied grofweg de oostelijke helft vormde. Schoterland was in de negentiende eeuw ook de naam van één van de kiesdistricten in Friesland. Dit district koos in 1888 Ferdinand Domela Nieuwenhuis als eerste socialist ooit in de Tweede Kamer. Deze dominee, vrijdenker, socialist en anti-militarist had zich bijzonder ingezet om de erbarmelijke leef- en arbeidsomstandigheden van de veenarbeiders in het gebied te verbeteren. De ontginning van de veengronden heeft een belangrijk stempel gedrukt op de (sociale) geschiedenis van het gebied. En in het hedendaagse landschap is de afdruk van dat stempel nog steeds zeer duidelijk zichtbaar.

Ten behoeve van de afvoer van de turf was in het midden van de zestiende eeuw bij Heerenveen begonnen met het graven van de Schoterlandse Compagnonsvaart. Die vaart werd in de loop van de eeuwen stukje bij beetje in oostelijke richting doorgetrokken. Omdat het daarbij langzaam omhoog liep, waren sluizen nodig. De eerste sluis kwam bij het huidige Bontebok, de tweede ten noorden van Oudehorne en de derde bij het huidige Jubbega, dat tot ver in de twintigste eeuw werd aangeduid als Derde Sluis. Aan weerskanten van de hoofdontsluiting ontstond een regelmatig stelsel van kleinere vaarten en sloten en, in de hoger gelegen gebieden, weggetjes. Bij het geven van namen aan al die zogenaamde ’wijken’ was de vindingrijkheid niet overal even groot: in de Hoornsterzwaagstercompagnie, het gebied ten oosten van Jubbega, kwam men niet verder dan ’1e Wijk’, ’2e Wijk’ enzovoort, tot en met ’19e Wijk’.

Na het afgraven van het veen was het land op de meeste plaatsen niet direct geschikt om te gebruiken: in de lager gelegen gebieden was het te nat of stond het zelfs onder water, en de hoger gelegen zandgronden waren niet erg vruchtbaar. Het landschap lag er nogal desolaat bij en veel bewoners leidden een kwijnend bestaan. Stukje bij beetje werd het land in cultuur gebracht, veelal door de bewoners zelf. Doordat er sprake was kleinschaligheid en een langzame ontwikkeling, kreeg tegelijkertijd de natuur gelegenheid om zich te herstellen.

De ontstaansgeschiedenis heeft geresulteerd in een prachtig, gevarieerd landschap waarin enerzijds de invloed van de mens heel duidelijk zichtbaar is en anderzijds de natuur opnieuw een nadrukkelijke plek veroverd heeft. Een rechtlijnige infrastructuur en systematische verkaveling, open graslandgebieden, kleinschalige landerijen omgeven door boomwallen, bos, heideHet landschap kent hier vele smaken, die zich op meerdere manieren laten proeven: per fiets, te voet, te paard, per boot of kano.

Het gebied telt twee ’officiële’ natuurgebieden. Ten westen van Nieuwehorne ligt het Ketliker Skar, een zeer afwisselend, ruim 400 hectare groot natuurgebied dat bestaat uit heide, grasland, water en cultuurbos. Behalve enkele wandelroutes heeft beheerder It Fryske Gea hier ook een rondgaand rolstoelvriendelijk pad aangelegd van circa 2,5 kilometer. Ten zuidoosten van Oudehorne liggen de Kiekenberg en het Tolheksbos, die beide deel uitmaken van het natuurgebied Tjongervallei.

De dorpen Nieuwe- en Oudehorne organiseren jaarlijks, op de laatste zaterdag van september het zogenaamde Flaeijelfeest (Flaeijel = dorsvlegel). Tijdens dit traditionele oogst- en dorsfeest worden alle facetten van het vroegere leven op het platteland ten tonele gevoerd. Het evenement trekt jaarlijks tienduizenden bezoekers.

Deze unieke regio met haar sociaal bewogen geschiedenis, haar door mensenhanden gevormde structuur, haar voel- en zichtbare cultuurhistorie én haar landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten had eigenlijk ook in één woord samengevat kunnen worden: intrigerend! Want wie kan zijn nieuwsgierigheid en fantasie nog bedwingen bij het lezen van namen als Bontebok, Spekpôlledraai, Belgische Wijk, Luxemburg, Prikkedaam en Sing Sang (een weggetje tussen Bontebok en Jonkerslân).

Sneek behoeft eigenlijk geen toelichting: het is één van de Friese Elfsteden en hét watersportcentrum van de provincie. Hoogtepunten van het watersportseizoen zijn de finale van het skûtsjesilen en natuurlijk de Sneekweek, die wordt geopend met de traditionele vlootschouw.

Maar het bruisende Sneek heeft meer te bieden dan alleen de watersport: tal van winkels, gezellige cafés, goede restaurants, muziek, theater en het hele jaar door verschillende evenementen. En dat alles in een prachtige, historische ambiance. Iedereen kent de beroemde Waterpoort, maar de stad telt nog vele andere monumenten. In een aantal daarvan zijn musea gevestigd. Het Fries Scheepvaartmuseum biedt een veelzijdig beeld van de geschiedenis van de Friese scheepvaart van de 17de tot de 20ste eeuw. In het NS-station zit het Nationaal Modelspoormuseum. Hier kon u tot 2014 ook de stoomtrein naar Stavoren nemen. Aan het schilderachtige Kleinzand vindt u het bezienswaardige winkeltje van de beroemde distilleerderij Weduwe Joustra.

Kunstliefhebbers kunnen hun hart ophalen in verschillende galeries, waaronder Galerie Het Lam en Galerie Peter Bax. Kijk ook eens op www.kunstkast.nl.

Wilt u de relatieve drukte van Sneek even ontvluchten? In het gebied ten oosten en noordoosten van de stad treft u een oase van rust! Deze streek wordt wel aangeduid als de "Lege Geaën", de lage gebieden. Geniet hier van de stilte en het typisch Friese landschap met zijn prachtige vergezichten en indrukwekkende wolkenluchten.

De nabijheid van de Snitsermar geeft het gebied nog een extra dimensie, in landschappelijk opzicht, maar ook voor natuurliefhebbers. Samen met de aangrenzende polders vormt het een interessant en rijk natuurgebied van zo’n 1200 hectare. Het is onder meer van groot internationaal belang voor veel watervogels.

Dwars door het gebied slingert de Snitser Âldfeart. De meeste dorpen zijn daarmee verbonden door middel van zogenaamde ’opvaarten’. Een ander karakteristiek landschapselement is de Griene Dyk. Deze dijk, die loopt van Sneek naar Jirnsum, werd in de 12e eeuw aangelegd om het laaggelegen gebied te beschermen tegen overstromingen vanuit het zuidoosten.

Scharnegoutum, Gauw, Goënga, Loënga en Offingawier staan ook wel bekend als de "Snitser Fiifgea". Gauw, Goënga en Offingawier zijn verstilde, authentieke dorpjes die de weidsheid van het landschap even onderbreken. In Offingawier is in een oud pand met een moderne aanbouw een galerie gevestigd. Niet te missen als u door het dorp rijdt. Ten oosten van het dorp, aan de Snitsermar, ligt het drukbezochte recreatiecentrum De Potten.

Het grootste dorp van de Snitser Fiifgea is Scharnegoutum, dat is ontstaan op de oostelijke oever van de voormalige Middelsee. Het dorp is mooi gelegen aan De Swette, die lange tijd de belangrijkste verbinding was tussen Leeuwarden en Sneek en tegenwoordig, als onderdeel van de Middelseeroute, vooral van belang is voor de pleziervaart. Op de vlag en het wapen van het dorp staat een vijfpuntige ster, die de vijf dorpen van de Snitser Fiifgea symboliseert.

Loënga is nog net niet opgeslokt door Sneek. Om deze bijzondere enclave te beschermen tegen de oprukkende verstedelijking is een landschapsplan gemaakt en uitgevoerd. Onderdeel daarvan was het graven van een haventje en een vaarverbinding met De Swette.

In het noordelijk deel van de Lege Geaën liggen de charmante dorpjes Sibrandabuorren, Tersoal en Poppenwier. Het laatste is een beschermd dorpsgezicht en zeer schilderachtig. In Sibrandabuorren staat nog de voormalige zuivelfabriek "De Lege Geaën", die van 1891 tot 1975 in bedrijf was. Over de Sibrandabuorsterfeart, de verbinding met de Snitsermar, ligt een prachtige brug uit 1865. Ook Tersoal heeft een vaarverbinding met het meer. Alle drie dorpen zijn via een opvaart verbonden met de Snitser Âldfeart. Het vele water is jaarlijks het toneel voor het zogenaamde "preamkeskowen" nemen zes dorpen in het gebied het tegen elkaar op in een wedstrijd met karakteristieke pramen.

Ten noorden van Dokkum ligt een prachtig en nog grotendeels onontdekt gebied. Het landschap wordt gekenmerkt door prachtige vergezichten, schilderachtige terpdorpjes, eeuwenoude kerkjes, verschillende soorten molens, statige boerderijen, meanderende stroompjes en oude dijken.

De kuststrook wordt gedomineerd door de imposante zeedijk. Deze is in de jaren `70 van de vorige eeuw op Deltahoogte gebracht (5 meter boven NAP). Daarmee leek de strijd tegen het water definitief beslist. Maar inmiddels is duidelijk dat de dijk in de toekomst toch nog verhoogd zal moeten worden. Buitendijks liggen de kwelders, die alleen bij storm en extreem hoogwater nog onderlopen. Direct achter de dijk liggen de dorpjes Wierum, Paesens en Moddergat. Het visserijverleden is hier nog duidelijk voelbaar en zichtbaar. Op de dijk bij Wierum en Moddergat staan twee indrukwekkende monumenten die herinneren aan de grote vissersrampen die hier eind negentiende eeuw plaatsvonden. Het eeuwenoude kerkje van Wierum staat bijna tegen de moderne, strakke zeedijk aan, hetgeen een prachtig contrasterend beeld oplevert.

Naar het westen liggen Ternaard en Holwerd. Hier is ten noorden van de oude dijk een nieuwe dijk aangelegd. Over de oude dijk loopt een weg die een mooi uitzicht biedt op het oude en het nieuwe land. De weg van Holwerd naar Dokkum voert over een paar terpen met daarop kleine dorpjes. Eén daarvan is Foudgum, waar de dichter Francois HaverSchmidt, alias Piet Paaltjens, van 1859 tot 1863 predikant was. De pastorie is thans een Bed and Breakfast.

De kuststrook wordt gevormd door een oude kwelderwal. Door de hogere ligging vindt hier voornamelijk akkerbouw plaats. Verder landinwaarts ligt het land lager en is sprake van veeteelt. Het is een prachtig, ongerept terpenlandschap waar u al fietsend of wandelend tot rust zult komen. Niet voor niets bevindt zich hier, even ten zuiden van Hantum, een Boeddhistisch meditatiecentrum. Het gebouw in de vorm van een Indiase `stoepa` (tempel) heeft in deze omgeving een vervreemdend effect en is alleen om die reden al een bezoekje waard.

Door het gebied slingert zich verder het riviertje de Peasens. In 1860 werd daarin een `ontzaggelijk groote visch` ontdekt. Na een verwoede strijd die twee dagen duurde, werd de 2.60 meter lange steur in de opvaart naar Niawier gevangen. Het vlees (en de kaviaar?) werd verkocht aan een aantal vermogende Kollumers. De huid van het beest werd opgevuld met stro en is tegenwoordig nog steeds te bewonderen in het dorpshuis van Niawier.

De zuidelijke grensstreek van Friesland is een gebied vol afwisseling: open gras- en akkerland, houtwallen, bos, heide, moeras en water. Het gevarieerde landschap gaat hand in hand met een rijke natuur en een zeer boeiende cultuurhistorie. Hier lopen Friesland, Drenthe en Overijssel vrijwel ongemerkt in elkaar over. Het punt waar de provinciegrenzen elkaar raken, ligt ’in the middle of nowhere’ en is alleen herkenbaar aan een (overigens niet gemakkelijk te vinden) grenspaal.

Een zandrug tussen Oldemarkt en Noordwolde vormt de oudste ontginningsas in het gebied. De reeks dorpen langs deze as ontstonden eeuwen geleden al. Begin zeventiende eeuw werd begonnen met het afgraven van de veengronden. Ten behoeve van de afvoer van de turf werden vanuit Steggerda, Vinkega en Noordwolde vaarten gegraven naar de Lende. Het hoogtepunt van de vervening lag tussen 1650 en 1750; in 1800 was het rond genoemde dorpen vrijwel gedaan met de turfproductie. Na verloop van tijd werd een nieuwe bron van inkomsten gevonden in de rietvlechterij, die zich aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkelde tot een serieuze bedrijfstak. In Noordwolde werd in 1912 de Rijksrietvlechtschool opgericht, waarin tegenwoordig het Nationaal Vlechtmuseum gevestigd is.

Evenwijdig aan de grens met Drenthe en Overijssel loopt een lange, rechte weg met de intrigerende naam Vierdeparten. In de tijd van de turfgraverij liep langs die weg een vaart die de Steggerdavaart, de Vinkegavaart en de Noordwoldervaart met elkaar verbond. Om van die dwarsvaart gebruik te maken, moest pacht betaald worden: éénvierde part (= deel) van de hoeveelheid per schip vervoerde turf. In de negentiende eeuw, toen de turfwinning beëindigd was, werd de grond aan weerskanten van de weg aangekocht door de ’Maatschappij van Weldadigheid’. Die organisatie was in 1818 opgericht om de armoede in met name de steden te bestrijden. Ver weg van die steden, in het grensgebied van Drenthe, Friesland en Overijssel, werden landbouwkolonies gesticht, waar de ’behoeftigen’ aan het werk konden, met als doel dat ze uiteindelijk op eigen benen zouden komen te staan. De Vierdeparten was onderdeel van de Wilhelminaoord-Kolonie. Iets verder naar het zuidwesten, in Overijssel, werd de Willemsoord-Kolonie gesticht.

De Maatschappij bestaat nog steeds en is gevestigd in de voormalige Frederiksoord-Kolonie. Tegenwoordig richt ze zich op het behoud van het rijke erfgoed, dat bestaat uit arbeidershuisjes, boerderijen, fabrieken, scholen, bejaardenhuizen (!), etc. In Frederiksoord is ook museum De Koloniehof gevestigd. Een ander, zeer bijzonder museum is het Miramar Zeemuseum in het nabijgelegen Vledder. In dat dorp bevindt zich verder Museums-Vledder, drie musea onder één dak: een museum voor hedendaagse grafiek, een museum voor hedendaagse glaskunst én, uniek in de wereld, een museum voor valse kunst.

Behalve een rijke en interessante cultuurhistorie kent het gebied ook een gevarieerde natuur. Direct ten zuiden van Noordwolde ligt het 100 hectare grote Spokebos, met daarin recreatieplas de Spokeplas. Verder naar het zuiden, in Drenthe en Overijssel, worden bosgebieden afgewisseld door grasland, akker en heide. De Noordwoldermeenthe is een heidegebied ten noorden van Noordwolde. Tussen dat gebied en het dorp ligt het Jeudse Karkhof, een door eiken omzoomde Joodse begraafplaats, die boven de afgegraven omgeving uitsteekt. Verder naar het westen ligt het natuurgebied Lendevallei, een gevarieerd moerasgebied aan weerskanten van de Lende. Dat riviertje leent zich uitstekend voor een prachtige kanotocht. Ook voor wandelaars en fietsers biedt het gebied talloze mogelijkheden. Als u een route plant in de buurt van Steggerda, raden wij IJsboerderij De Saks van harte aan als plek voor een korte of langere pauze. Deze Saksische boerderij werd gebouwd in 1731 en is één van de oudste boerderijen van Friesland.

Terschelling is natuurlijk bekend vanwege Oerol, het theaterfestival dat sinds 1981 ieder jaar in juni plaatsvindt op het eiland. Het is uitgegroeid tot één van de grootste festivals voor straat- en locatietheater in Europa en trekt ieder jaar vele duizenden bezoekers.

Maar Terschelling is meer dan alleen Oerol. Veel meer!

Het grootste van de Friese waddeneilanden biedt in elk jaargetijde alles voor een korter of langer verblijf. Het vakantiegevoel begint al bij het vertrek uit Harlingen. En dat gevoel groeit naarmate het silhouet van het eiland, met de eeuwenoude Brandaris, zich steeds scherper tegen de horizon begint af te tekenen.

De boot meert aan in het levendige West. Van daaruit loopt, via een groot aantal dorpen, gehuchten en buurtschappen, de weg die voor auto's de enige verbinding is met de rustige en ruige oostkant. Van oorsprong worden op het eiland maar liefst drie dialecten gesproken: het 'Westers' (of 'Westerschylgers') in West-Terschelling, het 'midslands' (of 'meslônzers') in Midsland en het 'Aasters' in de dorpen ten oosten daarvan.

Het eiland kent een grote diversiteit aan landschappen. Uitgestrekte stranden, beschutte bosgebieden, het steeds wisselende duinlandschap, de agrarische polder en het schilderachtige wad. Tachtig procent van het eiland bestaat uit natuur. De 'topper' op dat gebied is de Boschplaat, een uniek natuurgebied dat bestaat uit strandvlaktes, duinen en kwelders die door slenken doorsneden worden. Als één van weinige gebieden in Nederland heeft de Boschplaat al sinds 1970 het predikaat 'Europees Natuurreservaat'.

In de laaggelegen, vochtige duinvalleien, de zogenaamde 'plakken', groeit de cranberry. Deze uit Amerika afkomstige plant is op het eiland terecht gekomen nadat in 1845 een vat met bessen van de plant was aangespoeld. De cranberry wordt gebruikt bij het maken verschillende producten, waaronder jam, wijn en azijn.

Voor elk wat wils. Dat is Terschelling. Natuur, cultuur, cultuurhistorie, rust, vertier. Het noemen van een paar highlights zou de rest tekort doen. Dat doen we dus niet. Bovendien is veel leuker om het eiland zélf te ontdekken en je eigen, persoonlijke highlights te bepalen.

In dit schitterende gebied treft u veel water, héél veel water: behalve de Snitsermar zelf ook de talloze vaarten, sloten en poelen daaromheen. Het is dus in eerste instantie een paradijs voor de watersporter! Maar ook voor degenen die liever vaste grond onder de voeten hebben heeft het gebied zeer veel te bieden. Prachtige vergezichten, vertier, cultuur, cultuurhistorie, natuur, rust en stilte. Een goede manier om het gebied te ontdekken is per fiets. U zou bijvoorbeeld een Rondje Sneekermeer kunnen doen

Top en Twel is de lokale benaming voor de dorpen Oppenhuizen en Uitwelingerga, die in het Fries Toppenhuzen en Twellingea heten. Het gebied rond de dorpen bestaat uit een wirwar van vaarten, sloten en meertjes. Vergeleken met de nabijgelegen Snitsermar en het druk bevaren Prinses Margrietkanaal is het hier een oase van rust op het water.

Langs de weg door beide dorpen staat een kunstwerk dat ’de drie reuzen’ symboliseert, die volgens een legende verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van een drietal vaarten in het gebied. Top en Twel heeft ook de niet-watersporter het nodige te bieden: een galerie, een aantal kunstenaars wiens werk u (op afspraak) bij hun thuis kunt bekijken en een kookstudio. Ook heel aardig is het bewaard gebleven tramhuisje in Uitwellingerga, dat hoorde bij de inmiddels al lang verdwenen tramlijn Sneek-Joure.

Ten oosten van de Snitsermar liggen de Lege Wâlden: de Lage Wouden. Door de lage ligging was het lang een ondoordringbaar, moerassig gebied. Het laagveen werd vanaf de tiende eeuw in cultuur gebracht, maar tot ver in de negentiende eeuw stond het gebied iedere winter nog onder water. Daardoor ontwikkelden zich zogenaamde blauwgraslanden. De ’Blaugerzen’ ten oosten van Akmarijp is het grootste aaneengesloten areaal blauwgrasland van Nederland. Hier is ook het Ooievaarsdorp-Akmarijp een bezoekje waard.

Nog wat verder naar het oosten ligt het nogal geïsoleerde Vegelinsoord, dat eerder Stobbegat genoemd werd en pas in 1955 zijn huidige naam kreeg. Het dorp is genoemd naar de adellijke familie Vegelin, die een belangrijke rol speelde bij de ontwikkeling van het gebied ten noordoosten van Joure. Vegelinsoord ligt in het noordelijk deel van de Haskerveenpolder, dat pas in de eerste helft van de twintigste eeuw in cultuur gebracht is.

Goïngarijp is een watersportdorpje dat populair is vanwege de prachtige ligging aan de naar het dorp genoemde poelen. Die Goïngarijpster Poelen staan in directe verbinding met de Snitsermar en zijn tijdens de beroemde Sneekweek deel van het wedstrijdwater. De rest van het jaar overheersen rust en stilte.

Ook het rustige en vriendelijke Terkaple heeft zijn ´eigen´ poelen. Aan de noordwestkant daarvan ligt Terherne. Behalve als watersportcentrum is dit dorp ook bekend door het Avonturenpark Kameleondorp. Een andere trekker in dit gezellige dorp is de Klassieke Schepenhaven. Het spreekt voor zich dat Terherne ook wat betreft terrasjes, restaurants en overnachtingsmogelijkheden volledig ingesteld is op het toerisme.

Ten noordoosten en oosten van Leeuwarden ligt een zeer bijzonder gebied. Vrijwel nergens in Nederland zijn op zulke korte afstand van elkaar zulke verschillende landschappen te zien. Bossen, rietmoerassen, weidegebieden, veenplassen, boomsingels: de Trynwâlden bieden zeer veel afwisseling.

Volgens een legende ontleent het gebied zijn naam aan een rijke weduwe, Tryntsje. Deze liet haar zeven zonen elk een boerderij met veel grond na. Rond die boerderijen bouwden de zonen volgens het verhaal ieder hun ’eigen’ dorp. Zo werd Âldtsjerk (Oudkerk) vernoemd naar de oudste zoon, Oentsjerk naar zoon Oene, Gytsjerk naar Gieke, Roodkerk naar Rode, Ryptsjerk naar Rype, Tytsjerk naat Tiete en Wyns naar Wynse. Tegenover het dorpscafé in Oentsjerk staat een kunstwerk dat Tryntje en haar zeven zonen uitbeeldt.

De zes ’kerkdorpen’ liggen op een smalle, noord-zuid lopende zandrug. Dit bosrijke gebied was vroeger al in trek bij de adel, die er hun buitenverblijven lieten bouwen. Een aantal daarvan zijn bewaard gebleven: De Klinze, Stania State en Vijversburg. Alle drie worden ze omgeven door een 19e eeuws park in de Engelse landschapsstijl, ontworpen door de vermaarde Lucas Pieter Roodbaard.

In westelijke richting gaat het besloten landschap abrupt over in een weids polderlandschap. Hier leggen deelnemers aan de Elfstedentocht hun laatste kilometers af, voordat ze finishen op de Bonkevaart, die direct naast de westelijke toegangsweg van Leeuwarden loopt. De brug over het Ouddeel is omgetoverd tot een uniek monument voor de ’Tocht der tochten’.

Ten zuiden van Giekerk ligt het natuurgebied De Grote Wielen, dat bestaat uit plassen, rietmoerassen en laaggelegen weilanden. Tussen dit gebied en het verder naar het oosten gelegen Ottema-Wiersmareservaat is een ecologische verbindingszone aangelegd: de Bouwe Pet, een moerasachtig gebied.

Ten oosten van Oenstjerk is de overgang van de bossen naar het open veenweidegebied veel geleidelijker. Hier worden bospercelen afgewisseld door open plekken, hetgeen vanaf de kleine weggetjes, zandpaden en ruiterpaden prachtige doorkijkjes oplevert.

Het zal duidelijk zijn: de Trynwâlden hebben eigenlijk alles te bieden voor een aangenaam verblijf. Een prachtig, afwisselend landschap, gevarieerde natuur, water en een rijke cultuurhistorie. En dat alles binnen fietsafstand! Maar behalve voor fietsen leent het gebied zich ook uitstekend voor wandeltochten en is het een paradijs voor ruiters en de (kleine) watersport.

Vaak wordt gezegd dat Friesland eigenlijk eindigt bij het riviertje de Tsjonger: ten zuiden daarvan liggen de Stellingwerven, een gebied met een geheel eigen karakter en cultuur. Hier praat men ook geen Fries, maar "Stellingwarfs", een nedersaksisch dialect dat ook in het aangrenzende deel van Overijssel en Drenthe gesproken wordt. Alles over de geschiedenis van dit bijzondere gebied vindt u op www.stellingwerven.dds.nl.

De Tsjonger (Kuunder in het Stellingwerfs) en de Lende zijn twee riviertjes die bijdragen aan de afwatering van het Drents Plateau. Precies tussen deze stroompjes, waar het land hoger en dus droger was, is een aantal dorpen ontstaan. De bij de dorpen behorende landerijen (de ’dorpsgebieden’) strekten zich in noordelijke en zuidelijke richting uit tot aan de genoemde riviertjes. Beide riviertjes vormden in de Tachtigjarige Oorlog samen de Lende-Kuunderlinie, die deel uitmaakte van de Friese Waterlinie die dwars door Zuidoost Friesland loopt. Ten zuidoosten van Oldeberkoop, bij het Stuttebosch, lag de Bekhofschans, waarvan de contouren in 2007 weer zichtbaar gemaakt zijn.

Oldeberkoop, in de eerste helft van de negentiende eeuw hoofdplaats van Weststellingwerf, is niet alleen letterlijk het middelpunt van deze regio; het mooie, een zekere grandeur uitstralende dorp is ook het toeristische centrum. Het ligt midden in het 340 hectare grote natuurgebied de Tsjongervallei van Staatsbosbeheer. Ook It Fryske Gea bezit in de omgeving van Oldeberkoop een aantal natuurgebieden: het Meulebos, de Delleboersterheide, de Diakonievene en de Bekhofschaans. Vanuit het dorp zijn wandelroutes uitgezet naar de verschillende natuurgebieden. Bij het VVV-foldersteunpunt zijn daarnaast beschrijvingen verkrijgbaar van een wandelroute door het dorp en een aantal fietsroutes in de wijdere omgeving.

Het zeer actieve dorp kent een groot aantal evenementen. Om er een paar te noemen: de voorjaarsfair, eind juni een ’kuierweekend’, gedurende vier weken in de zomer een Kunst- en Kijkroute en op de laatste woensdag van juli een jaarmarkt. Verder bevinden zich in het dorp een internationale school voor textieltechniek, kunst en vormgeving (met een galerie; zie www.hawar.nl), een galerie die zich heeft gespecialiseerd in ’honden- en paardenkunst’ (Nimrod), een schaakmuseum, een hertenkamp, een kaasboerderij en een ’1000-dierenboerderij’.

Het landschap tussen de Lende en de Tsjonger is een typisch coulissenlandschap dat karakteristiek is voor het grootste deel van de Stellingwerven: langgerekte, door houtwallen omzoomde percelen grasland en akkers, afgewisseld door heidevelden, water en bos. Een prachtig decor om in te wandelen, te fietsen of paard te rijden. Maar ook vanaf het water kan het gebied verkend worden. De Tsjonger, onderdeel van de Turfroute, is bevaarbaar voor motorboten en is via een opvaart verbonden met Oldeberkoop, waar een passantenhaven is. De Lende is geschikt om te kanoën. Een kano kunt u bijvoorbeeld huren op de camping van Oldeholtpade, die eigendom is van de Vereniging Plaatselijk Belang. Door die vereniging zijn drie wandeltochten uitgezet in de omgeving van het dorp. Voor de routebeschrijvingen, inclusief interessante informatie over de omgeving, gaat u naar www.oldeholtpade.com. In het gebied ten noordwesten van Oldholtpade werd rond 1840 begonnen met de afgraving van het veen. De zogenaamde "Holtwolder akkerturf", genoemd naar de dorpjes Oldeholtwolde en Nijholtwolde, was naar verluid van uitzonderlijke kwaliteit.

In het noordoosten van deze regio ligt Makkinga, dat bekend is om de vlooienmarkt die van maart tot en met oktober elke laatste zaterdag van de maand gehouden wordt. Deze openluchtmarkt wordt ook wel aangeduid met "Waterlooplein van het Noorden". In het dorp bevindt zich "Museum Oold Ark", waar allerlei handgereedschappen uit vervlogen tijden tentoongesteld zijn. In dit museum is ook een routebeschrijving verkrijgbaar voor een cultuurhistorische wandeling door het dorp. Meer informatie over de vlooienmarkt en het museum vindt u op de site van de VVV-Makkinga.

De streek tussen Veenklooster en Veenwouden is een geheel eigen stukje Friesland. Nergens in de provincie tref je in zo’n klein gebied zoveel dorps- en streeknamen die verwijzen naar het (oorspronkelijke) landschap. Het gebied ligt grotendeels op de ’zwaag’ van Kollum (Kollumer-zwaag), een keileemrug op de grens van een hoger gelegen gebied en lagere veengebieden ten noorden en westen daarvan. In dat veengebied is, op een hoger gelegen zandrug, Veen-wouden ontstaan. Zwaag-westeinde ligt op op het westelijke einde van de zwaag. Iets ten zuidoosten daarvan ligt Zwager-bosch en ten zuiden dáárvan Twijzeler-heide. Ook de naam Zandbulten laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Helemaal in het oosten ligt tenslotte Veen-klooster.

De naam Veenklooster verwijst naar een vrouwenklooster dat hier in de dertiende eeuw vanuit Dokkum gesticht werd, De Olijfberg. In de zeventiende eeuw is op het kloosterterrein Fogelsanghstate gebouwd en een groot park aangelegd. De boerderijen en dienstwoningen rond de state hoorden van oorsprong ook bij het landgoed. Het dorp is één van de zeer weinige in Friesland zonder kerk. Ook de structuur van het dorp is uiterst zeldzaam in Friesland: je waant je bijna in een Drents brinkdorp. Al met al is deze, nog onontdekte, toeristische parel een bezoek meer dan waard.

Ten westen van het bosrijke Veenklooster ligt het voor de Noordelijke Friese Wouden kenmerkende coulissenlanschap: een kleinschalig, halfopen landschap waar de percelen worden begrensd door elzensingels en zogenaamde ’dykswallen’. Hier en daar staan nog de karakteristieke, miniscule ’wâldhúskes’, die eind negentiende, begin twintigste eeuw langzamerhand de plaggenhutten van de turfstekers vervingen.

Door het gebied loopt de spoorlijn van Groningen naar Leeuwarden, die in 1866 in gebruik werd genomen. De trein stopt onder meer in Veenwouden, dat ook een bezoekje waard is. Hier staat de rond 1300 gebouwde Schierstins, een versterkte stenen woontoren. Het is de de enige bewaard gebleven middeleeuwse torenstins in Friesland.

En als u dan toch in de buurt bent, neem dan ook even een kijkje in het schilderachtige Veenwoudsterwal, dat net ten zuidwesten van Veenwouden ontstaan is als veenkolonie. Hier is de sfeer van de negentiende eeuw nog bewaard gebleven. De vaart door het dorp is de grens tussen de gemeenten Dantumadeel en Tytsjerksteradiel. Het dorpje is een prima uitvalsbasis voor kanotochten in het veengebied ten noorden van Veenwouden.

Vlieland: een Fries waddeneiland met een 'Hollandse inslag'. Nadat het aanvankelijk toebehoorde aan de Friese Staten, is het eeuwen lang bestuurd door de Staten van Holland en later de provincie Noord Holland. Het eiland was daardoor lange tijd sterk gericht op Holland, en andersom.

Zo was er op het eiland een 'dependance' van de admiraliteit van Amsterdam (het huidige museum Trompshuys). En de post werd bijvoorbeeld bezorgd via het buureiland Texel. Door de relatie met het (rijke) Holland kwam het toerisme naar Vlieland al vroeg op gang. Al in 1906 werd op het eiland een VVV opgericht! De Hollandse invloed blijkt tenslotte uit het feit dat het oorspronkelijke dialect meer verwant is aan het Nederlands dan aan het Fries. In 1942 werd Vlieland (weer) bij Friesland gevoegd.

Ook landschappelijk gezien is Vlieland anders dan de overige Friese waddeneilanden. Zijn de oostelijk delen van Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog leeg, ruig en onbewoond, op Vlieland ligt juist aan de oostkant het enige dorp. Daar heeft zich ook het hoogste duin van de waddeneilanden gevormd: het bijna 40 meter hoge Vuurboetsduin, waar de vuurtoren op gebouwd is. Naarmate je verder naar het westen gaat, wordt het eiland leger, ruiger en onherbergzamer. De Vliehors, het meest westelijke deel van het eiland, is een grote zandvlakte die voor een deel wordt gebruikt als militair oefenterrein. Ten noordwesten daarvan moeten in zee nog de resten liggen van het dorp West-Vlieland, dat in de achttiende eeuw definitief in de golven verdween.

Een ander verschil met de overige waddeneilanden is dat Vlieland vrijwel volledig bestaat uit duinen, bos en strand. Er is dan ook nauwelijks sprake (meer) van landbouw. Het enige vee op het eiland zijn geiten, Schotse Hooglanders en paarden, die vooral een functie hebben in het kader van het natuurbeheer.

Vlieland: anders dan de andere waddeneilanden. Maar in veel opzichten ook weer niet: de rust, de natuur, het licht, de zee, het strand, de duinen, de wolkenluchten, het onvermijdelijke vakantiegevoel...


0 | 1 |
Nieuwe encyclopedie van Fryslân voor slechts € 29,90 incl. verzenden!

Bijna 8 kilogram aan kennis over Friesland! Wees er snel bij want op is op.

De Nieuwe Encyclopedie van Fryslân is een onmisbare aanvulling in de boekenkast voor iedereen die gek is van Fryslân en meer wil weten van deze provincie. Op 15 september 2016 verscheen de vierdelige encyclopedie die rond de 3000 pagina’s telt, 11.000 trefwoorden bevat en ruim 8 kilo weegt. De encyclopedie staat bomvol actuele kennis over Fryslân en is een echte pageturner geworden.

Voor al diegenen die dit standaardwerk over Fryslân altijd al hadden willen hebben! Nu voor een wel heel speciaal prijsje! Maar let op! Op = Op!